ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > Kapitalisme en Democratie
  Mei 2018 [16]



JÜRGEN KOCKA, CAPITALISM.
A SHORT HISTORY (Princeton en Oxford, 2018/2016)

 

Recensie door Roger Jacobs, redacteur van ATHENE

 

De auteur heeft gebruik gemaakt van de Engelse vertaling van de originele Duitstalige versie: Geschichte des Kapitalismus (München, 2014)

 

 

 

Met dit bescheiden boekje (net geen 200 bladzijden, voetnoten en bibliografie inbegrepen) schetst de Duitse sociale historicus Jürgen Kocka (geb. 1941, prof. a.d. Freie Universität Berlin) een algemeen beeld van de aard, de ontwikkeling en het pluriforme karakter van het economische systeem dat sinds de 19de eeuw omschreven wordt als ‘kapitalistisch’. Dit begrip ‘kapitalisme’ is recenter in de tijd dan de verwante aanduidingen ‘kapitaal’ en ‘kapitalist’ die reeds een eeuw vroeger gangbaar waren. Het laattijdige gebruik valt waarschijnlijk te verklaren doordat het begrip niet enkel een analytische functie had – de omschrijving van een specifieke vorm van economisch functioneren - maar ook kritische associaties opriep. Dat had dan weer te maken met het feit dat het een element van vergelijking bevatte: het prille ‘kapitalisme’ werd dan gecontrasteerd met ofwel een min of meer geïdealiseerd verleden (overwegend vanwege conservatieve critici) ofwel met de mogelijkheid van een betere toekomst (vanwege de opkomende socialistische beweging). Sindsdien bleef die dubbele functie van het begrip intact: dat verklaart ook waarom in periodes (denk aan de twee decennia na de Val van de Muur) of in regio’s (Angelsaksische wereld) waar het kapitalisme als het enig mogelijk economisch systeem wordt beschouwd liever gesproken wordt van een ‘vrije markt’–economie.

Kocka’s meesterlijk overzicht kan fungeren als een handzaam kompas dat ons een eerste kennismaking biedt met het kapitalisme en ons tegelijk veilig rondleidt door de rimboe van studies en beschrijvingen van het kapitalistische functioneren in theorie en praktijk [zie ook Kocka’s bibliografie: pp. 181-196]. Het nadeel van die compactheid is wel een hoge abstractiegraad waardoor je soms het onaangename gevoel krijgt een academische cursus in handen te hebben: de lectuur ervan wordt dan een klus die een hoge dosis doorzettingsvermogen vereist. Dat contrasteert bijvoorbeeld met een ander recent verschenen boek over het kapitalisme: Sven Beckerts kanjer Katoen. De opkomst van de moderne wereldeconomie (2016). Beckert is trouwens een Amerikaanse collega van Kocka naar wie hij verwijst in de voetnoten [Kocka, p. 175]. Het is een boek over de opgang en ondergang van het katoenimperium dat een centrale rol speelde in het ontstaan van het kapitalisme (en daarmee ook van de moderne wereld). Hier krijg je een concreet zicht op de geschiedenis van het kapitalisme-in-actie en dat binnen een wereldomvattend kader. De diepgaande en snelle verandering van de wereld wordt teweeggebracht door voortdurend nieuwe manieren om productie, handel en consumptie te organiseren. Dat gebeurde met behulp van slavernij, onteigening van inheemse volkeren, imperiale expansie, gewapende handel, enzovoort. Een tragische geschiedenis die tot het einde blijft boeien maar waarvoor Beckert wel 550 pagina’s (met daarenboven nog eens 200 bladzijden voetnoten en literatuur) nodig heeft.

 

 

Wanneer kan men spreken van kapitalisme?

Een inhoudelijk meer relevante bemerking echter betreft de werkdefinitie van het kapitalisme die Kocka hanteert [Kocka, p. 21]. Daarmee bekent hij kleur in het reeds decennia lang durende debat over het ontstaan van het kapitalisme. Volgens deze definitie wordt het kapitalisme eerst en vooral gekenmerkt door ‘decentralisatie’. Individuele en collectieve actoren moeten rechten (denk aan eigendomsrechten) hebben om autonoom economische beslissingen te kunnen nemen. Vervolgens is er sprake van een radicale ‘commodificatie’ (verwording tot handelswaar): het zijn de uiteenlopende markten van arbeid, geld, grond en goederen die fungeren als de voornaamste allocatie- en coördinatiemechanismen. En tenslotte is er sprake van accumulatie: de ter beschikking staande geldmiddelen (spaargeld, niet-geconsumeerde winsten, kredieten) worden steeds opnieuw geïnvesteerd met het oog op toekomstige winsten. Dit impliceert ook dat verandering, groei en expansie de constanten zijn van het systeem.

