ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > Kapitalisme en Democratie
  Mei 2018 [16]



KAPITALISTISCHE DEMOCRATIE: EEN PRECAIRE SYMBIOSE

 

Door Fritz W. Scharpf

 

 

Dit is een vertaling (d. Ronald de Vries) van ‘Kapitalistische Demokratie: Eine Prekäre Simbiose’ in: Fritz W. Scharpf, Regieren in Europa: Effektiv und demokratisch?, 1999, pp. 36-39 (H. 1.3.1: ‘Nationale Demokratie im internationalen Kapitalismus’)

 

 

De democratische staat en de kapitalistische economie co-existeren in een symbiotische afhankelijkheid. Enerzijds hangen productiviteit en winstgevendheid van de geavanceerde kapitalistische nationale economieën niet alleen af van de instelling en de bescherming van eigendomsrechten en verdragsverplichtingen door het rechtssysteem van de staat, maar ook van de kwaliteit van de openbare infrastructuur, van het onderwijsstelsel, het zuiver wetenschappelijk onderwijs en een groot aantal andere openbare diensten. Omgekeerd is de democratische staat op het productievermogen van zijn nationale economie aangewezen welke direct de kansen op inkomen en werk van haar burgers en kiezers bepaalt en waarvan de belastinginkomsten afhangen waaruit de publieke diensten en de sociale voorzieningen betaald worden. Tegelijkertijd is deze symbiotische relatie echter getekend door grote spanningen: de staatssoevereiniteit is territoriaal beperkt, terwijl de kapitalistische economie naar wereldwijde interactie neigt. De logica van de kapitalistische accumulatie en de concurrentie op de markt dwingt de ondernemingen ertoe alle productiefactoren, zowel de natuurlijke als de menselijke, uit te buiten en de sociale en milieukosten van deze uitbuiting af te wentelen op anderen. Bovendien produceert de kapitalistische economie niet alleen materieel welzijn voor consumenten, arbeidsplaatsen voor werknemers, en belastinginkomsten voor de staat, maar ook een sterke ongelijke inkomensverdeling, regionale en sectorale winnaars en verliezers alsmede cyclische en structurele crises die massawerkloosheid en massa-armoede tot gevolg hebben. De democratische staat daarentegen dankt haar legitimatie aan de verplichting om voor algemeen welzijn en een eerlijke verdeling daarvan te zorgen en het verkiezingsmechanisme dwingt de regeringen om hun beleid op het belang van de grote meerderheid af te stemmen. Ze staan daarom onder politieke druk om hun kiezers tegen de negatieve gevolgen van de structuurverandering te beschermen, massawerkloosheid te verhinderen, arbeidsmarkten en productieprocessen in het belang van de betrokken werknemers te reguleren en een normatief verdedigbare inkomstenverdeling tot stand te brengen.

 

Wanneer ze hun politieke logica volgen zullen democratische regeringen dus de, aan het dynamische kapitalisme eigen, ‘creatieve vernietiging’ verhinderen en de inkomenskloof tussen winnen en verliezen op de markt willen verkleinen. Daarbij stoten ze echter op een fundamenteel informeel en een fundamenteel structureel probleem. Wat het eerste betreft, wordt de ineenstorting van het communisme ook als bevestiging gezien van de these van Hayek, dat regeringen nooit in de positie waren om de vraag van meerdere of om niet te zeggen meerdere honderden miljoenen consumenten naar miljoenen producten die door honderdduizenden bedrijven geproduceerd worden, die duizenden soorten hulpbronnen gebruiken effectief te coördineren. De efficiëntie van de kapitalistische economie  berust daarentegen juist op het vermogen van op winstgerichte investeerders en concurrerende ondernemers om lokale informatie over de consumentenvraag en productiemogelijkheden te benutten. Deze gegevens kunnen niet gecentraliseerd worden of zouden, in zoverre de centralisering toch lukt, iedere denkbare capaciteit van het centrum om informatie te verwerken te boven gaan. Telkens als de staat in de economie ingrijpt, leidt dat tot vermindering van de immanente voordelen van decentrale verwerking van informatie of tot volledige uitschakeling van deze verwerking. Uiteindelijk zou daardoor ook de dynamiek van de kapitalistische economie verlamd worden (Friedrich A. Hayek, The Road to Serfdom, 1944; Manfred Streit, Cognition, Competition and Catallaxy, 1993). Bovendien kan de interventie door de staat, als ze überhaupt als politieke optie toegestaan wordt, ook aan goed georganiseerde en geïnformeerde belangengroepen binnen de economie dienstbaar gemaakt worden. Al bij al dient de markt-corrigerende interventie – waarvoor er onder voorwaarden van ‘marktfalen’ wellicht goede welvaartstheoretische gronden zouden zijn -  dan niet het publiek belang, maar slechts de rente-belangen van verdelingscoalities (Mancur Olson, The Rise and Decline of Nations: Economic Growth, Stagflation and Social Rigidities, 1982)

 

Het tweede probleem bij politieke interventie kan je verklaren uit een structurele asymetrie: het politiek belang richt zich op de output-kant van het economische proces, op de producten die het welzijn vermeerderen, op de mogelijkheden van werkgelegenheid en op de met productieprocessen verbonden externe effecten. Daarentegen wordt de kapitalistische economie vanuit de kapitaal-input gecontroleerd: kapitaaleigenaars moeten gemotiveerd worden in productiecapaciteiten te investeren die samen met de nodige input aan arbeidsprestaties uiteindelijk leiden tot producten die op de markt verkocht kunnen worden. Terwijl echter de investeringsbeslissingen, die de economische ontwikkeling bepalen, door de verwachting van toekomstige winst worden gemotiveerd, worden de rendementen van deze kapitaalsinvesteringen in het algemeen door interventies van de staat ( en door de onderhandelingsresultaten van sterke vakbonden) verminderd.

