ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > Kapitalisme en Democratie
  Mei 2018 [16]




HET HUIDIGE KAPITALISME IS FUNDAMENTEEL ONVERENIGBAAR MET DEMOCRATIE

 

Door Noam Chomsky

 

Noam Chomsky is emeritus hoogleraar aan de faculteit voor taalwetenschappen en filosofie op het Massachusetts Institute of Technology. Zijn nieuwste boek is Who Rules the World?, 2016, (dat nog niet in Nederlandse vertaling is verschenen)

 

Dit is een vertaling (door Ronald de Vries) van 'Can Civilization survive Capitalism? Capitalism as it exists today is radically incompatible with democracy', AlterNet, 05.03.2013 (https://www.alternet.org/noam-chomsky-can-civilization-survive-capitalism).

 

Er bestaat kapitalisme en er bestaat reëel bestaand kapitalisme.

 

De term kapitalisme wordt doorgaans gebruikt om het Amerikaanse economische systeem mee aan te duiden, met substantiële staatsinterventie, lopend van subsidies voor creatieve vernieuwing tot de garantie van de overheid dat banken niet kopje ondergaan.

 

Het systeem is sterk gemonopoliseerd, vertrouwt steeds minder op in de markt en die tendens zet zich steeds sterker door: In de afgelopen 20 jaar is het winstaandeel van de 200 grootste ondernemingen sterk gestegen, meldt de wetenschapper Robert W. McChesney in zijn nieuwe boek Digital Disconnect.

 

Kapitalisme is nu een term die algemeen gebruikt wordt om systemen zonder kapitalisten te beschrijven zoals bijvoorbeeld, het coöperatieve bedrijf in Mondragon in Baskenland waarvan de arbeiders eigenaar zijn, of soortgelijke ondernemingen verspreid over het noorden van Ohio, vaak met steun van  conservatieven; beiden worden besproken in belangrijk werk van de wetenschapper Gar Alperovitz. [Gar Alperovitz & Thomas M. Hanna, 'Mondragón and the System Problem', 2013 (http://www.yesmagazine.org/new-economy/mondragon-and-the-system-problem); Gar Alperovitz, America Beyond Capitaism, 2011]

 

Sommigen willen de term kapitalisme zelfs gebruiken om de industriële democratie aan te duiden die door John Dewey, de Amerikaanse, gezaghebbende sociaal filosoof, op het eind van de 19e  eeuw en begin 20e eeuw werd verdedigd.

 

Dewey wilde dat arbeiders “meesters over hun eigen industriële lot” zouden zijn en dat alle instituties onder publieke controle gebracht zouden worden, inclusief de productiemiddelen, handel, communicatie, transport. Zonder dat, zo betoogde Dewey zal de politiek “in de schaduw van de grote bedrijven” blijven staan.

De verminkte democratie die Dewey veroordeelde is in recente jaren helemaal naar de knoppen gegaan. Nu is controle van de regering eng geconcentreerd aan de top van de inkomensschaal, terwijl de grote meerderheid “daar beneden” feitelijk van z’n stemrecht is beroofd. Het huidige politiek-economische systeem is een vorm van plutocratie dat zich scherp onderscheid van democratie als we daarmee politieke structuren aanduiden waarin het beleid significant wordt beïnvloed door de publieke wil.

Er waren door de jaren heen serieuze debatten over de vraag of kapitalisme verenigbaar is met democratie. Als we het over de Reëel Bestaande Kapitalistische Democratie (RBKD) hebben kan de vraag afdoend beantwoord worden: zij zijn radicaal onverenigbaar.

Het lijkt me onwaarschijnlijk dat de beschaving RBKD en de versmalde democratie die ermee gepaard gaat, kan overleven. Maar kan een functionerende democratie het verschil maken?

Laten we ons beperken tot het meest prangende actuele probleem waarvoor de beschaving staat: een milieucatastrofe. Beleid en publieke meningen verschillen sterk, zoals vaak het geval is bij onder RBKD. De aard van de kloof wordt in diverse artikelen van het huidige nummer van Daedalus tijdschrift van de Amerikaanse Academie van Kunst en Wetenschap onderzocht.