Kocka geeft ook aan welke auteurs hem tot deze definitie geïnspireerd hebben: met name het trio Karl Marx – Max Weber – Joseph Schumpeter en secundair het quartet John M. Keynes – Karl Polanyi – Fernand Braudel – Immanuel Wallerstein & Giovanni Arrighi. Mijn inschatting van Kocka’s ideologisch kleurenspectrum: ietjes linkser dan centrum links …. Hou er rekening mee dat men binnen dit ideologische spectrum nogal wat kanten op kan: sla er de sympathieke standaardwerken van Robert Heilbroner [De filosofen van het dagelijks brood, 1955 en talrijke herdrukken] en van Jerry Muller [The Mind and the Market. Capitalism in Western Thought, 2002] maar op na.

Om te spreken van een volgroeid kapitalisme moeten boven genoemde constanten dominant worden in de economische sfeer van de maatschappij én bovendien ook hun stempel gaan drukken op andere, niet-economische sferen. Met dien verstande dat Kocka de gehanteerde definitie van het kapitalisme als een ideaaltype omschrijft: een model dat bruikbaar is maar nooit volledig samenvalt met een welbepaalde historische realiteit. Ze kan die realiteit op een zekere manier en in zekere mate dekken maar nooit volledig en permanent …

Uitgaande van zijn werkdefinitie meent Kocka dat er reeds kapitalistische praktijken terug te vinden zijn in de Arabische wereld die ontstond in het kielzog van de verspreiding van de Islam (7de tot de 11de eeuw) en later onder de Chinese Sung-dynastie (10de tot de 14de eeuw). Het ging om een handelskapitalisme (ter land en ter zee) gebaseerd op het principe van ‘goedkoop opkopen om elders duur te verkopen’ dat het ontstaan gaf aan een prille bourgeoisie van handelaars en kooplui. Deze konden zich echter niet doorzetten tegenover het blok van machtige en wantrouwende politieke machthebbers: het keizerlijke overheidsapparaat in China en de alliantie van stamhoofden-grootgrondbezitters-militaire bevelhebbers in de Islamitische wereld.

Alhoewel het Zuid- en West-Europese handelskapitalisme (12de tot de 15de eeuw) in vergelijking met haar Oosterse voorlopers een laatkomer was, bleek het uiteindelijk wel de meest dynamische variant te zijn. Dat valt te verklaren vanuit het zwak en gefragmenteerd karakter van de politieke macht. De wedijverende en strijdlustige baronnen en koningen lagen permanent met elkaar overhoop waarbij de rijke stedelijke burgerij fungeerde als geldschieter in ruil voor allerlei privileges en meer autonomie. De nieuwe handelselite ontpopte zich zo tot een onontbeerlijke en invloedrijke partner van de geestelijke en wereldlijke machthebbers. De opvallende dynamiek van dit handelskapitalisme bleek uit het feit dat het oorspronkelijke handelskapitalisme enerzijds evolueerde in de richting van een financieel kapitalisme. Zo worden in Italië familiaal georganiseerde bedrijven opgericht - de eerste ‘banken’- waarvan het kapitaal wordt ingebracht door de verwante partners, die tevens instaan voor het beheer en de verdeling van de winsten. Anderzijds is er ook sprake van een doorbraak in de richting van de productiesfeer, o.m. in de mijnontginning en vooral ook in de wolverwerking. Wat dit laatste betreft: handelaars worden leveranciers van ruwe grondstoffen en leggen tijds- en kwaliteitsnormen op aan de thuisarbeiders.

