ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > Strijd tussen uitvoerende en wetgevende macht
  november 2016 [15]



VOORBIJ STAAT, MACHT EN GEWELD De zelfkritiek van Abdullah Öcalan

Door Johny Lenaerts

De auteur is freelance journalist en schrijft op verschillende politieke websites, zoals Socialisme21 en Libertaire orde. Verder vertaalt hij boeken (onder meer: Rudolf Rocker, Onder joodse arbeiders, 2015; Siegbert Wolf, Open de poorten van vrijheid: Milly Witkop [1877-1955], anarchiste en feministe, 2016)


Ruim 16 jaar verblijft Abdallah Öcalan in een gevangenis op het eiland Imrali nabij Istanbul, waar hij een levenslange gevangenisstraf uitzit. Door vriend en vijand wordt hij nog steeds beschouwd als de onbetwiste leider van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK). In zijn gevangenschap heeft Öcalan zijn vroegere denkbeelden aan een diepgaand zelfonderzoek onderworpen en opent hij de discussie over een hernieuwd socialisme.
[*]


Kritische balans

Op 27 november 1978 kwamen 22 jonge Koerdische intellectuelen samen in een klein dorpje in de omgeving van Dyarbakir om er de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) op te richten. Ze wilden ijveren voor een onafhankelijke en socialistische Koerdische staat. Ze zouden in de jaren die daarop volgden op duizenden kaderleden en tienduizenden sympathisanten kunnen rekenen en een basis van honderdduizenden aanhangers in de bevolking verwerven.

Toen op 12 december 1980 het Turkse leger de macht greep en vele militanten gearresteerd, gefolterd en sommige gedood werden, besloot de partij de gewapende strijd op te nemen.

Met de val van het communisme in de Sovjet-Unie en het conflict in Irak veranderden de krachtsverhoudingen in de regio. Op 15 februari 1999 werd Öcalan in Kenia door de Turkse geheime dienst opgepakt en naar Turkije getransporteerd, waar hij momenteel op het eiland Imrali een levenslange gevangenisstraf uitzit.

In de gevangenis maakt Öcalan een kritische balans van de geschiedenis van de PKK op en onderwerpt hij zijn opvattingen van de voorbije decennia aan een diepgaande zelfkritiek. In een tekst uit 2004 komt hij tot de volgende conclusie:

‘Met een partijlijn die zich tussen het reëel bestaande socialisme en nationale bevrijding opstelde, slaagde de PKK vanwege van externe repressie en grote eigen onvolkomenheden er niet in zijn ware potentieel te ontplooien. Zijn praktijk bestond half uit opstanden en half uit guerrillastrijd en leidde naar zinloze verliezen. In toenemende mate hebben gangsterachtige praktijken ertoe geleid dat de met grote inspanningen ontwikkelde waarden met de voeten getreden werden en dat de beweging naar de rand van de afgrond gevoerd werd. Ondanks alle tegengestelde ambities had de PKK zich sedert 1995 ver van zijn oorspronkelijk karakter verwijderd.’


Paradigmaverandering

Öcalan tracht de oorzaken van de mislukking te doorgronden, in de hoop de partij op nieuwe sporen te zetten.‘We hebben ons niet goed kunnen informeren over de situatie van de linkse bewegingen in het laatste kwart van de twintigste eeuw, over de culturele bewegingen, het feminisme en de ecologische initiatieven. Ook begrepen we niet ten volle de betekenis van de civiele maatschappij en de strijd voor mensenrechten. Programma, organisatie, strategie en tactiek van de PKK werden in verregaande mate door het reëel bestaande socialisme en de nationale bevrijdingsbewegingen beïnvloed. De correcties die we op de congressen doorvoerden hadden slechts betrekking op het tactische niveau. De fundamentele paradigma’s werden niet veranderd. De analyses waren weliswaar veel diepgaander, maar het gebrek aan een nieuw paradigma verhinderde een radicale verandering. Steeds weer benaderden we de maatschappelijke ontwikkeling op een schematische manier. Onze kijk op natuur en maatschappij was dogmatisch. We hadden de mentaliteit van de middeleeuwen overwonnen, maar stereotiepe reëel socialistische denkschema’s verhinderden de waarneming van de realiteit in al zijn rijkdom en het ontstaan van een creatieve theorie over natuur en maatschappij. Een extreme concentratie op de politieke en militaire aspecten verengden de persoonlijkheid tot één dimensie. Daardoor werden de verhoudingen in een hiërarchisch systeem geperst. De waanzin van de macht breidde zich uit als een ware epidemie. Men schoof naar de achtergrond dat er een revolutie voor de vrijheid en gelijkheid van de volkeren plaatsvond en dat daarvoor een democratisering noodzakelijk was. Alle verhoudingen kregen een politiek-militair karakter. Het was toch al één van de fundamentele afwijkingen van het reëel bestaande socialisme om deze stijl, die in een militair kader een zin kan hebben, op de gehele bevolking over te dragen.

