ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > Kapitalisme en Democratie
 Mei 2018 [16]



OP WEG NAAR DE PLUTOCRATIE?

 

Er is klassenstrijd, inderdaad, maar het is mijn klasse, de klasse van rijken die de strijd voert en wij gaan winnen. Warren Buffet (Amerikaanse multimiljardair), 2006

Door Harald Trabold

 


Dit is een vertaling door Ronald de Vries van het gelijknamige  hoofdstuk 14 uit het boek Kapital Macht Politik: Die Zerstörung der Demokratie, Marburg, 2014

 

 


De meeste westerse democratieën zijn momenteel duidelijk op weg naar de plutocratie. Formeel gaat nog alle macht van het volk uit, maar feitelijk bepalen de grote bedrijven en rijken het politieke handelen. Tegen de economie in regeren, is bijna onmogelijk geworden. Het kapitaal heeft vermoedelijk nog nooit zoveel economische macht in politieke macht omgezet. Er worden amper nog belangrijke economische wetten aangenomen zonder invloed van de ondernemerslobby. Giften aan partijen en kandidaten die het kapitaal welgezind zijn, verhogen de kans om herkozen te worden. De PR-afdelingen van de concerns schetsen een rooskleurig beeld van een weldadig, vrij ondernemerschap en de private massamedia die of tot de kapitalistische grote concerns behoren of nadrukkelijk op hun advertentiekosten aangewezen zijn, verspreiden dit beeld, soms met goed gedoseerde kritiek omwille van de geloofwaardigheid.

 

 

Privatisering van politieke domeinen als voltooiing van de plutocratie

 

Ik heb er al op gewezen dat de machtsberoving van de democratie een relatief langzaam proces is. Zelfs de overgang van een postdemocratie[1] naar een plutocratie verloopt vloeiend en niet plotseling. Toch is het de vraag of er criteria bestaan om vast te stellen wanneer de postdemocratie zich in een plutocratie begint te veranderen.

 

Definiëren we plutocratie, zoals in dit boek, als heerschappij van de concerns, de rijken en hun vertegenwoordigers dan kunnen we, bijvoorbeeld de VS - zoals vele sociale wetenschappers dat al doen[2] - een (democratisch gelegitimeerde) plutocratie noemen. Maar ook een postdemocratie wordt door een zelfde hegemoniale invloed van grote concerns gekenmerkt. Om van een overgang naar een plutocratie te kunnen spreken, moet er bovendien sprake zijn van een privatisering van de politiek, iets wat bij een postdemocratie slechts in aanleg aanwezig. In een plutocratie worden politieke taken direct door concerns, rijke privépersonen of instituties uitgevoerd die op eigen verantwoording en volgens eigen regels handelen. Daarvoor is op z’n minst aanvankelijk ‘toestemming’ van regeringen of parlementen nodig, bijvoorbeeld door het creëren van vrije ruimtes in het kader van een deregulering of door wetten die private organisaties toestaan politieke domeinen te vormen. Is de ‘toestemming’ eenmaal gegeven dan kan ze weliswaar theoretisch ingetrokken worden, maar in de praktijk gebeurt dat echter zelden.

 

Het is logisch dat het kapitaal de politiek wil privatiseren. In een postdemocratie heerst het kapitaal nog overwegend indirect door zijn economische macht in politieke om te zetten met het risico dat sommige politieke domeinen niet zo gereguleerd worden als de kapitaalbezitters willen. Een geprivatiseerde en plutocratisch gestuurde politiek ondervangt dit. Principieel is het dus in het belang van het kapitaal om op vele terreinen politiek te bedrijven en juist daarom zagen we de afgelopen decennia een continue ontwikkeling naar een plutocratie. Ik wil nu laten zien dat, de westerse maatschappijen de gevolgen van een geprivatiseerde politiek steeds sterker begonnen te voelen.

 

 

Kredietbeoordelaars

 

Een belangrijke economische privatisering van de politiek begon reeds na de grote depressie. In de VS werd in 1934 een staatsbureau voor het toezicht op de handel in waardepapieren de Securities and Exchange Commission (SEC) ingesteld. De SEC heeft een groot aantal kapitaalmarktwetten veranderd en kreeg daarvoor van de wetgever verreikende bevoegdheden. In 1975 nam de SEC drie besluiten die het de kredietbeoordelaars allereerst mogelijk maakten direct politiek op de kapitaalmarkt te bedrijven, wat steeds ernstiger gevolgen voor de volkshuishoudingen in de hele wereld had. De private kredietbeoordelaars werden economisch-politieke acteurs:

1.  Er werd door de overheid een licentie voor kredietbeoordelaars ingevoerd. De SEC verstrekte de zeven bekendste onder hen het begeerde certificaat Nationally Recognized Statistical Rating Organization (NRSRO). Na verloop van tijd ontstonden door fusies daaruit de grote drie: Fitch, Moody’s, en Standard & Poor’s. Tot 2003 waren ze de enige NRSRO’s. Hoewel de SEC daarna meer kredietbeoordelaars heeft toegelaten, lag het marktaandeel van de grote drie in 2010 altijd nog op 95%.[3]

2.  Er kwam een classificatie (rating) van aandelen in risico-categorieën. Banken en andere financieringsinstellingen mochten minder kapitaal als risico-buffer reserveren naarmate de kans op verlies op hun aandelen kleiner was. Daardoor hebben de kredietbeoordelaars een prikkel hun subjectieve speelruimte bij het beoordelen van aandelen ten gunste van de uitgevers ervan te gebruiken. Want hoe hoger de inschaling, hoe hoger de prijs bij verkoop is – onder verder gelijke condities. En daar de uitgevers van aandelen en niet de kopers de kosten van de beoordeling betalen, waarderen de beoordelingsbureaus stelselmatig in de geest van de opdrachtgever.

3.  Het pensioenfonds mocht alleen nog aandelen kopen met een ‘A-notering’. De kredietbeoordelaars kregen het alleenrecht om de kredietwaardigheid van aandelen te bepalen en daarmee een beslissende rol in de financieringsmarkten in de VS.[4]

 

Alles zag er in het begin nog onschuldig uit, maar in de volgende decennia breidden de kredietbeoordelaars hun oorspronkelijk op de VS gerichte activiteit uit tot de gehele wereld, omdat steeds meer landen in hun nationale kapitaalmarkt beoordelingen van een van deze drie bureaus eisten.[5] Ook het aantal landen dat door de kredietbeoordelaars gewaardeerd werden steeg van 5 in 1975 tot 191 in 2000 en omvatte daarmee bijna alle landen van de wereld.[6] Zo kregen de kredietbeoordelaars een steeds grotere invloed op de voorwaarden waaronder staten geld op de internationale kapitaalmarkten konden lenen. Reeds in 1996 merkte de toenmalige president van de Deutsche Bundesbank Hans Tietmeyer op “dat het de meeste politici nog niet duidelijk is hoezeer ze tegenwoordig al onder controle van de financiële markten staan en er zelfs door beheerst worden.[7]

 