Indachtig zijn werkdefinitie - autonomie van de handel, een zekere mate van ‘commodificatie’ en accumulatie en kiemen van een financieel en productief kapitalisme - beschouwt Kocka deze praktijken als voorlopers van het volgroeide kapitalisme. Hij spreekt dan ook van een proto-kapitalisme. Met deze stelling bekritiseert Kocka een welbepaalde school van Marxistisch geïnspireerde wetenschappers, w.o. de Amerikanen Ellen Meiskins-Wood [The origin of capitalism. A long view, 1999] en Robert Brenner [‘The origins of capitalist development: a critique of neo-Smithian Marxism’, 1977] de meest bekende zijn. Volgens deze school is er slechts sprake van authentiek kapitalisme als de bron van het winststreven de toeëigening van meerwaarde is die voortgebracht wordt door arbeiders in de landbouw of de industrie. Dat veronderstelt  op zijn beurt weer een bepaald soort eigendomsverhoudingen waarbij de arbeider niet meer beschikt over zijn productiemiddelen en verplicht is zijn arbeidskracht te verkopen in ruil voor een loon. Slechts daardoor krijgt hij toegang tot de noodzakelijke levensmiddelen en tot de arbeid zelf. Hier is de productie van goederen en diensten ondergeschikt aan het voortbrengen van kapitalistische winst en kapitaal. Handelswinst daarentegen, gehaald uit ‘goedkoop kopen en duur verkopen’ zonder dat de handelaar zich verder inlaat met de productiesfeer, wordt beschouwd als een pre-kapitalistische praktijk. Deze discussie lijkt een scholastiek twistgebrek te zijn over het geslacht der engelen, maar de ideologische implicaties zijn niet onschuldig. 

Volgens Ellen Meiksins-Wood (1942-2016) wordt in het zogenaamde ‘commercialiseringsmodel’ kapitalisme gelijkgesteld met de eeuwenlange ongelijkmatige ontwikkeling van markten, ruil en technologische innovatie die in het latere 18de eeuwse Verlichtingsdenken zullen worden opgehemeld als uitdrukkingen  van een sluimerende rationaliteit en vooruitgangsstreven. Die onderhuidse progressieve stroming kon zich echter moeilijk volwaardig doorzetten door het bestaan van allerlei politieke, culturele en ideologische obstakels. Denk aan de Chinese keizers die wantrouwig stonden tegenover de aan invloed winnende handelaars, de katholieke kerk die de accumulatie van wereldlijke rijkdom afkeurde en de feodale adel die grondbezit en oorlog verkoos boven handel. Als  deze obstakels echter uit de weg geruimd zijn, zet de kapitalistische ontwikkeling zich natuurnoodzakelijk door. Op deze wijze wordt de continuïteit tussen pre-kapitalistische en kapitalistische maatschappijen in de verf gezet: er is niets nieuws onder de zon. De specificiteit van de kapitalistische productiewijze wordt aldus genegeerd of gecamoufleerd. Kapitalisme is een steeds aanwezige mogelijkheid geënt op een eeuwige menselijke natuur die eigenbelang nastreeft. Het volwassen hedendaagse kapitalisme is het onvermijdelijke resultaat van het openbreken van uiteenlopende historische dwangbuizen die een miskenning vormden van deze menselijke natuur. Dat luidt het einde van de geschiedenis in: naar een economisch alternatief hoeft, kan en mag er niet meer gezocht worden!

Met verwijzing naar zijn werkdefinitie hoeft Kocka zich echter niet aangevallen te voelen door deze kritiek van Meiksins-Wood & Co. Ook hij vat het kapitalisme op als een heel bijzonder verschijnsel met zijn eigen imperatieven (‘decentralisatie’, ‘commodificatie’ en ‘accumulatie’) die niet voortvloeien uit een eeuwige natuurwet maar hun wortels vinden in specifieke maatschappelijke verhoudingen die door mensen zijn tot stand gebracht en door hen ook weer veranderd kunnen worden. Omdat het echter om een ideaaltype gaat moeten niet alle imperatieven in dezelfde mate aanwezig zijn om te kunnen spreken van een proto-kapitalistische formatie. Zo voldoet de middeleeuwse Chinese Sung-dynastie wel aan zijn definitie maar niet de Han-dynastie (200 v. Chr. tot 220 n. Chr.) die opviel door geldzucht maar dat geld liever haalde uit vaste renten (i.p.v. wispelturige winsten) en uit oorlogsbuit (i.p.v. uit marktsucces op lange termijn). Dat laatste gold trouwens ook voor het Romeinse Rijk van de eerste eeuwen van onze jaartelling. Tot 1750 bestond het kapitalisme in West-Europa enkel in haar mercantiele en agrarische varianten (bij uitstek in Nederland en Engeland) maar het kreeg geleidelijk ook grip op de productieve sfeer en wel in de sectoren van de plantage-economie (o.m. suikerriet, katoen), de mijnontginning en de nog niet geïndustrialiseerde manufactuur.