In elk geval bestond er ook nauwelijks interesse voor nieuwe theoretische modellen en een paradigmaverandering. Dit kan misschien verklaard worden door de angst dat de eigen opvattingen verkeerd zouden kunnen zijn en dat men terugdeinsde voor de consequenties die dit kon hebben.

Bovendien maakte de ineenstorting van de Sovjet-Unie een nieuwe benadering van het socialisme noodzakelijk. Onze belangstelling voor de kwestie van de vrouw en voor de milieuproblematiek was weliswaar toegenomen, maar onze theoretische verdieping bleef beperkt. Een meer realistische benadering van de etniciteit had tot een breuk met de economistische en met de bekrompen, op klasse georiënteerde tendensen kunnen leiden en had een communaal en democratisch perspectief kunnen ontwikkelen. Er bestond weliswaar een belangstelling in deze richting, maar die was niet krachtig genoeg om de bestaande stagnatie te overwinnen. De PKK was eigenlijk het jaar 2000 binnengetreden met het paradigma van de jaren 1970. Dat was weliswaar niet volledig mislukt, maar zijn functie was voor het grootste gedeelte verloren gegaan.’

Öcalan benadrukt nogmaals dat niet alles negatief was en dat de partijstichting niet volledig zinloos geweest was, maar dat er zich niettemin een heroriëntering opdringt. Hij formuleert vervolgens ‘in naam van de PKK’ een zelfkritiek op enkele fundamentele opvattingen.


Partijopvatting

Op de eerste plaats onderwerpt Öcalan de partijopvatting aan een kritisch onderzoek. De moderne partijen, zoals we ze momenteel kennen, zo merkt hij op, ontstonden voornamelijk in de ontwikkelde kapitalistische landen van de 19de en 20ste eeuw. Ze baseerden zich op diens klassen en sociale categorieën. De belangrijkste bedoeling van deze partijen, zo vervolgt hij, is het veroveren van de staat. Ofwel met revolutionaire methoden ofwel door middel van verkiezingen. Elke partij wil een plaats in het parlement en in de regering verwerven. Deel van de staat te worden, ja, zelf staat te worden, staat gelijk aan vooruitgang. ‘We zouden kunnen zeggen,’ zo stelt Öcalan, ‘dat ook in de oorspronkelijke opvattingen van de PKK een tendens tot “staat worden” voorkwam. Het was een onuitgesproken fundamentele stelling dat alle verwachtingen door de staat ingelost zouden worden, ofwel door de verovering van de bestaande staat ofwel door de uitbouw van een nieuwe staat volgens onze opvattingen.’ Alle activiteiten beoogden uiteindelijk het verkrijgen van een staat. ‘Hoe dikwijls men ook in de theorie sprak over een klassenloze communistische maatschappij zonder uitbuiting, toch ging men ervan uit dat daarvoor een langdurige “dictatuur van het proletariaat” nodig zou zijn. Het centrale doel van de staat deelde de PKK dus met alle partijen van de twintigste eeuw.’ Of het daarbij om een Koerdische staat ging of om een staat met een etiket van een andere natie of een ander land, verandert daarbij niets wezenlijks. Van doorslaggevende betekenis is, zegt Öcalan, of we een staat in het middelpunt geplaatst hebben of niet. ‘Omdat dit wel degelijk het geval was, was het niet meer dan logisch dat het “staat worden” zijn stempel drukte op persoonlijkheid, organisatie en werkwijze en elke praktijk en alle ondergeschikte doelstellingen bepaalde.’ Vervolgens trekt Öcalan een vergaande conclusie: ‘Van partijen die beogen staat te worden, kunnen we niet verwachten dat ze het ideaal van vrijheid en gelijkheid  verwezenlijken. Integendeel, het lijkt bewezen dat ze er nog verder van wegleiden. Het middel om deze tegenstelling op te lossen, is het opgeven van de oriëntatie op de staat.’