De financiële markten en daarmee de kredietbeoordelaars beslissen immers of en onder welke condities een land geld kan lenen. In beginsel bestaat het rentetarief dat een staat de kapitaalmarkt moet bieden, opdat investeerders geld uitlenen, uit twee componenten: (1) het rentetarief op de kapitaalmarkt voor landen met zeer goede kredietwaardigheid en (2) een risicotoeslag die hoger uitvalt naarmate de kredietbeoordeling lager uitvalt. En op dit punt wordt het politiek. Private kredietbeoordelaars beslissen a.d.v. door hen zelf opgestelde criteria, waarin zowel objectief begrijpelijke economische informatie als subjectieve waarderingen een rol spelen over de kredietwaardigheid van een land.[8] Zij hebben daarmee via de hoogte van de risicotoeslag een beslissende invloed op het rentetarief dat een land berekend wordt bij het aangaan van een schuld. Vanuit het perspectief van een land bedrijven kredietbeoordelaars daarmee rentepolitiek op de internationale kapitaalmarkten. Daarbij komt de invloed op de budgetpolitiek. Daar de rentes over de schuld uiteindelijk[9] via bezuinigingen of belastingverhogingen, betaald moeten worden, beïnvloedt de private rentepolitiek ook de begrotingspolitiek van staten en kan zelfs effecten op de stabiliteit van hun valuta hebben. Toen Canada in 1995 forse economische problemen had, wilde het zijn dollar stabiliseren en niet devalueren. Daarom bezuinigde de regering en verhoogde de belastingen. De kredietbeoordelaar Moody’s vond dat echter te weinig en wilde nagaan of Canada mogelijk afgewaardeerd moest worden, wat de risico-opslag die Canada voor nieuw uitgegeven staatleningen moest betalen, zou verhogen. Zou Canada afgewaardeerd worden dan zouden de reeds in omloop gebrachte staatleningen in waarde dalen. Om zich tegen de dreigende waardevermindering te beschermen, verkochten investeerders direct na deze aankondiging van Moody’s op grote schaal Canadese staatsleningen en de koers van de Canadese dollar daalde verder.[10]

 

Nu kunnen we redeneren dat altijd iemand de kredietwaardigheid van landen moet beoordelen, omdat investeerders anders niet weten hoe zeker hun geld belegd is en zij bij twijfel de staat helemaal geen geld lenen. Daarom zou de kredietwaardigheid het beste volgens objectieve criteria door neutrale scheidsrechters betrouwbaar vastgesteld moeten worden. De invloed op de rentes zou dan louter een technische uitkomst van de economische politiek van een land zijn. Hoewel dit in principe klopt, is het problematisch dat de inschalingen van staatleningen niet objectief, betrouwbaar en neutraal zijn.[11] Zouden de criteria objectief zijn, dan zou ieder land steeds door alle kredietbeoordelaars gelijk beoordeeld moeten worden; dat is echter niet zo en ligt vooral aan de subjectieve component van de inschaling. Hadden de beoordelingen het risico op verlies betrouwbaar aangegeven dan hadden er minder aandelen hoeven zijn die in 2006 (vóór de financiële crisis) nog een goede notering hadden, maar in 2007 in enkele dagen op ramsj-niveau afgewaardeerd werden.[12] Zo hadden Italië en Ierland voor hun forse en snelle afwaardering in resp. 2011 en 2010 niet jarenlang goede noteringen gekregen moeten hebben.[13]

 

Ook de neutraliteit van de grote drie wordt sterk betwijfeld en dat niet alleen, omdat ze onderdeel zijn van financiële concerns. Zo worden Moody’s en Standard & Poor’s deels door dezelfde eigenaren bestuurd, waaronder grote wereldwijd opererende VS-fondsen en –banken die proberen via de kredietbeoordelaars hun eigen belangen door te drijven.[14] Dat ontdekten ook drie onderzoekers van de universiteit van St. Gallen, die beoordelingen van 26 OECD-staten tussen 1999 en 2010 op een groot aantal data vergeleken die, volgens de kredietbeoordelaars en de economische theorie, de kredietwaardigheid van landen verklaren. Het viel hen op dat tot het begin van de staatsschuldencrisis in 2009 de beoordelingen van alle staten goed met hun economische cijfers overeenkwamen. Tijdens de crisis werden Portugal, Italië, Griekenland en Spanje echter slechter beoordeeld als vergelijkbare andere landen, waarvoor op grond van de data geen aanleiding bestond.[15] De kredietbeoordelaars pikten er duidelijk op politieke en economische gronden die staten eruit die zich het minste konden verweren. Al snel werden deze vier landen vanwege hun afgewaardeerde status naar hun beginletters de PIGS-staten (pigs = varkens) genoemd.[16] Zo kon de hele wereld zien om welke soort schuldenaars het gaat. De niet gerechtvaardigde verslechtering van de beoordelingen dwong de vier staten hogere rentes voor nieuwe leningen te betalen dan landen met vergelijkbare economische cijfers. De neutraliteit van de beoordelingen werd verder in twijfel getrokken door twee economen, die via onderzoek vaststelden dat kredietbeoordelaars hun eigen land systematisch hoger gewaardeerd hadden dan o.g.v. de basisgegevens en de inschatting van buitenlandse kredietbeoordelaars gerechtvaardigd scheen.[17] Deze voorkeur voor de thuismarkt bewijst ook de ontoereikende neutraliteit van kredietbeoordelingen.

 

Om niet verkeerd begrepen te worden: beoordelingen van landen leveren investeerders belangrijke, hoewel niet altijd betrouwbare, informatie voor investeringsbeslissingen en dragen dus bij aan de transparantie op de kapitaalmarkten. In een of andere vorm is er altijd een beoordeling van de kredietwaardigheid geweest en die zal er ook altijd zijn. Dat zijn de pensioenfondsen en andere kapitaalfondsen hun klanten die willen weten hoe zeker hun geld is belegd, verplicht. Maar in het huidige systeem hebben de kredietbeoordelaars een veel te grote subjectieve beoordelingsruimte, die ze gebruiken om via de risico-toeslag de hoogte van het rentetarief voor staatsleningen te beïnvloeden. Daar komt de invloed van hun adviezen aan staten om hun kredietwaardigheid te verbeteren of te behouden bij. Dat betekent in wezen korten op de rijksuitgaven door ambtenaren te ontslaan en te snijden in de sociale zekerheid. Maar zelden worden kortingen op de uitgaven voor politie, het leger en geheime diensten geëist. Daarmee maken de kredietbeoordelaars weliswaar niet direct politiek, ze dwingen parlementen en regeringen echter zich aan het advies te houden, als ze hun kredietwaardigheid willen verbeteren. “Al met al zijn kredietbeoordelaars geen zelfstandige en ‘objectieve’ beoordelaars, maar uitvoerende organen van hun eigenaren in het bijzonder en de westerse kapitaalmacht in het algemeen,” luidt de slotconclusie van Werner Rügemer, die zich intensief met de politieke economie van kredietbeoordelaars heeft bezig gehouden.[18]

 

Private kredietbeoordelaars bedrijven in zekere mate politiek, hoewel met goedkeuring van de staat. In een functionerende democratie is politiek bedrijven de kerntaak van het volk of haar vertegenwoordigers die daarbij ook democratische gecontroleerde instituties kunnen inzetten, zoals bijv. de mededingingsautoriteit in het geval van concurrentiepolitiek. Zelfs in een postdemocratie worden dergelijke instituties nog formeel democratisch gecontroleerd en geleid. Het is echter een onmiskenbaar teken van de overgang naar een (democratisch gelegitimeerde) plutocratie, als - zoals in het geval van de kredietbeoordelaars - een niet onbelangrijk domein van de politiek wordt geprivatiseerd wordt.

