ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > Kapitalisme en Democratie
  Mei 2018 [16]



DE BEDRIJFSELITE EN POLITIEKE MACHT

Door Colin Crouch


Dit is een (door Ronald de Vries) vertaalde paragraaf (ĎThe corporate elite and political powerí) uit hoofdstuk 2, ĎThe Global Firm: The Key Institution of the Post-Democratic Worldí uit zijn boekje Post-Democracy, 2004, pp. 43-51

 

Bedrijven zijn niet zomaar organisaties, maar concentraties van macht. Hun patroon van eigenaarschap produceert concentraties van private rijkdom. En hoe belangrijker bedrijven worden, hoe belangrijker de klasse van kapitaalbezitters wordt. Bovendien is de grote meerderheid van de bedrijven georganiseerd op een manier die aanzienlijke autoriteit verleent aan hun senior managers. Dit geldt in toenemende mate als het Anglo-Amerikaanse model van het bedrijf die alle macht concentreert in een algemeen directeur (CEO), die alleen verantwoording hoeft af te leggen aan de aandeelhouders, verschillende andere vormen van kapitalisme die een breder spectrum aan aandeelhouders erkennen, verdringt. Hoe machtiger het bedrijf als een organisatievorm wordt, hoe machtiger de personen worden die deze posities innemen. Zij worden zelfs nog machtiger wanneer een overheid hen de organisatie van haar eigen activiteiten toestaat en zich onderwerpt aan de superioriteit van hun expertise. Behalve het domineren van de economie zelf, worden zij de klasse die ook een dominante invloed op het openbaar bestuur heeft.

 

Dit heeft nog een gevolg. Als de overheid zich terugtrekt uit zijn uitgebreide financieringsrol die zij kreeg in de Keynesiaanse en sociaal democratische periode, wenden organisaties die opereren in non-profitsectoren zich tot andere financieringsbronnen. Als rijkdom en macht zich concentreren in de het bedrijfsleven wordt dat de hoofdbron van dergelijke financiering. Als personen uit het zakenleven kunnen bepalen wat ze financieel ondersteunen, brengt dat hun in machtsposities. In het Verenigd Koninkrijk is dat momenteel zo ver doorgedreven dat denktanks verbonden met de Labour Party bedrijven moeten zien te vinden die bereid zijn om individuele themaís van hun beleidsresearch te financieren, water vaak op neer komt dat bedrijven beleidsthemaís waar zij een direct belang hebben bij de resultaten, financieren. Zelfs sommige adviserende lichamen van de Britse overheid zijn voor hun werk gedeeltelijk afhankelijk van donaties van het bedrijfsleven.

 

De voornaamste reden waarom deze activiteiten niet uitgevoerd werden door het bedrijfsleven was vaak juist omdat het als niet passend werd beschouwd. Er ontstaan, bijvoorbeeld, duidelijke problemen als farmaceutische bedrijven de belangrijkste financiers van de medische research worden Ė maar dat is precies wat er gebeurt als overheden universiteiten aansporen om in toenemende mate te vertrouwen op private financiŽle steun in plaats van publieke subsidiering. In het verleden kanaliseerden bedrijven gewoonlijk hun financiŽle steun voor wetenschappelijke en culturele activiteiten gewoonlijk via kartels die bestuurd werden door de bedrijven zelf. Dit was tijdens de periode van democratische gevoeligheden, toen mensen achterdochtig keken naar directe betrokkenheid in wat werd gezien als niet-commerciŽle activiteiten door instellingen met commerciŽle macht en belangen. Tegenwoordig wordt subsidiŽring minder vaak op deze wijze bemiddeld en bedrijven financieren activiteiten waarschijnlijk direct.

 

Ten einde wetenschappelijke, culturele en andere niet-commerciŽle activiteiten te bevorderen en daarvoor private subsidiering te vinden, maken overheden in toenemende mate hun eigen financiering van zulke activiteiten afhankelijk van succes bij het aantrekken van zulke financiŽle steun: een lokaal theater of afdeling van een universiteit zal publieke hulp krijgen als ze zichzelf eerst aantrekkelijk kunnen maken voor private donoren. Zij kunnen op die manier de toewijzing van publieke fondsen bepalen en dit versterkt de macht van de rijken nog meer. Een soortgelijke praktijk stamt uit de Verenigde Staten, maar heeft zich snel naar elders verspreid: het toestaan dat giften voor liefdadigheid voor belastingvrijstelling in aanmerking komen. Het doel hiervan is om de subsidiering die de overheid zelf op zich dient te nemen te verminderen. Het gevolg hiervan is echter dat rijke bedrijven en individuen niet alleen kunnen bepalen welke activiteiten ze met hun eigen geld kunnen begunstigen, maar zich tegelijkertijd het bestedingspatroon van de publieke uitgaven toe-eigenen. Oorspronkelijk werden die vastgesteld op basis van andere prioriteiten dan de rijken zouden kiezen.