Wanneer staat synoniem is voor onvrijheid en ongelijkheid, dan dient men een op de staat gerichte partij principieel af te wijzen. ‘Ik ben van mening,’ zegt Öcalan, ‘dat het volkomen verkeerd is een partij in naam van de staat te zijn of een partij op te richten om een staat te veroveren. Een oprechte zelfkritiek en het afwijzen van dergelijke partijen is het beste dat we kunnen doen.’ Klaar en duidelijk stelt Öcalan: ‘Het doel van de staatsvorming en de idealen van vrijheid en gelijkheid sluiten elkaar uit. Het ene vereist de verdringing van het andere.’ En om elk misverstand te vermijden herhaalt hij nogmaals: ‘Om vrijheid en gelijkheid te verwerven kunnen we niet rekenen op de staat, die in de traditie van de hiërarchische klassenmaatschappij staat. Het was een grote fout dat het socialisme op de staat rekende om zijn talrijke idealen te verwezenlijken.’ Dat is een les uit de geschiedenis van de twintigste eeuw.


Macht en geweld

Het antwoord op de vraag waarom men, ondanks alle desastreuze gevolgen, toch steeds weer op de staat rekende, heeft volgens Öcalan te maken met de macht, die er de kern van vormt. We dienen dus de politieke macht te analyseren, zo besluit hij. Wat hij daaronder verstaat lijkt zowel de macht in zijn algemeenheid te beduiden als de personen die aan de macht zijn, dus zowel ‘macht’ als ‘machthebbers’, en soms beide samen.

Wat is macht? ‘Sedert de eerste hiërarchische klassenmaatschappijen trekken enkele brutale en achterbakse groepen het meerproduct en de meerwaarde, die door de maatschappijen via moeizame arbeid verkregen werden, naar zich toe. De staat is het geheel van instellingen en regels die deze toe-eigening mogelijk maakt. De macht functioneert als activiteit van deze groepen die deze instellingen en regels voor eigen profijt inzetten.’ Dat de macht zo aantrekkelijk is dankt ze vooral aan het voordeel over de geaccumuleerde maatschappelijke waarden te beschikken. ‘Politieke macht betekent instellingen, regels, sterkte en methodes te bezitten om de opgehoopte rijkdommen nog te vergroten. Met mooie woorden beloven dat men door deze macht vrijheid, gelijkheid en ontwikkeling zou verwerven, betekent zichzelf, de omgeving en de maatschappij bewust of onbewust te bedriegen en af te leiden. De macht maakt geen revolutie, en ze brengt ook geen verandering. De macht rooft en verdeelt.’

Heel de geschiedenis van 150 jaar socialisme is gebouwd op het paradigma van het veroveren van de staatsmacht. Zeventig jaar ‘reëel bestaand socialisme’ bewijzen volgens Öcalan dat de stellingen over de macht van de partij verkeerd waren en dat het socialisme niet op die manier bereikt kan worden. ‘We kunnen daarom besluiten,’ zo schrijft Öcalen, ‘dat de ambitie staat en staatsmacht voor bevrijding, vrijheid en gelijkheid in te zetten, niet naar het doel leidt, maar er verder van weg voert.’ Er dienen dus nieuwe modellen voor partijen en bondgenootschappen ontwikkeld te worden.

In verband met de problematiek van de macht werpt Öcalan de volgende vragen op: Waar halen de politieke machthebbers hun enorme kracht vandaan? Hoe slagen ze erin waarden naar zich toe te trekken? Deze vragen leiden naar het brute geweld als basis van de macht en haar manifestatie in oorlogen. We mogen niet vergeten, zo waarschuwt Öcalan, dat de basis van de staat, en bijgevolg van de macht, niet de maatschappelijke rede is, maar geweld en oorlog. ‘Staat en macht ontstonden niet als instrumenten om maatschappelijke problemen op te lossen. Wanneer we geen onderscheid maken tussen de probleemoplossende commune en staat en macht als kwalen van heerschappij en uitbuiting, dan raken we hopeloos verward.’

In feite, stelt Öcalan, berust de staat, net als in zijn ontstaansperiode, op oorlog. De oorlog is de basis van de macht. ‘Daarom kunnen partijen, zelfs met de beste bedoelingen, de hoop op vrijheid en gelijkheid alleen ontmoedigen als ze de staat als instrument van haar verwezenlijking opvatten.’