 

 

Regulatory capture

 

Onder regulatory capture[19] verstaat men de (vijandige) overname van een toezichthoudende autoriteit door private individuen of belangengroepen. Na de overname dienen de toezichthouders niet meer het algemeen belang, maar belangen van enkelen. Deze definitie stamt van de econoom George Stigler (VS), die in het begin van de 1970er jaren een al door Montesquieu en Marx verkondigd inzicht nieuw leven inblies. Het zou veel winstgevender zijn, de regels ten voordele van de eigen sector of bedrijf zelf op te stellen in plaats van zich afhankelijk te maken van concurrentie met branchegenoten.[20]

 

Toezichthouders worden door de staat ter verbetering van de efficiëntie van markten ingesteld, als deze door (gedeeltelijk) marktfalen niet optimaal functioneren. Hun kerntaak bestaat uit het afgewogen reguleren van de markt om het algemeen belang zo veel mogelijk te bevorderen.

 

In principe kunnen we twee typen toezichthouders onderscheiden: (1) zij die vooral bestaand recht interpreteren en toepassen en (2) zij die in zekere mate eigen regels vaststellen en daarna handelen. De eerste groep waarvoor in de meeste landen, bijv. het concurrentietoezicht geldt, heeft relatief weinig met regulatory capture te maken. Belangengroepen verwerven hier vooral via hun lobbyisten invloed, doordat ze hun clientèle gunstige wetten bezorgen. Vooral de tweede groep toezichthouders kan via regulatory capture de politiek goed privatiseren. Als het lobbyisten lukt om een toezichthouder over te nemen, dan kunnen ze hun verlangens sterk doordrijven.

 

In principe kan natuurlijk iedere belangengroep deelnemen aan regulatory capture en het is theoretisch niet uitgesloten dat een toezichthouder van staatswege door vakbonden, consumenten- of milieuorganisaties wordt overgenomen. Feitelijk heeft het kapitaal echter door zijn economische macht een organisatorische en propagandistische voorsprong op andere groepen, als parlementen of regeringen de zetels in de besluitvormende colleges van de toezichthouders toekennen. Bovendien dreigt de economie in het geval van een te streng toezicht doorgaans al met een verlaging van de productie en daarmee met het vertrek van arbeidsplaatsen naar het buitenland.[21]

 

Het spectrum van regulatory capture loopt van harde varianten, de bezetting van belangrijke gremia door personen uit het eigen kamp tot lichte varianten, het beïnvloeden van besluitvormende autoriteiten. De Eidgenössische Bankenkommission (EBK) is een van de beste voorbeelden van regulatory capture door eigen mensen. Tot de integratie binnen haar opvolger de Eidgenössische Finanzmarktaufsicht (FINMA) op 01.01.2009 was het de taak van de EBK om toezicht te houden op banken, beurzen en beleggingsfondsen in Zwitserland. De president van het zevenkoppige bestuur werkte eerder voor de grootbank UBS, vier andere leden kwamen in ieder geval uit het bankwezen. Weinig verrassend stond de EBK de UBS in 2004 toe zich te begeven in een risicovol investeringsspel.[22] Zoals vele andere banken maakte de UBS in het kielzog van de financiële crisis grote verliezen en in oktober 2008 moest de Zwitserse Nationale Bank de UBS met € 37,5 miljard van de vermoedelijke ondergang redden.[23]

 

Ook de FINMA is door de financiële sector ingepalmd. Als een van haar eerste ambtsverrichtingen zorgde ze er in 2009 voor, dat bij vermogensbeleggingen in Zwitserland voortdurend verborgen provisies van jaarlijks ca. € 3,1 miljard aan de bemiddelende banken en beleggingsadviseurs betaald konden worden. Ze reguleert de financiële sector bovendien veel sterker ten voordele van de banken dan de cliënten. Geen wonder, want in “hun militair georganiseerde beheersraad zitten vertegenwoordigers van banken en verzekeraars, maar geen vertegenwoordigers van de consumenten, de beleggers en de kleine bedrijven. Bij het toezicht op de banken gold en geldt altijd nog het principe: de gecontroleerden controleren hun controleurs”, stelt de econoom Rudolf Strahm die van 1991 tot 2004 in het Zwitserse Parlement zat, kritisch.[24]

Maar het lukt belangengroepen niet altijd om toezichthouders met eigen vertegenwoordigers te bemensen. Als medewerkers en beslissers van de autoriteiten relatief neutraal zijn, komen andere overrompelingstechnieken in beeld, bijvoorbeeld: regulatory capture by sophistication (reg. cap. door overwicht).[25] Die vind je vooral op terreinen waar de te reguleren zaken relatief complex zijn, zoals bijvoorbeeld bij financiële markten of kerncentrales. In zulke gevallen spelen de private belangengroepen hun kennis- en informatievoorsprong die ze danken aan hun beloningsmacht, uit: zij bieden geld en carrièrekansen zodat het hen lukt een meerderheid van de kundigste specialisten aan te stellen. De veel slechter toegeruste toezichthouders van staatswege die hun medewerkers slechts modale salarissen en promotiemogelijkheden kunnen bieden, zijn slechts  voor zeer weinig specialisten aantrekkelijk. De specialisten  van de ondernemingen of federaties presenteren ter onderbouwing van hun wensen gecompliceerde berekeningen, modellen of ramingen die de toezichthouders slechts half kunnen begrijpen, maar toch goedkeuren. Voor Martin Hellwig directeur van het Max-Plank Instituut voor Onderzoek naar het Algemeen Welzijn is regulatory capture by sophistication een van de belangrijkste redenen dat de toezichthouders van de financiële wereld jarenlang een onderkapitalisatie van de banken toelieten, die na de uitbraak van de financiële crisis in 2008 de eerder genoemde redding van de banken noodzakelijk maakte.[26]

De meest voorkomende vorm van regulatory capture zou echter de zachte variant zijn, dus de beïnvloeding van toezichthouders door lobbyisten, regeringsvertegenwoordigers, anticiperende gehoorzaamheid en het draaideureffect. Dit kan je zeer goed in de farmaceutische sector bestuderen. Terwijl producenten van geneesmiddelen de neiging hebben het therapeutisch nut van een geneesmiddel hoog en de risico’s en bijwerkingen laag te waarderen, moeten toezichthouders over de toelating van geneesmiddelen beslissen. Ze moeten objectief afwegen of de toelating van een geneesmiddel gerechtvaardigd is en vaststellen of openbare ziekenfondsen het nieuwe geneesmiddelen mogen vergoeden. Farmaceutische bedrijven die vaak vele miljoenen hebben geïnvesteerd, voordat ze bij de toezichthouders terecht komen, willen natuurlijk toelating en een hoge prijs voor hun geneesmiddel verkrijgen. Ze proberen dus bijzondere belangen ten koste van het algemeen belang door te drijven, wat de toezichthouders moeten verhinderen.