 

Op het eerste gezicht kan dit als symmetrische toestand van de wederzijdse afhankelijkheid zichtbaar worden: Kapitaalbezitters moeten investeren en arbeidsplaatsen scheppen als ze winst willen maken, terwijl vakbonden en regeringen het tot stand brengen van winsten moeten toestaan als van ze werkgelegenheid, van arbeidslonen en van belastinginkomsten willen profiteren. Maar deze symmetrie is bedrieglijk: Terwijl regeringen en werknemers inderdaad zonder alternatieven zitten, hebben de kapitaalbezitters reële keuzemogelijkheden. Vinden ze het niet aantrekkelijk om investeringen te doen die arbeidsplaatsen opleveren dan kunnen ze in plaats daarvan besluiten tot voor speculatieve of rente opbrengende  beleggingen; ze kunnen goud en andere waardevaste vermogensobjecten kopen of ze kunnen uiteindelijk hun spaargeld simpel uitgeven in plaats van te investeren. Met andere woorden: in een kapitalistische economie hebben noch de staat noch de vakbonden de macht om de te verwachten rendementen van investeringen in productievermogen onder het niveau, vanuit de optiek van de kapitaalbezitter, van de eerste de beste investeringsmogelijkheid te drukken [1] . En zij hebben nooit de macht om de rendementen onder de nul te laten zakken als de productie en werkgelegenheid behouden moeten blijven. Omdat bovendien vanuit de optiek van de investeerder het cumulatieve effect uit belastingen, wettelijke voorschriften en collectieve arbeidsovereenkomsten de winst beïnvloedt, moeten alle betrokken politieke spelers - lokale, regionale en nationale overheden met hun functionele afdelingen alsmede de vakbonden – zeer voorzichtig opereren tegenover de economie om de investeringen, waarvan alles afhangt, niet in gevaar te brengen.


 

 

In de politiek-economische literatuur van de 70-er jaren worden deze spanningen in de status van zelfvernietigende “tegenspraken” van de kapitalistische democratie opgeheven. Linkse theoretici van het “laatkapitalisme” profeteerden een onvermijdelijke “legitimatiecrisis”, omdat het democratisch gefundeerde staatsgeweld voor de vervulling van steeds veeleisender functioneringsvoorwaarden van de kapitalistische economie als middel ingezet werd en daarbij de belangen van de kapitaalbezitters moest respecteren die vanuit het criterium van het “vermogen tot veralgemeniseren” niet normatief te funderen waren (Claus Offe, Strukturprobleme des kapitalistischen Staates, 1972 & Contradictions of the Welfare State, 1984; Jürgen Habermas, Legitimationsprobleme im Spätkapitalismus, 1973 & Legimation Crisis 1976). Daartegenover voorspelden conservatieve theoretici de “onregeerbaarheid” van een escalatie van politieke eisen in op concurrentie georiënteerde massademocratieën, welke de regeringen zouden dwingen de belastingen en de wettelijke bijdragen zodanig te verhogen dat die uiteindelijk het vermogen van kapitalistische economieën om te kunnen functioneren wel moest verstoren (Michel J. Crozier e.a., The Crisis of Democracy, 1975; Wilhelm Hennis e.a. Regierbarkeit: Studien zu ihrer Problematisierung, 1977-1979). Vanuit beide standpunten kon daarom de precaire symbiose van de democratische staat met de kapitalistische economie niet duurzaam bestaan.

 

Gezien deze profetieën van de onvermijdelijke ineenstorting moeten we ons wel in herinnering brengen dat de kapitalistische democratieën tijdens de “trente glorieuses” [1945-1975] na WOII feitelijk zeer goed gefunctioneerd hebben. Het lukte hun min of meer het kapitalistische potentieel voor technische vooruitgang en dynamische groei te benutten; ze leerden om de cycli van hoogconjunctuur en recessie af te zwakken en massawerkloosheid te vermijden; zij waren in staat de kapitalistische uitbuiting van menselijke en natuurlijke hulpbronnen te beperken via regulering; ze ontwikkelden sociale correctiemechanismen voor de ongelijke verdeling waartoe de markt neigt – en zij bereikten dit allemaal zonder zich op Hayeks “Weg in die Knechtschaf te begeven. Nog belangrijker is echter het inzicht dat deze “democratische civilisatie” van het dynamische kapitalisme onder buitengewone en wellicht zelfs historisch unieke voorwaarden in de verhouding tussen Staat en economie tot stand werd gebracht.



[1] Vanuit links perspectief moet dus de sterke stijging van de staatsschuld sinds de 1970er jaren als een herverdelingspolitieke ramp lijken: daarmee kregen kapitaalbezitters volledig zekere en rendabele alternatieven voor reële investeringen in arbeidsplaatsen in de schoot geworpen en een steeds groter deel van de belastingopbrengst (die inderdaad in toenemende mate door de werknemers betaald wordt) moeten nu voor de schuldverlichting van de kapitaalbezitters aangewend worden. Onder invloed van de keynesiaanse economie hebben linkse partijen en vakbonden deze gevolgen voor de herverdeling voor het deficit spending [overbesteding door de overheid] duidelijk vergeten.