Democratie

Wanneer daarom partijen voor vrijheid en gelijkheid ijveren, dienen ze zich af te stemmen op politieke en maatschappelijke vormen waarbij de staat niet in het middelpunt staat. Het alternatief voor de staat is democratie. Tot nu toe, zo stelt Öcalan, zijn alle pogingen om de staat met ondemocratische alternatieven uit te dagen, mislukt. ‘Buiten de democratie bestaat er geen systeem dat de staat begrenst, juridisch beperkt, inperkt en verkleint. Een staat vernietigen betekent geenszins dat de staatscultuur vernietigd wordt. Onmiddellijk wordt er op zijn plaats een nieuwe opgericht, of een andere staat vult de leemte. Alleen democratie deelt met de staat het veld en vergroot het bereik van maatschappelijke vrijheden, waardoor ze de staat inperkt. Ze kan de waarde die hij in beslag genomen heeft enigszins reduceren en iets dichter naar de toestand van gelijkheid leiden.’

Öcalan merkt daarbij op dat hij democratie, zoals zo dikwijls gebeurt, niet opvat als een vorm van de kapitalistische staat. ‘Ik zou democratie willen definiëren als de toestand waarin de maatschappij, die zich buiten de staat ophoudt, zichzelf bestuurt. Democratie betekent de capaciteit van gemeenschappen om zich zonder staat te besturen.’ In tegenstelling tot wat algemeen gedacht wordt heeft, volgens Öcalan, de menselijke maatschappij sedert haar ontstaan tot op de dag van vandaag minder in staten dan in democratieën geleefd. De oorspronkelijke vorm van de maatschappij was communaal en democratisch, zo stelt hij. Het is niet mogelijk een maatschappij zonder communaliteit en zonder democratische reflexen, enkel en alleen via de staat, te leiden. ‘De staat,’ vervolgt Öcalan, ‘kan alleen heersen ten koste van het communale en de democratie. De bodem waarop hij ontstaan is en zich ontwikkelt is de communaliteit van de maatschappij en de democratische instellingen. Tussen beide bestaat er een dialectische relatie. Daarom treedt er bij de botsing van een maatschappij met de beschaving de fundamentele tegenstelling tussen staat en democratie op. Hoe minder er van het ene bestaat, des te meer bestaat er van het ander. Volkomen democratie is een toestand zonder staat. Volkomen heerschappij van de staat daarentegen betekent de afwezigheid van democratie. Daarom kunnen we besluiten dat de relatie tussen democratie en staat niet berust op vernietiging maar op verdringing.’

Wat is dan de belangrijkste functie van democratie? Öcalan: ‘In zoverre ze de staat inperkt, zijn uitwassen in de maatschappij begrensd, en in zoverre ze zijn tentakels snoeit, kan alleen de democratie de mogelijkheden voor vrijheid en gelijkheid vergroten. Uiteindelijk zal misschien de staat volkomen overbodig worden en afsterven.’

Met deze korte uiteenzetting wil Öcalan aangeven dat hij etatistische partijen geen optie vindt. Hij pleit voor democratische en socialistische theorieën, programma’s, strategieën en tactieken die niet de staat in het middelpunt plaatsen. Dat is de les die hij trekt uit de geschiedenis van het reëel bestaande socialisme, van de sociaaldemocratie en van de nationale bevrijdingsbewegingen.


Zelfkritiek van de PKK

Achter al het falen en al de onvolkomenheden van de PKK schuilt volgens Öcalan de klassieke etatistische partijopvatting. We begrijpen momenteel beter waarom zelfs het Sovjetcommunisme na 70 jaar tot een brutaal kapitalisme vervallen is: het heeft geen democratiseringsproces gekend. Een extreem etatisme heeft in de maatschappij de kiem van het totalitarisme gezaaid. Toen de druk opgeheven werd, bloeide de vroegere achterlijkheid weer op. ‘Toen dus de kaderleden van de PKK in een maatschappij die zich onophoudelijk op de rand van de afgrond bevindt, wapens en bijgevolg militaire en politieke macht in handen kregen, hadden zij moeten weten of op zijn minst moeten vermoeden dat ze de controle zouden verliezen en meedogenloze despoten konden worden.’ Öcalan stelt meewarig vast: ‘Alle instellingen die we gecreëerd hebben bleven ofwel volkomen ineffectief ofwel transformeerden hun leden tot kleine despoten.’