 

John Abraham, professor aan het Centrum voor Wereldgezondheidsbeleid van de Universiteit van Sussex heeft uitvoerig beschreven hoe het zachte regulatory capture in het Britse en Amerikaanse gezondheidswezen functioneert. Zo zorgt het draaideureffect voor een levendige uitwisseling tussen toezichthouders en industrie waardoor wetenschappers  als ze voor de toelatingsautoriteiten werken een gewillig oor voor de wensen van de farmaceutische branche hebben. Vooral als ze van plan zijn later (weer) van positie te wisselen leggen ze de regels met anticiperende gehoorzaamheid gunstig voor de industrie uit. Lobbyisten zorgen via hun invloed op parlementen en regeringen voor een branchevriendelijke bezetting in de top van de toezichthouders. Dat zie je bv., als belangrijke leden de aanbevelingen van de wetenschappers om geneesmiddelen niet toe te laten vaak in twijfel trekken. Die worden dan vaak zonder nadere argumentatie toch toegelaten, waarbij bijna nooit naar het waarom gevraagd wordt. Een regulering die het algemeen welzijn bevordert is in ieder geval niet te verwachten wanneer er sprake is van belangenconflicten. Wetenschappers van onderzoeksinstituten of universiteiten zijn vaak als externe adviseurs voor toezichthouders werkzaam. Tegelijkertijd kunnen ze echter ook adviserings- of onderzoeksopdrachten van de farmaceutische bedrijven voor zichzelf of hun universiteiten krijgen, waardoor er een belangenconflict ontstaat. Weliswaar is het wetenschappers meestal verboden om aan toelatingsprocedures door firma’s, waarvan ze giften ontvangen hebben, mee te werken. Maar alleen al het feit dat ze regelmatig onderzoeksgelden en advieshonoraria van de farmaceutische industrie krijgen, maakt ze gewillig. Wie kritische experts zijn, doet binnen de branche snel de ronde en zij moeten vrezen geen of minder onderzoeksgelden voor zichzelf of hun universiteit te krijgen.[27]

In Duitsland wordt de Ständige Impfkommission (permanente commissie voor vaccinatie, STIKO) steeds weer met het verwijt van regulatory capture geconfronteerd. Omdat vele artsen en ouders zich houden aan haar adviezen en de ziekenfondsen sinds april 2007 de door het STIKO aanbevolen vaccinaties moeten betalen, is de prikkel voor fabrikanten van de vaccins groot om de 16-koppige commissie te bewegen om zoveel mogelijk vaccinaties te laten aanbevelen. In hoeverre een commissie van experts als de STIKO zich feitelijk laat beïnvloeden is van buitenaf moeilijk te beoordelen. Het laat in ieder geval een nare bijsmaak achter, als de langjarige voorzitter, zoals in 2007 gebeurde, van vaccin-producent wisselt en de meeste leden met de fabrikanten van vaccins samenwerken, zoals dat nog in 2010 het geval was.[28]

 

Het ligt in de aard van de zwakke variant van regulatory capture dat ze empirisch heel moeilijk aan te tonen is. Het hele gebied omvattende onderzoekingen zijn er dus niet. De ontwikkelingen van de afgelopen decennia, laten vooral drie dingen duidelijk zien:

1.  De mogelijkheden voor regulatory capture zijn wereldwijd door privatisering en de daardoor noodzakelijk geworden inzet van nieuwe toezichthouders vergroot.[29]

2.  Het kapitaal heeft zijn economische en organisatorische macht overal waar het aanwezig is gebruikt om zijn personeel de toezichthouders binnen te loodsen of de leden ervan via de zwakke variant te beïnvloeden.

3.  De genoemde voorbeelden, waaraan nog vele toegevoegd kunnen worden, laten zien dat de grote concerns met regulatory capture tamelijk succesvol zijn en hun winsten ten koste van het algemeen welzijn hebben verhoogd.[30]

De privatisering van de politiek rukt ook op dit gebied onstuitbaar op.

 

 

Politiek door strategische stichtingen

 

Heel anders bedrijven strategische stichtingen politiek. Ze brengen projecten naar eigen idee en onder eigen regie ten uitvoer, waarbij ze soms openbare, democratisch gecontroleerde taken overnemen. Meestal gebeurt dit als aanvulling op overheidsfuncties, soms ook als vervanging daarvan. De “toestemming” voor het kapitaal om politiek te bedrijven ligt enerzijds in de mogelijkheid stichtingen voor het algemene nut te op te richten en geld bijna belastingvrij te innen. Anderzijds verleent de staat strategische stichtingen verregaande vrijplaatsen om politiek naar de ideeën van het kapitaal te realiseren.

 

De overdracht van vermogen naar stichtingen tot nut van het algemeen kent een lange traditie als legaal model om belasting te besparen. Grootindustrielen in de VS, zoals John Rockefeller, Andrew Carnegie of Henry Ford ontliepen daardoor erf- en vermogensbelastingen. [31] Het basisprincipe is simpel en in bijna alle westerse democratieën hetzelfde: de rijken brengen vermogen (bijv. aandelen) allereerst in een stichting tot nut van het algemeen onder via welke ze dan voorts de ondernemingen controleren waarvan ze de aandelen of participaties bezitten. De winsten vloeien met geringe belastingafdracht in de stichting en financieren haar activiteiten. In Duitsland kunnen stichtingen tot nut van het algemeen tot een derde van de stichtingsopbrengst aan de stichter en diens naaste verwanten uitkeren, wat weliswaar belast wordt. Zo wordt echter tenminste zeker gesteld dat kinderen en kleinkinderen van vermogen profiteren zonder erfbelasting te betalen, omdat de stichting zelf niet nagelaten wordt. In Duitsland zijn stichtingen tot nut van het algemeen, zoals in vele andere landen ook van de meeste belastingen vrijgesteld.[32]

 

Stichtingen vormen daarmee middelen ter opbouw van economische macht. Gezien de dalende belasting op erfenissen en vermogens zijn belastingbesparingen voor vele stichters slechts van weinig belang. Zij willen hun politieke ideeën realiseren en hun imago en dat van hun bedrijf verbeteren. Hun strategische stichtingen opereren enerzijds charitatief en vullen gaten die door de overheid, die zich heeft teruggetrokken uit de sociale zekerheid en de onderwijsfinanciering, zijn ontstaan. De grootste is die van Bill & Melinda Gates die eind 2012 over een vermogen van meer dan $ 36 miljard beschikte. Zij zetten hun geld vooral in ter verbetering van de openbare gezondheidszorg in Afrika, maar ook voor onderwijsinitiatieven in de VS.[33] Oprichters zoals Bill Gates worden veelal in de openbaarheid als weldaders geprezen. Daarbij zien we niet, dat hun grote vermogen vaak op de oligopolistische of monopolistische positie van hun bedrijf berust, die over hun winsten nauwelijks nog belasting betalen en daardoor de staat de middelen onthoudt om de sociale zekerheid te betalen. Charitatieve stichtingen betekenen, ook als ze het goede willen doen, voor een democratie een zeer bedenkelijke privatisering van de politiek, in dit geval de sociale politiek, omdat de behoeftigen tegenover een private stichting geen recht kunnen laten gelden op hulp.[34] Net als vroeger bepalen de hoge heren eigenmachtig wie een studiebeurs, noodzakelijke operatie of voedingsmiddelen krijgt.

 

Het gaat echter ook anders. De Hamburgse reder Peter Krämer financiert via UNICEF de bouw van scholen in Afrika, omdat hij privatisering van de politiek ondemocratisch vindt. “Ik wil gewoon niet dat een handvol miljardairs bepaalt of visgronden in Alaska, golfterreinen of de strijd tegen aids gefinancierd worden”, zegt hij in een interview.[35] Maar zo denkt alleen een minderheid van de rijken. Waarom zouden ze eigenlijk alles doen om belasting te ontlopen, als ze met hun geld toch niet kunnen doen, wat ze goed dunkt.