 

Ontstaan en ontwikkeling van het industriële kapitalisme

In de tweede helft van het boek (vanaf hoofdstuk 4) behandelt Kocka het ontstaan en de ontwikkeling van de industrialisering die het kapitalisme grondig van karakter deed veranderen. In de industrialisering onderscheidt hij drie componenten. Eerst en vooral innovatie in technologie (stoommachine, mechanisering van het spinnen en weven) en organisatie. Vervolgens de grootschalige ingebruikname van nieuwe energiebronnen (steenkool, aardolie, elektriciteit enz.). Tenslotte de verspreiding van de fabriek als gecentraliseerde en gemechaniseerde productieplaats - gescheiden van het private huishouden - waarbinnen het beheer en de uitvoering duidelijk van elkaar zijn gescheiden. Industrialisering leidde enerzijds tot een enorme toename van de productiviteit en economische groei en anderzijds tot “een fundamentele verbetering van de levensomstandigheden wat afgeleid kan worden uit een reële inkomensstijging” [Kocka, p. 98].

Kapitalisme en industrialisering vallen niet noodzakelijk samen. Immers: kapitalisme ging de industrialisering lang vooraf en er zijn gelukte pogingen geweest om de industrialisering door te voeren binnen een niet-kapitalistisch kader (Sovjet-Unie). In het laatste geval ging het echter duidelijk om een industrialisatie van minderwaardige kwaliteit. Dús: “Een gedecentraliseerde structuur die het nemen van beslissingen spreidt over een groot aantal ondernemingen is onontbeerlijk gebleken. Tot dusverre heeft elke succesvolle industrialisatiepoging het kapitalisme verondersteld” [Kocka, p. 100].

Op welke wijze veranderde de industrialisatie het karakter van het kapitalisme?

In de eerste plaats wordt loonarbeid op contractuele basis een massafenomeen: arbeid wordt en masse tot ‘waar’ herleid (‘commodificatie’). Dat wil zeggen: afhankelijk van de wispelturige arbeidsmarkt, onderworpen aan een strikte berekening met het oog op  winstbejag en object van een directe en permanente supervisie. Vervolgens bereikte de ‘accumulatie’ van vast kapitaal een ongekende schaal: er ontstaan mastodont-ondernemingen met een geplande, hiërarchische arbeidsorganisatie en een strikte arbeidsdeling. Verder wordt Schumpeters ‘creatieve destructie’ een sleutelelement van de kapitalistische productiemethode: technologische en organisatorische innovaties worden crucialer dan ooit waarbij winnaars en verliezers elkaar voortdurend afwisselen (decentralisatie). Op maatschappelijk vlak brengt deze constante revolutionering van het productieproces een ononderbroken dooreenschudden van de sociale bestaansvoorwaarden teweeg. Permanente onzekerheid en wedijver zijn troef, wat bij tijd en wijle leidt tot gebrek aan legitimiteit van het kapitalisme (1873, 1929 en 2008). Tenslotte openbaart deze crisisgevoeligheid van het kapitalisme zich meestal eerst in de financiële sector (t.g.v. buitensporige speculaties en ‘moods’ (Keynes), maar met directe repercussies in de reële economie. Dit laat een ander origineel kenmerk van het industriële kapitalisme zien: het kapitalisme is het dominante economische reguleringsmechanisme geworden met een enorm impact op maatschappij, cultuur en politiek. Niet langer is het een geïsoleerd eiland te midden van een niet-kapitalistische oceaan zoals dat tot een heel stuk in de 19de eeuw nog het geval was. Bovendien neemt dit industrieel gedynamiseerd kapitalisme snel globale vormen aan: nieuwe regio’s, onafgezien van nationale of continentale grenzen, worden binnengedrongen en opgenomen in een netwerk van kapitalistische processen (regionale arbeidsdeling en productiespecialisatie). Een versnelling van de globalisering heeft plaats tussen 1860 en 1914 en in het laatste kwart van de 20ste eeuw.

Het oorspronkelijke eigenaarskapitalisme waarbij de kapitalistische investeerder ook daadwerkelijk ondernemer (met persoonlijke aansprakelijkheid) is maakt tegen het einde van de 19de eeuw plaats voor een ‘managerskapitalisme’ waarbij er een scheiding optreedt tussen de eigendomsfunctie en de beheerdersfunctie. De manager in loondienst en met beperkte aansprakelijkheid stippelt het concreet beleid uit waarbij de eigenaars toezicht houden via de aandeelhoudersvergaderingen en de banken de vinger aan de pols houden van de lange termijn opbrengst (ter afbetaling van de leningen).