Onderzoeker Kelly Sims Gallagher heeft vastgesteld dat “190 landen beleid hebben gemaakt inzake duurzame stroom en 118 landen doelen hebben gesteld inzake schone energie. Daartegenover hebben de VS geen consistente en stabiele beleidsuitgangspunten op nationaal niveau om het gebruik van duurzame energie te bevorderen”.

Het is niet de publieke opinie die de Amerikaanse politiek verwijdert van het internationale spectrum. In tegendeel, de opinie ligt veel dichter bij de wereldwijde norm dan weerspiegeld wordt door de regeringspolitiek en er is veel positiever over de noodzakelijke acties om het hoofd te bieden de waarschijnlijke milieuramp. Deze wordt door een overweldigende wetenschappelijke consensus voor de nabije toekomst voorspeld en zal zeer waarschijnlijk diep ingrijpen in het leven van onze kleinkinderen.

Zoals Jon A. Krosnick and Bo MacInnis zeggen in Daedalus: “Grote meerderheden waren voorstander van stappen door de federale regering om de uitstoot van broeikasgassen door elektriciteitscentrales te verminderen. In 2006 was 86% van de respondenten voor het stimuleren, mogelijk via belastingvoordelen, van de opwekking van schone elektriciteit. Eveneens in dat jaar was 87% voor belastingvoordelen voor centrales die meer elektriciteit opwekten uit water, wind of zonlicht. (Deze meerderheden bleven tussen 2006 en 2010 bestaan en daalden daarna licht.)”.

Het feit dat het publiek wordt beïnvloed door de wetenschap is erg problematisch voor degenen die de economie en de staatspolitiek domineren.

Een recente illustratie van hun bezorgdheid is de Environmental Literacy Improvement Act die door de American Legislative Exchange Council  (ALEC), een door het bedrijfsleven-gefinancierde lobby aan de wetgevende organen werd voorgesteld om de behoeften van het bedrijfsleven en extreme rijkdom te dienen.

De (ELIA) stelt “evenwichtig onderwijs” in klimaatwetenschappen voor K-12 klassen verplicht. “Evenwichtig onderwijs” is een verhullende term voor het onderwijzen van ontkenning van de klimaatverandering als tegenwicht voor de hoofdstroom van de klimaatwetenschap. Het staat gelijk aan het “evenwichtig onderwijs” dat door creationisten wordt bepleit om het onderwijzen van “de wetenshap der schepping” mogelijk te maken in openbare scholen. Wetgeving, gebaseerd op ALEC-modellen, is reeds in verschillende staten geïntroduceerd.

Natuurlijk wordt dit allemaal in een retoriek over het aanleren van kritisch denken verpakt – ongetwijfeld een mooi idee, maar het is makkelijk om veel betere voorbeelden te bedenken dan een thema dat onze overleving bedreigt en het werd gekozen vanwege haar belang in termen van bedrijfswinsten.

Verslagen in de media tonen doorgaans een polemiek tussen twee groepen inzake de klimaatverandering.

De ene groep bestaat uit de overweldigende meerderheid van de wetenschappers, de grootste nationale academies van wetenschappen, de professionele wetenschapsjournalisten en het Intergouvernementele Panel over Klimaatverandering.

Zij zijn het erover eens dat de aarde opwarmt, dat er daarbij een essentiële menselijke factor meespeelt, dat de situatie ernstig en misschien dringend is en dat zeer spoedig, misschien al binnen decennia de wereld een kritiek punt bereikt waarin het proces scherp zal escaleren en onomkeerbaar zal zijn met ernstige maatschappelijke en economische effecten. Je vindt zelden zo’n consensus over ingewikkelde wetenschappelijke thema’s.

De andere groep bestaat uit sceptici, inclusief een aantal weinig gerespecteerde wetenschappers die waarschuwen dat veel onbekend is - wat betekent dat de zaken er mogelijk niet zo slecht voorstaan als men denkt of dat ze erger zouden kunnen zijn.

Buiten dit gekunstelde debat is er ook nog een veel grotere groep sceptici, zeer gerespecteerde klimaatwetenschappers, die de reguliere IPCC-rapporten als veel te conservatief beschouwen. En deze wetenschappers bleken, helaas, herhaaldelijk het gelijk aan hun kant te hebben.