 

Nog problematischer is het machtspolitieke streven van stichtingen als ze de agenda van hun geldschieters trachten uit te voeren. Zij beogen het kapitalisme te bevorderen of de principes van het ondernemingsgewijs handelen in de maatschappij te verankeren. Daarmee begonnen de grote stichtingen in de VS in de 1950er jaren ook buiten de VS en Europa. De Ford Foundation opende een kapitalistische getinte opleiding economie in Indonesië en liet Chileense studenten zo’n opleiding in Chicago volgen. Na de coup tegen de regering Salvador Allende in 1973 kon generaal Pinochet op deze neoliberaal getinte economische expertise teruggrijpen. In India werden de NGO’s als tegenwicht tegen Occupy Wallstreet financieel ondersteund als ze kapitalistische prakijken zoals privatiseringen of de economische macht van concerns niet bekritiseerden.[36]

 

De broers David en Charles Koch mogen zich de ongekroonde koningen van de politieke beïnvloeding in de VS noemen. Zoals officiële belastingregisters melden, hebben ze tussen 1998 en 2008 bijna $ 200 miljoen via hun stichtingen uitgegeven, $ 50 miljoen in lobbyen geïnvesteerd en meer dan $ 10 miljoen aan politieke campagnes gespendeerd waarvan 80% naar de Republikeinen ging. Ze probeerden daarmee hun ideeën over het vrije ondernemerschap te verspreiden en de resultaten van de klimaatonderzoekers inzake globale opwarming in twijfel te trekken. Bovendien financieren ze non-profit-organisaties die onderzoeksrapporten opstellen met het doel de winsten van hun bedrijven te verhogen. Charles Lewis, oprichter van het boven de partijen staande Centre for Public Integrity, karakteriseerde de gebroeders als volgt: “De Kochs spelen in een andere competitie. Niemand kan zoveel geld uitgeven als zij. [….] Zij tonen een gedragspatroon van minachting voor wetten, van politieke manipulatie en van verdoezeling.”[37]

 

In Duitsland is het vooral de Bertelsmann Stichting die via drie van door haar opgerichte of ondersteunde denkfabrieken politiek maakt: het Centrum für angewandte Politikforschung (toegepast politiek onderzoek - CAP) het Centrum für Hochschulentwicklung (CHE) en het Centrum für Krankenhausmanagement (CKM) aan de universiteit van Münster. Het CHE dat door de Bertelsmann Stichting en de conferentie van hogeschooldirecteuren in 1994 opgericht werd, zou het bekendste en machtigste zijn. Doel van de CHE was en is om ondernemingsprincipes in de hogescholen ingang te doen vinden. Via de autoriteiten van het academische zelfbestuur, waarin alle belangrijke groepen  (bijv. hoogleraren, studenten en medewerkers) van de hoge scholen vertegenwoordigd zijn, moeten sterke voorzitters met verregaande handelingsbevoegdheden aangesteld worden. Door ondernemers en managers bezette hogeschool-raden moeten de invoering van de economisering opeisen en bewaken. De studenten worden als klanten gezien die dus een studietarief moeten betalen, net zoals in de Angelsaksische landen.[38]

 

Als denktank publiceert het CHE de ene na de andere studie, organiseert workshops en conferenties voor politici en directeuren van hoge scholen, die hen met zijn ideeën vertrouwt maakt. De hogeschoolwetten worden weliswaar nog altijd door de parlementen uitgevaardigd, maar de inhoud ervan komt vaak uit de koker van het CHE. Schoolvoorbeeld daarvan is de in 2007 in werking getreden hogeschool-vrijheidswet van de deelstaat Noordrijn-Westfalen. Deze is verregaand gebaseerd op een publicatie van de CHE uit 2005 met de titel “Tien CHE-eisen aan een hogeschool-vrijheidswet voor Noordrijn-Westfalen.”[39] Dat het academische zelfbestuur in de meeste deelstaten behoefte aan hervorming had, hoeven we helemaal niet te bestrijden. Vanuit het perspectief van de democratie is het echter problematisch dat de doorgevoerde veranderingen door een private stichting geïnitieerd en uiteindelijk naar haar ideeën omgezet zijn.

 

Terwijl stichtingen in het charitatieve domein, dat politiek deels al geprivatiseerd is, politieke taken direct onder eigen verantwoording en volgens eigen regels hebben overgenomen, ageren ze op andere politieke terreinen nog meer als lobbyisten, propagandisten en conditioneerders.[40] Ze proberen echter steeds sterker parlementen en regeringen te overtuigen hen ook op terreinen buiten de liefdadigheid een actieve rol te gunnen. Soms lukt hen dit zeer aardig. Het CHE wordt op grond van zijn rol als politieke actor al eens als heimelijk of informeel onderwijsministerie bestempeld.

 

 

Private internationale hoven van arbitrage

 

Een iets andere vorm van privatisering van de politiek zien we bij het beslechten van geschillen tussen investeerders en staten (Investor-State Dispute Settlement - ISDS) door private internationale hoven van arbitrage. Hierbij hebben private actors onder bepaalde voorwaarden een vetorecht tegen de overheidspolitiek gekregen.

 

Internationale hoven van arbitrage worden ingeroepen als investeerders in het buitenland hun winstmogelijkheden door nieuwe regeringen bedreigd zien. Te denken valt aan overheidsmaatregelen zoals het intrekken van licenties (bijv. voor de ontginning van bodemschatten), wetsveranderingen (bijv. ter bescherming van de bevolking tegen gezondheidsrisico’s), het terugdraaien van subsidies of belastingverlagingen.[41]/[42] Zo heeft de Aziatische dochter van tabaksconcern Philip Morris de regering van Australië aangeklaagd, omdat deze in 2011 had bepaald dat tabaksproducten alleen nog in bijna neutrale verpakking en met grote waarschuwingstekens voor de gezondheidsrisico’s van roken verkocht mochten worden.[43] Het Zweeds energiebedrijf Vattenfall verlangt van Duitsland in een in 2012 gestart proces dat vermoedelijk tot 2016 duurt ca. € 3,7 miljard schadevergoeding voor gederfde winst, omdat de Duitsers atoomenergie afbouwen.[44]

 

Grond voor zulke acties zijn regionale of bilaterale investeringsakkoorden, die het investeerders mogelijk maakt tegen politieke besluiten van regeringen, die hun verwachte winsten in gevaar brengen of hun eigendomsrechten inperken, op te treden. De meeste processen worden voor het hof van arbitrage van de Wereldbank behandeld. In de 1990er jaren waren er jaarlijks enkele eisen, maar tussen 2002 en 2010 waren dat er al 30-40. In 2012 hebben de investeerders met 58 eisen een nieuw record gevestigd.[45]

 