In de meeste vergelijkbare partijen bouwden politbureau en centraal comité een hiërarchisch machtsstructuur op en maakten ze zich onbereikbaar en onaantastbaar, omdat ze zich in de traditie van de staat plaatsten. Öcalan: ‘Staat zijn begint met autoriteit. Dit vereist een harde en kille benadering van mensen.’ Öcalan schrikt er niet voor terug zijn eigen persoon ter sprake te brengen: ‘Als iemand die aan de top van een dergelijke praktijk gestaan heeft, moet ik toegeven dat me dit erg zwaar viel. Ik heb nooit aan de vormen van de staat en aan het protocol kunnen wennen. Ik zwenkte innerlijk tussen staat en democratie, zat praktisch tussen twee stoelen. Toen de PKK groter werd heb ik het spel van de macht beter begrepen. En ik moet toegeven: het beviel me niet. De grootste strijd heb ik in feite gevoerd rond de vraag of ik me als een staatsman zou gedragen of niet. Vanaf 1995 beklemde me vooral het inzicht hoe ik me steeds weer van mijn doelstellingen verwijderd had.’

Bij alle kaderleden en in alle instellingen had er zich volgens Öcalan een ambtenarenkorps gevormd. Daarbovenop gaf men zich over aan gangsterachtige praktijken. ‘Hoge idealen waren op banaliteit uitgelopen,’ zo stelt hij vast. De waanzin om staat en macht te willen veroveren, leidde bij bepaalde individuen ronduit tot despotisme. Öcalan: ‘Ze poogden zelfs eenvoudige problemen met wapens op te lossen om hun machtswellust te bevredigen. Door in de schoot van de partij bendes te vormen, werden achterlijke elementen buitengewoon brutale typen. Hun manier van leidinggeven bestond erin de waardevolste kameraden in de rug neer te schieten, als waren het  hinderlijke vliegen. Dat was het toppunt van de terreur uit de meest schandelijke beweegredenen. Regelmatig grepen ze naar de methode de vrienden waar ze zich van wilden ontdoen op zelfmoord-missies te sturen. Dit soort verval werd natuurlijk pas zeer veel later opgemerkt. Macht hebben, commandant worden, dat was zeer aantrekkelijk geworden. Alles wat ze wilden, konden ze door dit soort macht verwerven. De eeuwige waanzin van de macht had op een kwaadaardige manier toegeslagen.’ De gevolgen voor de bevolking waren uiterst catastrofaal. ‘Zo werden zelfs loyale mensen die voor ons goud waard waren, ten gronde gericht. Bij acties werden er dingen gedaan die nooit hadden mogen gebeuren.’ Tot in den treure herhaalt Öcalan: ‘De oorzaak van al deze negatieve ontwikkelingen lag duidelijk in de fundamenteel op de staat georiënteerde aard van de partij.’


Nationale bevrijding

Vanaf de oprichting van de PKK speelde het beginsel van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren een grote rol. De interpretatie ‘elke natie zijn eigen staat’ gold als de enig juiste. ‘Als een quasi-religieus gebod hebben we van buiten geleerd dat de weg naar natievorming over een nationale bevrijdingsstrijd liep.’ De klassiekers van het socialisme schreven dit voor en de eigentijdse oorlogen leken dit te bevestigen. ‘Oorlog was een heilig begrip geworden, dat voor ons belangrijker was dan de jihad voor moslims,’ zo ziet Öcalan momenteel in. Blijkbaar was men ook hierin tot de waanzin van het dogmatisme vervallen. Öcalan trekt er een fundamentele conclusie uit:

‘Wanneer we de oorlog als fenomeen analyseren, dan is het een waanzin die eigenlijk niet met de menselijke maatschappij verzoend zou mogen worden. Afgezien van de onontkoombare verdediging is geen enkele vorm van oorlog acceptabel. Zijn wezen is kwaadaardig en roofzuchtig. Onverschillig achter welk masker men hem ook mag verbergen … diefstal, heerschappij en plundering horen tot zijn natuur. Hij berust op de overtuiging om elk recht via verovering te kunnen verwerven. Daardoor betekent oorlog de grootste catastrofe en de grootste gesel voor de menselijke samenleving. We hadden niet in zijn hele draagwijdte ingezien dat oorlog überhaupt alleen zin kan hebben wanneer er geen andere weg meer open is om het leven, de vrijheid en de waardigheid te behouden. Wat we onder nationale bevrijdingsoorlog verstonden, betekende nu eenmaal eerder verovering. Maar al te gemakkelijk kon ze de legitieme verdediging overstijgen en getransformeerd worden tot een wraakactie en een wederzijdse aanval. Daar maakten wij ons toen geen zorgen over.’