De propagandacampagne (van het bedrijfsleven) heeft duidelijk enig effect gehad op de publieke opinie in de VS, die sceptischer is dan de wereldwijde norm. Maar het effect is niet significant genoeg om de meesters tevreden te stellen. Daarom lanceren sectoren van het bedrijfsleven waarschijnlijk hun aanval op het onderwijsstelsel in een poging in te gaan tegen de gevaarlijke tendens onder het publiek om aandacht te besteden aan de conclusies van wetenschappelijk onderzoek.

Op de winterbijeenkomst van het Republikeinse Nationale Comité een paar weken geleden waarschuwde de gouverneur van Louisiana Bobby Jindal het leiderschap ervoor dat “we ermee ophouden om de domme partij te zijn …. We moeten ermee ophouden om de intelligentie van de stemmers te beledigen.”

Van binnen het Reëel Bestaande Kapitalistische Democratische systeem uit gedacht, is het van enorm belang dat we de domme natie worden, niet misleid door wetenschap en rationaliteit in het belang van korte termijnvoordelen van de bonzen van het economische en politieke systeem waarbij de gevolgen daarvan hen geen donder kunnen schelen.

Deze overtuigingen zijn diep geworteld in de fundamentalistische markt-doctrines die gepredikt worden binnen de RBKD, zij het op een heel selectieve manier, ten einde een krachtige staat in stand te houden die de welvaart en de macht dient.

De officiële doctrines leiden aan bekende “markt-ondoelmatigheden” waaronder het onvermogen om rekening te houden met de effecten van markttransactiesop anderen. De gevolgen van deze “uiterlijkheden” kunnen substantieel zijn. De huidige financiële crisis is daarvan een illustratie. Het is deels terug te voeren op de grote banken en investeringsmaatschappijen die “systeemrisico”– de mogelijkheid dat het hele systeem in elkaar zou storten – negeren als zij riskante transacties ondernemen.

Een milieu catastrofe is veel ernstiger: de uiterlijke omstandigheden die worden ontkend vormen het lot van de soort. En we kunnen nergens heen om te bedelen voor een reddingsoperatie.

In de toekomst zullen historici (als die er nog zijn) terugkijken op dit spektakel dat zich voltrekt in het begin van de 21e eeuw. Voor de eerste keer in de menselijke geschiedenis worden mensen geconfronteerd met het zwaarwichtige vooruitzicht van een ernstige ramp ten gevolge van hun acties – acties die op onze vooruitzichten op fatsoenlijke overleving stukslaan.

Die historici zullen vaststellen dat het rijkste en machtigste land in de geschiedenis dat onvergelijkbare voordelen geniet, het voortouw neemt in de poging om de waarschijnlijke ramp te intensifiëren. Het zijn de zogenaamde “primitieve” samenlevingen - de Oorspronkelijke Naties, de oorspronkelijke bewoners - die alles in het werk stellen om de voorwaarden waaronder onze onmiddellijke afstammelingen een fatsoenlijk leven zouden kunnen leiden, in stand te houden.

De landen met een grote en invloedrijke oorspronkelijke bewoners spelen een leidende rol bij het in stand houden van de planeet. De landen die de oorspronkelijke volken uitgeroeid of uiterst gemarginaliseerd hebben, snellen op vernietiging af.

Zo zoekt Ecuador met zijn grote oorspronkelijke bevolking steun van de rijke landen om zijn substantiële olievoorraden niet te hoeven exploiteren.

Intussen zijn de VS en Canada op zoek naar nieuwe fossiele brandstoffen, inclusief de uiterst gevaarlijke Canadese teerzanden, om ze zo snel en grondig mogelijk te verbranden, waarbij ze de wonderen van een eeuw van (grotendeels zinloze) energie-onafhankelijkheid ophemelen zonder ook maar de minste aandacht te hebben voor de toestand van deze wereld na deze mateloze overgave aan zelfvernietiging.

Deze waarneming laat zich generaliseren: landen van oorspronkelijke bewoners vechten ervoor om te beschermen wat zij soms “de rechten van de natuur noemen”, terwijl de geciviliseerde en ontwikkelde landen de spot drijven met deze dwaasheid.

Dit is precies het tegenovergestelde van wat rationaliteit zou voorspellen – tenzij het de verwrongen vorm van de rede die door de filter van de Reëel Bestaande Kapitalistische Democratie loopt.