De vertienvoudiging van de eisen binnen 20 jaar ligt behalve aan het toenemend aantal investeringsakkoorden aan economische prikkels voor de betrokken juristen. De rechters zijn kleine zelfstandigen die door de strijdende partijen aangezocht en betaald worden. Gemiddeld kost een rechtszaak $ 8 miljoen en meestal moeten beide partijen, ongeacht de uitkomst, hun proceskosten zelf betalen. Internationaal opererende advocatenkantoren ontvangen het leeuwendeel, de rechter de rest. Hoe meer processen, hoe meer de betrokken juristen verdienen. Hoe meer processen tegen staten met succes gevoerd worden, hoe meer de advocatenkantoren investeerders die zich benadeeld voelen, aanmoedigen om een klacht in te dienen. ”In een asymmetrisch rechtssysteem waarin alleen de investeerder kan klagen, is de prikkel sterk om een voor klagers gunstig systeem te hanteren door investeerdersvriendelijke uitspraken en wetsinterpretaties.”, constateert Pia Eberhardt van de in Nederland gevestigde non-profitorganisatie Corporate Europe Observarory. In ongeveer 30% van de gevallen boeken de investeerders succes, in een andere 30% van de gevallen komt het tot een minnelijke schikking waarbij de regeringen hun maatregelen of terugdraaien of geld uitbetalen.[46]

 

Vaak hoeft het echter niet eens tot een aanklacht komen om parlementen en regeringen  ervan te weerhouden wetten te maken die de winsten van investeerders in gevaar brengen. Alleen de dreiging dat men voor het gerecht de nieuwe regels moet verdedigen, leidt ertoe dat wetten versoepeld of in de ijskast gezet worden.[47] Met zo’n regulatory chill, zag Canada zich ook geconfronteerd toen het in 1994 samen met Mexico en de VS de Noord-Amerikaanse Vrijhandelszone (NAFTA)opgericht had. Het verdrag voorziet ook in een private geschillenbemiddeling naar het boven beschreven model. Op bijna elke geplande Canadese maatregel ter bescherming van het milieu volgde een brief van advocatenkantoren waarin VS-firma’s dreigen met een aanklacht wegens verloren winsten. De meeste initiatieven werden toen door de Canadese regering gestopt of sterk verwaterd. De publicist William Greider (VS) is ervan overtuigd dat de dreiging met aanklachten het eigenlijke wapen van de buitenlandse concerns ter kalmering van de regelgevers is. Want bij de arbitrage loopt men het gevaar in de media als winsthongerige of milieuvijandige buitenlandse multinational over te komen, waarmee de goede betrekkingen met de regering en de reputatie bij de klanten in het gastland beschadigd kunnen worden.[48]

 

Zoals in alle andere tot dusver besproken gevallen van privatisering van de politiek begint ook deze constructie met een “toestemming” van regering en parlementen. De hoven van arbitrage kunnen immers pas na inwerkingtreding van overeenkomstige regionale of bilaterale investeringsakkoorden actief worden. Hun handelen is gebaseerd op de clausules die buitenlandse investeerders bescherming bieden tegen overheidsmaatregelen die hun winsten en eigendomsrechten in gevaar brengen. Daarmee vervullen de investeringsakkoorden echter nog een functie: door de klachtenprocedure en de regulatory chill schermen ze buitenlands kapitaal en haar winst verregaand tegen binnenlandse maatregelen af, ook wanneer deze, zoals bij de tabaksconsumptie, om gezondheidspolitieke redenen beslist goed onderbouwd kunnen zijn. Dat buitenlandse investeerders er beter voorstaan dan binnenlandse, die zich niet tot een internationaal gerechtshof kunnen wenden, verklaart ook waarom lobbyisten van de concerns er bij de regeringen op aandringen om dit soort beschermingsclausules in investeringsakkoorden op te nemen: hoe meer van zulke akkoorden gesloten worden, hoe beter buitenlands kapitaal en winst van multinationals beschermd zijn. Dat werpt ook de vraag op, waarom nationale regeringen de belangen van multinationals beter behartigen dan die van ambachtelijke bedrijven of kleine middenstanders die overwegend op de binnenlandse markt opereren. Als we het afsluiten van investeringsakkoorden met beschermingsclausules voor grote concerns begrijpen als privatisering van de politiek, die een (post-)democratie in een plutocratie verandert, hebben we het meest plausibele antwoord gevonden.

 

 

Maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven

 

De oudste vorm van privatisering van de politiek is het dragen van maatschappelijke verantwoording door bedrijven. Lang voordat monarchen of regeringen er de 19e eeuw aan dachten wetten ter verbetering van de levensomstandigheden uit te vaardigen, werden ondernemers van verschillende kanten opgeroepen hun winsten niet alleen voor zichzelf te houden of enkel voor hun eigen arbeiders woningen te bouwen of hogere lonen te betalen. Nee ze moesten met hun winsten ook voor anderen iets goeds doen, dat wil zeggen ze moesten maatschappelijke verantwoording dragen.[49]

 

Wat er op het eerste gezicht uitziet als een verstandige en vanzelfsprekende oproep, ontpopt zich bij nader inzien als een nauwelijks te ontwarren gordiaanse knoop. Want op de kernvraag: “Voor wie en voor wat moet een bedrijf verantwoording dragen?” bestaat geen bevredigend antwoord. Het voor de hand liggende antwoord “voor de maatschappij” lost het probleem niet op. De belangen van de leden van de maatschappij zijn zo heterogeen dat een bedrijf ze vrijwel geen recht kan doen. Ziet men af van winst om meer dan de wetten voorschrijven de druk op het milieu te verlichten of de arbeidsvoorwaarden te verbeteren? Moeten uit de winsten soms scholen, universiteiten, religieuze gemeenschappen, ziekenhuizen, politie of brandweer ondersteund worden? Bijna iedere maatschappelijke groepering heeft goede argumenten om juist hun wensen te laten financieren. Bovendien verstaat iedereen wat anders onder maatschappelijke verantwoording, hetgeen bedrijven snel in moeilijkheden kan brengen.

 

Klassiek zijn de conflicten tussen religieuze groeperingen en organisaties over de gelijkstelling van homoseksuelen of vrouwen in de VS. Slechts één voorbeeld: Nadat de Wal-Mart in de VS was toegetreden tot de Kamer van Koophandel van homo’s en lesbiennes, riep de American Family Association op tot een boycot van Wal-Mart. Het bedrijf weerstond deze druk, maar toen religieuze groeperingen de oproep ondersteunen en Wal-Mart nog onder extra druk zetten de zgn. “morning-afterpil” niet meer te verkopen, bond Wal-Mart in. Vervolgens eisten vrouwenrechten-groepen dat de “morning-afterpil” weer verkocht moest worden, wat Wal-Mart weliswaar deed, maar wel iedere apotheker toeliet om uit persoonlijke motieven een recept niet te leveren.[50] Daarmee kwam het bedrijf, tussen twee vuren te liggen, want het kon geen der eisen volledig inwilligen.

 

Niet in de laatste plaats vanuit zulke overwegingen stelde Milton Friedman al in het begin der 1970er jaren dat de sociale verantwoordelijkheid alleen inhoudt bij naleving van de wetten een zo hoog mogelijke winst te bereiken.[51] Volgens hem moet de maatschappij wettelijk regelen wat maatschappelijke verantwoording concreet betekent door bijv. de omvang van maatregelen ter bescherming van het milieu of de werknemers tegen bedrijfsongevallen precies vast te leggen. Dat zou voor de bedrijven de pragmatische oplossing zijn, omdat daardoor de concurrentie van de maatschappelijke groepen bij schenkingen, donaties of goed gedrag wordt beteugeld. Maar Friedman voert ook grondwettelijke overwegingen ter ondersteuning van zijn positie aan: “Wij hebben een evenwichtig systeem dat de functie van de wetgever om belastingen te heffen en over de uitgaven te beslissen van de functie van de uitvoerende macht om de belastingen te innen en het bestedingsprogramma uit te voeren scheidt”. Zij zijn beide gescheiden van de rechtsprekende functie, die ”geschillen beslecht en de wet te interpreteert.” Als een bedrijf de verantwoordelijkheid overneemt, is de manager echter “tegelijkertijd wetgever, bestuurder en rechter. Hij beslist hoe zwaar en met welk doel hij iemand wil belasten en hij is het die winsten uitgeeft.”[52] Dit houdt Friedman voor onacceptabel.