 

Nog een ander gevolg van deze ontwikkelingen is dat ondernemers en bedrijfsmanagers een zeer bevoorrechte toegang tot politici en ambtenaren verkrijgen. Omdat hun succes en expertise volledig afhangt van hun vermogen om waarde voor hun aandeelhouders te maximaliseren, moet van hen verwacht worden dat zij die toegang gebruiken om hun eigen bedrijven te laten profiteren. Dit is vooral het geval als de relaties tussen de overheid en de economische sector niet lopen via verenigingen die bedrijven in de sector vertegenwoordigen, maar door individuele grote bedrijven. Dit begint zelfs in Duitsland en Zweden de overhand te krijgen, twee landen waar sinds lange tijd bedrijven werkten via machtige en zeer effectieve collectieve organisaties. In de late 1990er jaren nam de, door de sociaal-democraten geleide overheid werknemers van de leidende private bedrijven in dienst om haar belastingbeleid voor bedrijven te ontwerpen; het resultaat was grote verschuiving van de belastingdruk van de grote naar de kleine bedrijven.

 

Bovendien: als de overheid steeds meer van haar activiteiten uitbesteedt, wat zij doorgaans doet op advies van personen uit het bedrijfsleven, neemt de potentiele waarde van zoín toegang tot het verkrijgen van overheidscontracten toe. Als, zoals beargumenteerd in het vorige hoofdstuk, de verschuiving naar het liberale model van lobbyen en de presentatie van themaís als tegenhanger van de partijpolitiek een kenmerk van de huidige politiek is, dan is dit een bedenkelijke ontwikkeling.[1] Het suggereert dat de politiek van de lobby steeds verder zal verschuiven in de richting van vergroting van de macht van de grotere bedrijven en diegenen die over sleutelkantoren beschikken. De macht die zij reeds bezitten binnen hun bedrijven, wordt vertaald in een veel uitgebreidere politieke macht. Dit tart het democratische evenwicht ernstig.

 

De speciale plaats van de mediabedrijven

Er bestaat in feite een rechtstreeks verband tussen de macht van een zeer belangrijke groep bedrijven Ė met name deze in de media-industrie - en de keuzebeperkingen en de uitholling van de politieke taal en communicatie die belangrijke aspecten zijn van de slechte staat van de democratie. Dit is op twee verschillende manieren het geval. In de eerste plaats maken de pers en in toenemende mate radio en televisie deel uit van de commerciŽle sector van de maatschappij Ė meer dan van, zeg, de liefdadige of opleidingssectoren wat even goed het geval had kunnen zijn. Dat betekent dat nieuwsuitzendingen en alle andere politiek relevante communicaties de gedaante moeten aannemen van een product dat op een markt wordt verkocht. Als mediabedrijven moeten concurreren met elkaar, moet de aandacht van de lezer, luisteraar of kijker snel worden getrokken. Dat vereist primair extreme simplificatie en effectbejag die vervolgens de kwaliteit van de politieke discussie verlagen en de competentie van burgers verminderen. Oversimplificatie en effectbejag zijn als zodanig geen onderdeel van de markt en commercialisatie: markten voor zeldzame boeken, superautoís en fijne wijnen, bijvoorbeeld, respecteren de behoeften van de koper aan een zorgvuldige beoordeling en het voorhanden zijn van rijke informatie. Zulke markten zijn zelfs op beperkte schaal te vinden binnen de massamedia, in kranten en programmaís gericht op hoogopgeleide mensen die zonder veel mentale inspanning toegang kunnen hebben tot een ingewikkeld betoog. Het bijzondere karakter van de massamarkt voor nieuws en de vluchtige aard van het product gaan ten koste van een serieuze benadering. Politieke spelers zelf worden daartoe ook gedwongen als zij enige controle willen houden over hun eigen manier van formuleren: als zij niet de snelle en sensationele stijl die direct de aandacht trekt overnemen, dan zullen journalisten hun boodschap geheel moeten herschrijven. De krantenkop was de moeder van de soundbite.