Sinds de zeventiger jaren gaat het financiële kapitalisme een steeds belangrijker rol spelen in een geglobaliseerde economie. Kapitaalsbewegingen zijn niet langer bedoeld als investeringen in de reële economie maar dienen speculatieve doeleinden. Geïncasseerde winsten corresponderen niet langer meer met een toegevoegde waarde. Aasgierfondsen kopen goedkoop en verkopen duur als de tijd daarvoor rijp is zonder oog voor de economische en maatschappelijke gevolgen. Voor de crisis van 2008 haalden de Amerikaanse autogiganten GM en Ford bijna het geheel van hun winst uit de financiële takken van hun bedrijf. En zelfs nog in 2009 hadden Amerikaanse niet-financiële ondernemingen meer financiële activa in handen dan niet-financiële!

De economische actoren (w.o. de overheid) nemen ook steeds meer wissels op de toekomst: de stroom aan kredieten en dus schulden is nog nooit zo groot geweest [zie ook: D. Graeber, Schuld. De eerste 5000 jaar, 2011]. Symptomen daarvan zijn de steeds aangroeiende nationale schuldenbergen (t.g.v. de begrotingstekorten), het historisch lage spaarquotum van de private huishoudens en het geringe liquiditeiten-quotum dat de banken beschikbaar houden. Bezuinigingen zijn dus aan de orde in een tijdvak dat de economie tegelijk moet groeien om die wissel op de toekomst te kunnen terugbetalen.

Deze opmars  van het financiële kapitalisme vertaalt zich verder in een verschuiving van de machtsverhoudingen en beslissingsstructuren aan de top van de bedrijven. Er komt een einde aan de vroegere relatieve autonomie van het management die het gevolg was van de spreiding van de kapitaalinbreng over vele kleine aandeelhouders (tevreden met een ‘behoorlijke’ opbrengst) en het toezicht van investerende banken die een lange termijnperspectief hanteerden. Het management komt meer en meer in de schaduw te staan van machtige investerings-en pensioenfondsen en agressieve investeringsfirma’s die zich enkel nog laten leiden door ‘shareholdersvalue’. Belangrijke beslissingen worden genomen door fondsendirecteurs, investeringsdirecteurs en ratingexperts die jaarlijkse ‘high returns’ voor ‘hun’ eigenaars/investeerders/kapitalisten beogen. Ze hebben nauwelijks banden met de ondernemingen over wier toekomst ze als het ware van buitenaf beslissen. “De internationale financiële crisis van 2008 vormde een treffende illustratie van het zelf - destructieve en alomtegenwoordige gevaarlijke potentieel dat schuil gaat in de dynamiek van het nieuwe investeerderskapitalisme dat aan zichzelf wordt overgelaten - overgelaten dus aan de banken, investeerders, effectenmakelaars en andere geldbeheerders. De kwestie is nieuwe vormen van inbedding (in de maatschappij en de reële economie, R. J.) te vinden maar of dit inderdaad mogelijk is blijft een open vraag” [Kocka, p. 124].

 

 

Varianten van kapitalisme

De ‘kwaliteit’ en daarmee samenhangend de legitimiteit van een specifieke kapitalistische formatie wordt meestal beoordeeld  aan de hand van het statuut van de ‘arbeidswaar’ en de historisch wisselende combinatie van markt en staat.

Tegen de linkse goegemeente in benadrukt Kocka de emancipatorische betekenis van ‘vrije’ loonarbeid in vergelijking met gebonden arbeid (o.a. slavernij, lijfeigenschap of schulddienstbaarheid). Anderzijds beseft hij ook heel goed dat een arbeider die niet over zijn productiemiddelen beschikt in een asymmetrische machtsverhouding staat tegenover de kapitalist/eigenaar. In de loop van de (Westerse) geschiedenis vereiste de emancipatie van de loonarbeid dan ook de interventie van filantropen, hervormers, progressieve overheden en een al dan niet georganiseerde arbeidersbeweging.