 

Maar dit standpunt van de grote theoreticus van het vrije ondernemerschap viel bij zijn eigen clientèle niet in goede aarde. Want bedrijven scheppen in de openbaarheid graag op over het dragen van maatschappelijke verantwoordelijkheid. Tegenwoordig is er nauwelijks nog een groot bedrijf dat niet beweert vrijwillig mooie dingen voor de maatschappij te doen. Zelfs prijsbrekers die hun goedkope artikelen in ontwikkelingslanden vaak onder mensonwaardige omstandigheden laten produceren, verkondigen op hun websites met hoeveel verantwoordingsbesef ze vrijwillig met hun medewerkers, leveranciers, klanten en het milieu omgaan. Wanneer echter onderzoeksjournalisten of NGO’s preciezer toekijken, blijken vele beweringen mooipraterij te zijn. Bovendien zou het volgen van Friedman betekenen dat geld louter voor zuivere bedrijfsmatige doelen wordt ingezet. Bedrijven zouden met hun winsten geen lobbyisten meer mogen financieren of schenkingen aan politici of partijen mogen doen.

 

Voor iedere democratie zou het een zegen zijn, als de managers en eigenaren alleen nog zouden proberen door goede bedrijfsvoering winsten te behalen. Omdat echter door de beïnvloeding van regeringen en parlementen de economische macht nog verder toeneemt en door de privatisering van de politiek de eigen ideeën direct kunnen worden omgezet, hebben bedrijven geen redenen om de voorstellen van Friedman te volgen. Ook het probleem van de tegenstrijdige eisen van maatschappelijke groeperingen hebben ze elegant opgelost. Ze volgen gewoon een richtlijn die door derden in samenspraak met regeringen, vakbonden, economische unies en NGO’s worden opgesteld. Daaronder vallen bijvoorbeeld de richtlijnen van de OECD voor multinationals, het Global Compact van de VN en een groot aantal branche-specifieke gedragscodes. Deze richtlijnen zijn hard genoeg geformuleerd om in de brede openbaarheid de indruk te wekken dat bedrijven maatschappelijke verantwoordelijkheid dragen, maar zacht genoeg om hen een grote handelingsruimte te laten. Daarmee bedrijven ze als private spelers echter ook politiek, waaraan zich zelfs een overtuigde neoliberaal als Milton Friedman heeft gestoord.

 

 

Slotsom

 

Zoals dit hoofdstuk aantoont, neemt de privatisering in de westelijke maatschappijen langzaam, maar zeker, toe. De democratie verliest daarmee geleidelijk haar wezenlijke eigenschappen om een regering door het volk te zijn. Democratisch gelegitimeerde plutocratieën nemen de plaats in van democratieën.

 

Behalve dat de burgers dan nauwelijks nog medebeslissingsrecht in hun gemeenschap zullen hebben, hoeft dit niet alleen maar negatief te zijn. Als de plutocratieën eenmaal in het zadel zitten kan zich een filantropisch kapitalisme ontwikkelen dat alle burgers ten goede komt. Als tegenprestatie voor de overdracht  van de regeringsmacht aan de plutocraten kan dan een onvoorwaardelijk basisinkomen voor een ieder ingevoerd worden. Daarvoor moeten de kapitalisten slechts gaan beseffen dat zij zich door de genereuze inzet van hun beloningsmacht van de binnenlandse vrede en de loyaliteit van de overheersten verzekeren.

 

Of het ooit zover zal komen, is meer dan twijfelachtig. Want tot nu toe hanteert het kapitaal altijd nog de strategie van het verder uitbouwen van zijn economische macht om die om te zetten in politieke macht, ook omdat het kapitaal voor een onvoorwaardelijk basisinkomen een aanzienlijk deel van zijn winsten moet afstaan. Daarom luidt de vraag: hoe kan men de voltooiing van de machtsovername en het ontstaan van een plutocratie nog verhinderen? Welke stappen dat zou eisen, is het thema van het volgende hoofdstuk.

 

 

Noten


[1] Noot v.d. vertaler: “Postdemocratie wil zeggen dat er op de democratie een na-democratische fase volgt, net zoals er op de moderne tijd een postmoderne tijd is gevolgd. Kenmerk van zulke postfasen is het tegelijk bestaan van oude en nieuwe invloeden. Het oude is nog herkenbaar en de nieuwe fase  heeft zich echter nog niet zo ver ontwikkeld dat het al duidelijk is hoe de nieuwe er zal uitzien. [….] In deze zin gebruikt de politicoloog Colin Crouch (Postdemocracy, 2004) het begrip postdemocratie om zijn stelling te onderbouwen, dat de westerse maatschappijen zich steeds verder van het idee en de geleefde praxis van de democratie verwijderen.” [Harold Trabold, Kapital Macht Politik, p. 38]

 

[2] Kevin Philips, Wealth and Democracy: A Political History of the American Rich, 2002; Francis Fukuyama, ‘Left out: How do we explain the puzzling weakness of liberal populism?’, 2011; Chrystia Freeland, Plutocrats: The Rise of the New Global Super-Rich and the Fall of Everyone Else, 2012

 

[3] Manfred Gärtner e.a., Die Macht der Meinungsmacher: Ratingagenturen und staatliche Verschuldungsdynamiken. In: Wirtschaftsdienst, Band. 92, Heft 4,  2012, p. 251

 

[4] Nouriel Roubini & Stephen Mihm, Das Ende der Weltwirtschaft und ihre Zukunft, 2010, p. 263 e.v.; Werner Rügemer, Der Rating-Komplex: Wie Kapital- und Staatsmacht den Markt manipulieren. In: Blätter für deutsche und internationale Politik, Heft 4, 2012, p. 72

 

[5] Roubini & Mihm, 2010, p. 265

 

[6] Rügemer, 2012, p. 75

 

[7] ‘Tietmeyer: Finanzmärkte kontrollieren die Politik, Frankfurter Algemeine Zeitung, febr. 1996

 

[8] Gärtner e.a., 2012, p. 252

 

[9] Principieel is het weliswaar mogelijk om voor rentebetalingen nieuwe kredieten op te nemen. Maar dat kan niet in het oneindige verder gaan ,omdat daarmee rentebelasting steeds verder stijgt. Vroeg of laat zullen de investeerders niet meer bereid zijn een land krediet te geven, enkel  opdat het de uitstaande rentebetalingen kan voldoen.