We kunnen een klein gedachtenexperiment uitvoeren om te zien hoe dit werkt. Stel je voor dat scholen het communiceren benaderen zoals kranten en omgekeerd. Leraren zouden voortdurend het risico lopen, dat als ze niet snel de aandacht van hun leerlingen krijgen, die de volgende morgen naar een andere school gaan. Het is twijfelachtig of algebra, de structuur van koolstofatomen of Franse onregelmatige werkwoorden ooit aan elk kind geleerd moeten worden. Feitelijk is er nu sprake van zoín nachtmerrie: leraren moeten concurreren met de televisie bij het trekken van de aandacht van hun leerlingen. Het is opmerkelijk dat deze mogelijkheid bijna nooit wordt geopperd als er publieke bezorgdheid over onderwijsnormen wordt geuit. Zou dit komen omdat zulke uitingen van bezorgdheid vooral gemanipuleerd worden door eigenaren van de massamedia?

 

Daar kan tegen in gebracht worden dat ouders en kinderen zich vroeg of laat zouden realiseren dat een opleiding bestaande uit opvallende en makkelijk te verteren, opwindende stukjes kennis nergens toe leidt en in het bijzonder leerlingen niet goed toerust voor goede posities op de arbeidsmarkt. De kennismarkt zou zichzelf dus corrigeren en goede scholen zouden beloond worden door grotere aantallen deelnemers. Maar in het geval van communicatie via de massamedia, is er geen aanleiding voor een dergelijk correctie. Als parallel met de ontdekking van leerlingen dat hun oppervlakkige opleiding nutteloos is, zou je aan mensen kunnen denken die er achter komen dat hun kranten en televisieprogrammaís hen niet heeft toegerust tot effectieve politieke burgers. Maar dat bewijs komt er nooit, zeker niet in een waarneembare vorm. Mensen kunnen vagelijk beseffen dat zij weinig begrip hebben van wat er zich afspeelt in bestuur en politiek. Zij kunnen ook verward raken, omdat zij alleen iets horen over politieke persoonlijkheden, schandalen en allerlei armzalige futiliteiten. Maar het spoor terug naar de logica van een soort snel-bewegende markt is voor hen onmogelijk te vinden.

 

Om een omgekeerde parallel te vinden, media die meer als een school opereren, heb je niet veel voorstellingsvermogen nodig. Dat was het originele model van de BBC en enkele andere publieke omroepen in de democratische wereld. De omroepen hadden de missie, expliciet in het geval van de BBC, om te Ďinformeren, te vormen en te vermakení. Overblijfselen van dit model vinden we bij de BBC en in mindere mate in het gereguleerde deel van de commerciŽle televisie. Vormen van publieke regulatie, op grote afstand van politieke bemoeienis, bieden zowel een vorm van bescherming tegen de directe druk van de markt als tegen de verplichting er louter op gericht te zijn snel de aandacht te trekken. Dit model is al enige tijd aan het wegkwijnen. Druk op programmamakers van de publieke omroep om hun kijkcijfers te vergelijken met hun rivalen van de commerciŽle omroepen, brengt hen er juist toe om snel de aandacht te trekken. Dit proces werd versterkt toen de technologische ontwikkelingen - creatie van mogelijkheden voor satelliet-, kabel- en digitale diensten - de eerdere beperkingen hadden weggenomen, die het oorspronkelijke systeem van ethergolven vele radiobronnen had opgelegd. Ook tenderen geschreven journalistiek en de radio en televisie ernaar om elkaar als bron van verhalen te gebruiken. Dit leidt tot eenzijdigheid: het brengt de prioriteiten van de geschreven journalistiek en commerciŽle radio en televisie de publieke omroep binnen. De eis van snel-de-aandacht-winnen, verhindert de commerciŽle omroep om veel van publieke omroep op te pikken als deze een ander format hanteert.

 

Het commerciŽle model triomfeert daarom over de andere concepten van de politieke massacommunicatie. Politiek nieuws en ander nieuws zijn in toenemende mate geherdefinieerd alsthemaís van zeer directe consumptie. De consument heeft getriomfeerd over de burger (zie Davies en Graham, Broadcasting, Society and Policy in the Multimedia Age, 1997 voor een goede uiteenzetting van dit proces).