Formeel zijn de politieke en economische macht wel van elkaar gescheiden, maar in de werkelijkheid hebben beide elkaar nodig en is nauwe samenwerking eerder regel dan uitzondering (en dat is reeds het geval sinds het laatste kwart van de 19de eeuw). Kocka somt drie redenen op waarom de markt niet zonder de staat kan. Eerst en vooral moet de staat de obstakels voor de ontplooiing van de markt wegnemen. Vervolgens moet de staat een tegengewicht bieden tegen de onuitroeibare neiging van de markt om te gaan parasiteren op haar menselijke, maatschappelijke en ecologische voedingsbodem (‘ontbedding’) met alle problemen en onrust van dien. Tenslotte kan een crisis van het kapitalisme in regio’s waar de markt het leven van de bevolking volledig bepaalt een totale maatschappelijke ontwrichting teweegbrengen en daardoor haar legitimiteit verliezen. Slaagt de staat er daarentegen in om te zorgen voor de inbedding van de markt dan is het kapitalisme het meest geschikte instrument om economische rijkdom en politieke vrijheid te garanderen. Verwezen kan worden naar de ongeziene welvaartsgroei en politieke stabiliteit van  de Scandinavische en West-Europese landen in de tweede helft van de 20ste eeuw. Anderzijds bewijst het heroplevende marktfundamentalisme na de Val van de Muur (1989) dat de kapitalistische tijger moeilijk te temmen is! Maar zelfs in dit nieuwe tijdperk is de arbeidskwestie niet langer het cruciale sociale vraagstuk in het Westen,  verdrongen als het is door o.m. de identiteits- en ecologische kwestie. In het globale Zuiden daarentegen waar de ‘informele’ of de niet gestandaardiseerde arbeid domineert, is de arbeidskwestie nog steeds dé maatschappelijke topprioriteit.

 

 

4. Analyse en kritiek

Kocka laat er geen misverstand over bestaan: mensen die hun geschiedenis kennen “kunnen alleen maar onder de indruk zijn van de vooruitgang die in grote delen van de wereld (zij het niet overal) heeft plaats gehad”. En nog: “Tot dusver hebben alle alternatieven voor het kapitalisme bewezen inferieur te zijn met betrekking tot de schepping van zowel rijkdom als van de condities voor de vrijheid. De ineenstorting van de centraal geleide communistische economieën in het laatste derde deel van de 20ste eeuw was in dit opzicht cruciaal voor het opmaken van de historische balans van het kapitalisme” [beide citaten: Kocka, p. 164]. Tegelijkertijd benadrukt hij het enorme aanpassingsvermogen van het kapitalisme als het geconfronteerd wordt met economische, sociale en politieke uitdagingen. “Het ziet er naar uit dat als het kapitalisme zich wat schikt naar de tegen haar gerichte kritieken door net genoeg te veranderen, het een goed deel van het gras onder de voeten van haar critici kan wegmaaien” (p. 166).

Van een globale revolutionaire vernietiging van het kapitalisme kan dus geen sprake zijn, wat niet wegneemt dat kritieken op specifieke en concrete tendensen en uitwassen niet enkel wenselijk maar ook noodzakelijk zijn. Twee kritieken nemen we hierbij onder de loep: het kapitalisme ondermijnt de democratische en ecologische grondslagen van onze samenleving.

Gaan we eerst wat dieper in op het thema van de democratie. Verdedigers van het kapitalisme (Milton Friedman, Gary Becker, de Chicago School of Economics) beweren dat kapitalisme een noodzakelijke (maar geen voldoende) voorwaarde is voor democratie. Het kapitalisme verhindert immers machtsconcentratie door de economische en politieke macht van elkaar te scheiden. Daardoor ontstaat er een sociale orde met rivaliserende elites en dat vergemakkelijkt zowel de individuele vrijheid als democratische politieke  concurrentie. In die redenering zit een stuk waarheid: in nog geen enkele hoog ontwikkelde kapitalistische maatschappij met een  inkomen van meer  dan $ 6000 per hoofd van de bevolking is de democratie ooit vervangen geworden door een dictatuur. Maar Kocka weet dat het kapitalisme “ook kan gedijen in uiteenlopende politieke systemen, zelfs onder een dictatoriaal bestuur (tenminste voor een korte tijd): de samenhang tussen kapitalisme en democratie is dus minder uitgesproken dan lange tijd is gehoopt en verondersteld’ [‘Kocka, p. 169].  

Als we het begrip ‘democratie’ in zijn letterlijke betekenis nemen van ‘volksmacht’ dan kunnen er verschillende bedenkingen tegen het kapitalisme geformuleerd worden [[zie ook: E.O. Wright, Envisioning Real Utopias, 2011, Chapter 3].

Eerst en vooral betekent het exclusieve bezit van de productiemiddelen dat belangrijke domeinen met aanzienlijke maatschappelijke effecten onttrokken worden aan de collectieve besluitvorming. Democratie betekent dat het volk beslist over zaken die haar aangaan. De beslissingen die private kapitalisten nemen, kunnen verregaande gevolgen hebben voor zowel hun werknemers als voor de mensen uit de omgeving. Het feit dat dergelijke beslissingen geen thema vormen van democratische beraadslaging en controle, verlaagt het democratisch gehalte van het beleid.