 

[10] Hans-Werner Sinn, Kasinokapitalismus, 2009, p. 145

 

[11] Zie voor details Rügemer, 2012

 

[12] Sinn, 2009, pp. 144-47

 

[13] Rügemer, 2012, p. 78

 

[14] Dietmar Palan, ‘Moody’s en S&P bieten Brussel neue Angriffsflächen , Manager Magazin Online, 17.08.2011

 

[15] Gärtner e.a., 2012, p. 254

 

[16] Rügemer, 2012, p. 79

 

[17] Andreas Fuchs & Kai Gehring, ‘The Home Bias in Sovereign Ratings’ (Diskussionspapier 552, Fak. Wirtschafts- u. Sozialwissenschaften, Universiteit Heidelberg), 2013

 

[18] Rügemer, 2012, p. 80

 

[19] Er bestaat nog geen erkende of algemeen gebruikelijke term voor regulary capture in het Duits.

 

[20] Zie hiervoor ook Frédéric Böhm, ‘Regulatory Capture Revisited: Lessons from Economics of Corruption’, juli 2007 en George Stigler, ‘The Theory of Economic Regulation  in: Bell Journal of Economics and Management Science, Band 2, Heft 1, 1971, pp. 3-21

 

[21] John Abraham, The Pharmaceutical Industry as a Political Player’ in: The Lancet, dl. 360, 09.11. 2002, p. 1499 [zoeken en registeren of inloggen op de site]

 

[22] Rudolf Strahm, ‘Die Bankenmacht im Schweizer Staatin: Das Magazin 13, 2009, p. 16

 

[23] Zie voor details Schweizerische Nationalbank, 2008 en UBS, 2008

 

[24] Strahm, 2009, p. 16

 

[25] Martin Hellwig, Capital Regulation after the Crisis: Business as Usual?’ in: Reprints of the Max Planck Institute for Research on Collective Goods , 2010/31, p. 5

 

[26] Hellwig, 2010, p. 6

 

[27] Alle informatie in deze alinea komt van Abraham, 2002 (Zie noot 21). Zie voor het Amerikaanse systeem ook Marcia Angel, The Truth About the Drug Companies: How They Deceive Us and what to Do About It, 2005, hoofdstuk 11.

 

[28] Christina Berndt, ‘Ständige Impfkommission: Experten mit den falschen Freunden in: Süddeutsche Zeitung, 17.05.2010

 

[29] Levi-Faur, The Global Diffusion of Regulatory Capitalismin: the Annals of the American Academy, pp. 12-32, maart 2005

 

[30] Vergelijk daartoe Ernesto Dal , Regulatory Capture: A Review’ in: Oxford Review of Economic Policy, dl. 22, nr. 2 (pp. 203-25), 2006, pp. 215-19

 

[31] Thomas Schuler, Bertelsmannrepublik Deutschland. Eine Stiftung macht Politik, 2010, p. 34 e.v.

 

[32] Vergelijk voor Duitse stichtingen uitvoerig Matthias Müller, ‘Die Besteuerung  von Stiftungen  im nationalen und grenzüberschreidende Sachverhalt in: Beiträge zum transnationalen Wirtschaftsrecht, nr. 113, 2011b

 

[33] Deze info werd (op 23.09.2013) op de website v.d. Bill & Melinda Gates Foundation gevonden.

 

[34] Zie ook Hannah Wilhelm, ‘Spende von Hasso Plattner: Falsche Grossherzigkeit in: Süddeutsche Zeitung, 22.02.2013

 

[35] Sebastian Fischer, ‘The Giving Pledge: Der Club der Super-Spender’ in: Der Spiegel, 21.12.2013

 

[36] Arundhati Roy, ‘Kapitalismus: Eine Gespenstergeschichte, dl.2: Der Imperialismus der Wohltäter’  in: Blätter für deutsche und internationale Politik, nr. 8 (pp. 63-74) 2012, p. 68 e.v.

 

[37] Alle info op deze alinea is afkomstig van Jane Mayer, ‘Covert Operations. The billionaire brothers who are waging a war against Obama’ in: The New Yorker, 30.08.2010. Het citaat luidt in het origineel: “The Kochs are on the whole on a different level. There is no else who has spent this much money. [The sheer dimension of it is what sets them apart]. They have a pattern of lawbreaking, political manipulation and obfuscation.”

 

[38] Thomas Schuler, Bertelsmannrepublik Deutschland. Eine Stiftung macht Politik (H. 6), 2010

 

[39] Zie ook Wolfgang Lieb, ‘Die Auslieferung der Universitäten an die Wirtschaft’ in: Albrecht Müller, Meinungsmache: Wie die Wirtschaft, Politik und Medien uns das Denken abgewöhnen wollen (pp. 219-48), 2009, p. 239 e.v.

 

[40] Noot v.d. vertaler: In de hoofdstukken 8, 9 en 10 bespreekt Trabold respectievelijk deze fenomenen als belangrijke “strategieën van de machtsovername” uitgebreid. Met conditionering bedoelt hij dat kapitalisten proberen opvoedingsinstanties ertoe te brengen om gedragswijzen te verinnerlijken die gunstig zijn voor het kapitalistisch stelsel. “Zo geconditioneerde individuen accepteren autoriteiten kritiekloos, voegen zich naar leiders, nemen ongelijkheid voor lief en gedragen zich – als de situatie daarom vraagt – afwisselend concurrerend en coöperatief.” [Trabold, Kapital Macht Politik, p 304]

 

[41] Noot v.d. vertaler: Trabold bedoelt hier natuurlijk niet het terugdraaien van “belastingverhoging”, zoals er staat!

 

[42] UNCTAD, Recent Developments in Investor-State Dispute Settlement’, mei 2013, p. 3

 

[43] Deborah Gleeson e.a., Challenge to Australia’s national health policy from trade and investment agreements’ in: The Medical Journal of Australia, 196/5 (pp. 354-56), 2012 [toegang via registeren of inloggen op de site]

 

[44] Jacob Schlandt, ‘Vattenfall – 15 Juristen gegen die Democratie in: Frankfurter Rundschau, 23.03.2013

 

[45] UNCTAD, ‘Recent Developments in Investor-State Dispute Settlement’, mei 2013, p. 2 [Leestip v.d. vertaler: Niels Waarlo, 'Energiebedrijven claimen miljoenen schade via Nederlandse brievenbusfirma's', de Volkskrant, 13.06.2018]

 

[46] Alle info in deze alinea en dit citaat komen uit Pia Eberhardt, Konzerne versus Staaten; Mit Schiedsgerichten gegen Democratie in : Blätter für deutsche und internationale Politik, nr. 4 (pp. 29-33), 2013, p. 30

 

[47] Kyla Tienhaara, Regulatory Chill and the Thread of Arbitration: a View  from Political Sciencein: Chester Brown & Kate Miles (red.), Evolution in Investment Treaty Law and Arbitration, 2011 (online gevonden op 10.04.2014)

 

[48] William Greider, The Right and US Trade Law: Invalidating the 20th Century. How the right is using trade law to overturn American democracyin: The Nation, 15.10.2001

 

[49] Zie Archie Carroll e.a., Corporate Responsability. The American Experience, 2012, H. 1 en 2

 

[50] Robert Reich, Supercapitalism: The Transformation of Business, democrcy and Everyday Life, 2007, p. 182

 

[51] Milton Friedman, ‘Die Soziale Verantwortung der Geschäftswelt in: Günter Schmölers e.a. (red.), Der Unternehmer im Ansehen der Welt (pp. 198-206), 1971, pp. 199 en 206

 

[52] Idem, p. 201