‘Men kan niet zeggen dat deze oorlog niets positiefs voortgebracht heeft,’ zegt Öcalan. ‘Maar dat we hem als de enig mogelijke weg opgevat en toegepast hebben, heeft tot vele zinloze verliezen geleid en tot de mislukking van andere strijdmethodes.’ Om te besluiten: ‘Een eengemaakte natie, een complete staat kon niet het grootste ideaal zijn. De kwestie van de democratie zou voorrang moeten krijgen op het leven onder het dak van een staat. Oorlog was niet de enige weg tot dit doel; ten hoogste zou een verdedigingsoorlog zin gehad hebben. Dan zouden verschillende vormen van organisatie en solidariteit beter mogelijk geweest zijn. Zo had men vrijheid en gelijkheid kunnen verwezenlijken, zonder tot zowel het nationalisme van de onderdrukkende als tot dat van de onderdrukte natie te vervallen en zonder separatisme en geweldexcessen toe te staan.’


Een communaal en democratisch perspectief

Öcalan vat zijn kritiek op de oude structuren van de PKK in drie punten samen:

‘Ten eerste hebben we de partij als op de staat georienteerd gedefinieerd en opgevat als middel om een staat te verkrijgen, alhoewel er een dialectische tegenstelling tussen het beoogde doel van een staat en de ontwikkeling van democratie, vrijheid en gelijkheid bestaat. De PKK heeft zich van deze opvatting niet werkelijk kunnen bevrijden.

Het tweede punt van de zelfkritiek betrof de blik op de macht. Een partij die gericht is op het verwerven van macht zal de democratisering van de maatschappij steeds belemmeren in plaats van haar te bevorderen. Kaderleden van een dergelijke partij zullen zich niet op het volk, maar op autoriteiten baseren of trachten zelf een autoriteit te worden, omdat het hen aantrekkelijk lijkt te profiteren van de deelname aan de macht. Door deze instelling werden drie belangrijke revolutionaire stromingen tot varianten van het kapitalisme. Reëel bestaand socialisme, sociaaldemocratie en nationale bevrijdingsbewegingen concentreerden zich op de macht in plaats van op de democratie. Zij werden daardoor vooreerst gecorrumpeerd en vervolgens in het kapitalistisch systeem geïntegreerd.

De derde zelfkritiek had betrekking op het thema oorlog. Zonder de aard van de oorlog te kennen, beschouwden we de oorlog als een heilig middel voor ons doel. Daarbij is elke oorlog een misdaad wanneer ze niet de levensnoodzakelijke zelfverdediging dient. Alle uitbuitersmaatschappijen uit de geschiedenis berustten op oorlog. Hun wetten en maatschappelijke instellingen waren op oorlog afgestemd. Alle rechten vloeiden voort uit een oorlogsoverwinning. Zo’n opvatting kan noch democratisch noch socialistisch zijn. Een socialistische partij had zich niet op een staat mogen concentreren noch zich op de oorlog als basis voor deze staat mogen afstemmen.’

Klaar en duidelijk stelt Öcalan: ‘We hebben een nieuwe definitie van maatschappijverandering nodig waarin staat, macht en oorlog niet centraal staan. Omdat macht en oorlog zowel de basis van het kapitalisme als de tot nog toe laatste klassenmaatschappij betekenen, moet een partij die de opheffing van het kapitalisme nastreeft, ook macht en oorlog als basis van de maatschappij uitsluiten. Dat is alleen mogelijk indien de communale levenswijze en de democratische kern van de maatschappij als uitgangspunt voor de transformatie in een democratische, vrije en egalitaire maatschappij genomen worden.’

In een nota over zijn eigen persoon legt Öcalan in enkele regels uit waar het hem om te doen is: ‘Het gaat om de oriëntatie van een zieke maatschappij naar een gezonde. En om de oriëntatie van een in de hoek gedrongen, vet geworden, volledig van de natuur vervreemde, in zekere zin door kankergezwellen aangetaste, tot in het absurde verstedelijkte maatschappij … naar een ecologische maatschappij. Van een maatschappij met een door en door autoritaire en totalitaire staat naar een communaal-democratische, vrije en egalitaire maatschappij.’

Hoe de weg naar een dergelijke maatschappij van de toekomst volgens Öcalan dient te verlopen, dat zou het thema van een volgend artikel kunnen vormen.



[*] Abdullah Öcalan, Jenseits von Staat, Macht und Gewalt: Verteidigungsgeschriften, Keulen, 2010/2015 (Internationaal initiatief: vrijheid voor Abdullah Öcalan, vrede in Koerdistan)