Daarnaast ondermijnt het onvermogen van democratische organen om de geldstromen en bewegingen van het kapitaal te controleren het vermogen van de democratie om collectieve prioriteiten vast te leggen, zelfs over die zaken die op het eerste zicht niet direct economisch relevant zijn. De democratische gemeenschap heeft slechts beperkte macht om déze vraag te stellen: op welke wijze gaan we het samengevoegde sociale surplus verdelen over de uiteenlopende prioriteiten: economische groei, individuele consumptie, zorgverlening, politie, sport, cultuur, enzovoort? ‘Verkeerde’ beslissingen die het ‘ondernemingsklimaat’ aantasten kunnen immers kapitaalvlucht teweegbrengen (desinvesteringen). Deze permanente onuitgesproken dreiging/chantage vanwege het kapitaal maakt een echt democratisch debat onmogelijk. Joris Luyendijk windt er geen doekjes om: ‘De financiële sector domineert ons leven en ons collectief bestaan. We hebben eigenlijk te maken met een 21ste-eeuwse variant van het kolonialisme. Grote banken zijn in staat om landen werkelijk te bezetten. Het verschil is gewoon dat ze geen harde macht meer nodig hebben om te overheersen. Banken overheersen zonder dat ze onmiddellijk leger of politie moeten inzetten’. Hierboven hebben we het ook al gehad over de structurele onverantwoordelijkheid van het financiële kapitalisme: ‘too big to fail’.

Verder zou verwezen kunnen worden naar de permanente onzekerheid en versnellingsdruk (denken we maar aan Schumpeters wet van de creatieve destructie) die inherent zijn aan het kapitalisme en die ten koste gaan van de maatschappelijke stabiliteit en welvaartsverdeling waardoor ook het openbare belang onder druk komt te staan.

Tenslotte ondermijnen hoge concentraties van rijkdom en economische macht’ de principes van democratische politieke gelijkheid. Denk in dit verband aan het bekende werk van de Fransman Thomas Piketty, Kapitaal in de 21ste eeuw (2014) waarin hij aantoont dat de opbrengst van kapitaal hoger ligt dan de economische groei wat neerkomt op het feit dat je makkelijker rijker wordt met rentenieren dan met hard te werken. Het vermogen van 1% superrijken is sinds de tachtiger jaren meer dan verdriedubbeld, terwijl de andere 99% van de bevolking er nauwelijks op vooruitgaan. Door het erfenismechanisme verzamelt dat kleine groepje mensen steeds meer rijkdom waarbij het kapitalisme over geen enkele bijsturing beschikt om die interne dynamiek te stoppen. Geld, sociale netwerken, politieke en economische lobby’s, studiebureaus en media (de zogenaamde ‘vierde macht’) raken met elkaar verstrengeld waardoor de kleine groep rijken en machtigen een onevenredig grote invloed kan uitoefenen op de democratische instellingen en besluitvorming.

Ook botst de kapitaalslogica bijna onvermijdelijk tegen de ecologische grenzen van de menselijke samenleving.

In de eerste plaats is de kapitalistische markt onderworpen aan een permanente groeidwang (in het Engels spreekt man van eengrow-or-die’ logica). Kapitalisten moeten winst maken en dat doen ze door hun concurrentievermogen op te drijven. Dan kan gebeuren door de productiekosten te verlagen, door bijvoorbeeld de productie te verplaatsen (delocaliseren) naar landen waar de lonen een stuk lager liggen en de milieuwetgeving minder streng is of door de productiviteit te verhogen. In dat laatste geval kan men met minder input dezelfde output realiseren of met dezelfde input meer output voortbrengen. Omwille van het winstmotief wordt gekozen voor het laatste alternatief wat ook betekent dat er steeds meer natuur getransformeerd wordt tot ‘exploiteerbare hulpbronnen’ (‘resources’) en ‘afvalputten’ (‘sinks). Deze groeidwang vertaalt zich psychologisch en ideologisch in het ophemelen van het ‘arbeidsethos’ (leven is werken) en legitimeert zich met het consumentisme: het harde werken wordt gecompenseerd door vrije tijd die door menigeen als ‘lege tijd’ wordt ervaren als hij niet wordt opgevuld met de ‘brood en speeltjes’ die aangeboden wordt door de markt.  