Een tweede reden voor bezorgdheid over de rol van de pers, radio en televisie bij het bemiddelen van politieke communicatie is dat de controle over deze media geconcentreerd is in zeer weinig handen. De groei van nieuwe ICT-technologieŽn heeft ironisch genoeg niet geleid tot een grotere diversiteit van leveranciers, tenzij men zeer kleine kanalen die een klein deelbelang vertegenwoordigen in aanmerking neemt. Het probleem is dat de technologieŽn die nodig zijn voor ware massacommunicatie uitzonderlijk duur zijn en alleen grote bedrijven die kunnen aanschaffen. In het Verenigd Koninkrijk Ė toegegeven een extreem geval -heeft ťťn firma (News Corporation) het monopolie op satellietverbindingen (BSkyB), bezit kranten als The Times en The Sun en is nauw verbonden met andere media-providers. En News Corporation is een internationale onderneming, met gedeeltelijk Britse belangen. In ItaliŽ is de premier veruit de belangrijkste figuur in de commerciŽle mediasector (ook heeft hij steeds grotere invloed op de publieke omroep).

 

Zelfs daar waar competitie bestaat, brengt dit waarschijnlijk geen diversiteit, geziende economische omstandigheden van de markten voor de massamedia. Als producenten een grote, tamelijk homogene massamarkt van consumenten zien, proberen ze allemaal hun activiteiten daarop te richten, wat betekent dat ze allemaal min of meer hetzelfde proberen aan te bieden. Diversiteit zal slechts onder twee omstandigheden verschijnen. Ten eerste kunnen er vormen van mediadiensten bestaan, zoals eertijds bij vele zenders van de publieke omroep, die er niet op uit zijn een zo groot mogelijke specifieke doelgroep aan zich te binden. Ten tweede zullen commerciŽle producenten diversiteit produceren als zij zich makkelijk op een segment van de markt kunnen richten in plaats van op een zeer belangrijke massa. Zij kiezen er dan voor om hun activiteiten te richten op specifieke marktsegmenten. Dit zie je bij de pers die voor Ďkwaliteití staat en die zich richt op een kleine maar in het algemeen welgesteld publiek van goed-opgeleide lezers.

 

Controle over politiek relevant nieuws en informatie, een bron die vitaal is voor democratisch burgerschap, komt onder controle van een heel gering aantal extreem rijke individuen. En welgestelde individuen, hoeveel zij ook met elkaar mogen wedijveren, neigen ertoe om bepaalde politieke perspectieven te delen en hebben er veel belang bij om over bronnen te beschikken om dit gevecht aan te gaan. Dit betekent niet alleen dat sommige partijen door de media bevoordeeld worden boven andere; de leiders van alle partijen zijn zich bewust van deze macht en voelen zich erdoor beperkt als ze hun programmaís maken. De vormen van concentratie van eigenaarschap die zijn ontstaan, zouden er inderdaad niet geweest zijn als regeringen het aangedurfd hadden dit te reguleren in het belang van een grotere diversiteit en competitie. Soortgelijke factoren liggen ten grondslag aan de huidige druk in de meeste democratieŽn om de publieke omroep een onbeduidende rol op te leggen ten gunste van commerciŽle diensten.



[1] Noot van de vertaler: ď[Ö.] politieke georiŽnteerde campagnes en lobbyís, hoewel ze er niet op uit zijn om de kiezers te beÔnvloeden of te organiseren, hebben direct effect op het regeringsbeleid. Een dergelijke vitaliteit geeft blijk van een sterke liberale maatschappij; maar dit is niet hetzelfde als een sterke democratie. Omdat we zo gewend zijn geraakt aan het breed gedragen idee van een liberale democratie neigen we er tegenwoordig toe niet te zien dat er twee onderscheiden factoren aan het werk zijn. Democratie vereist sterke gelijkheden bij het reŽle vermogen van alle burgers om invloed uit te oefenen op politieke beslissingen. Liberalisme vereist vrije, diverse en ruime gelegenheden om deze beslissingen te beÔnvloeden. Dit zijn gerelateerde en onderling afhankelijke voorwaarden. Maximale democratie kan zeker niet gedijen zonder sterk liberalisme. Maar het zijn twee verschillende zaken die hier en daar zelfs met elkaar in conflict raken.Ē [H. 1: ĎWhy Post-Democracy?í, pp. 16-17]