De groeidwang eigen aan het kapitalisme is exponentieel of samengesteld van aard (Ha-Joon, Economie. De gebruiksaanwijzing, 2014). Dit houdt in dat de verhoogde output van elk jaar aan de bestaande output wordt toegevoegd. Een als economisch gezond beschouwde jaarlijkse exponentiële groeivoet van 3% leidt aldus tot een verdubbeling van de economie om de 23 jaar (vuistregel ter berekening van de tijdsperiode waarin de economie verdubbelt : deel 70 door het groeipercentage (70 : 3 = 23)). Zo’n exponentiële groei vereist een voortdurende zoektocht naar nieuwe winstgevende investeringsmogelijkheden, met alle (negatieve) gevolgen van dien. Je kan hierbij denken aan de rol die overheid en reclame spelen in het aanzwengelen van de consumptie. De noodzaak van een permanente groei verklaart tevens dat de kapitaalslogica steeds verder doordringt in niet-economische sectoren waar deze logica eigenlijk niet op zijn plaats is en dus perverse effecten heeft : denken we maar aan geneeskunde, onderwijs, kinderopvang, sport en media, enzovoort.

Kapitalisme-kritiek blijft volgens Kocka dus noodzakelijk maar dit betekent nog niet dat hij op zoek zou gaan naar een globaal alternatief voor het kapitalisme. Want zulke alternatieven bestaan er nauwelijks. ‘Maar binnen het kapitalisme kunnen er uiteenlopende varianten en alternatieven gevonden worden en nog veel meer kan men er zich inbeelden. Het komt er op aan deze te ontwikkelen. De hervorming van het kapitalisme is een permanente taak. En daarin speelt de kapitalisme-kritiek een prominente rol” [Kocka p. 169]. Deze passage wekt de indruk dat Kocka toch een beetje luchthartig omgaat met de mogelijkheid om het bestaande kapitalisme van koers te doen veranderen. Zo’n hervorming veronderstelt immers een immense sociale en politieke krachttoer die bijna revolutionaire contouren kan aannemen. Kocka’s landgenoot Wolgang Streeck  geeft een goed idee van wat er nodig is om het bestaande kapitalisme terug te democratiseren. “Democratie zou vandaag de dag moeten betekenen dat we instituties opbouwen waarmee markten opnieuw onder sociale controle gebracht kunnen worden: arbeidsmarkten die ruimte laten voor een sociaal leven, goederenmarkten die de natuur niet schaden en kredietmarkten die niet tot de massaproductie van onvervulbare beloften leiden. Om zoiets echt op de agenda te krijgen is op z’n minst een jarenlange mobilisering van de politiek noodzakelijk, en een duurzame ontwrichting van de sociale orde zoals die zich nu ontwikkelt” [Gekochte tijd. De uitgestelde crisis van het democratische kapitalisme, 2015, p. 243].

Persoonlijk voel ik meer voor de politieke opstelling van de boven genoemde Amerikaanse analytische marxist Erik Olin Wright. Wright noemt zich, in tegenstelling tot Kocka, een anti-kapitalist, maar hij gelooft evenmin in het revolutionair omvergooien van het systeem. Hij is voorstander van het ‘eroderen’ van het kapitalisme door een combinatie van de strategische logica’s van de hervorming, het verzet en de ontsnapping. De hervorming is de taak van bewegingen die politieke macht verwerven (bijvoorbeeld ernstig werk maken van de groene transitie ter vervanging van de fossiele energiebronnen), terwijl de ontsnapping het terrein vormt van socio-economische projecten (denk aan bewonerscoöperatieven die windmolenparken beheren). Beide sporen dienen verankerd te zijn in verzetsvormen van georganiseerde collectiviteiten: sociale bewegingen en vakbonden maar ook NGO’s en actiegroepen (bijvoorbeeld gericht tegen 'fracking' met het oog op de winning van schaliegas). Wright spreekt over een daadkrachtige progressieve sociaal-democratie die dusdanige antwoorden biedt op de uitwassen van het kapitalisme dat de ontwikkeling van emancipatorische alternatieven wordt vergemakkelijkt. Deze kunnen beschikken over het potentieel om de kapitalistische dominantie uit te hollen [E. O. Wright, How to be an anti-capitalist for the 21th century, 2016].

Diverse dissidenties binnen het kapitalisme (hervormers, actievoerders,constructieve alternatievelingen) gebruiken als hefbomen om alternatieven (in het meervoud) voor het kapitalisme te ontwikkelen, lijkt me momenteel niet onrealistischer te zijn dan een pleidooi te houden voor een kapitalisme dat zich van binnenuit hervormt!