ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > Strijd tussen uitvoerende en wetgevende macht
  november 2016 [15]


RADICALISERING VAN DE DEMOCRATIE: Macht, politiek, het volk en de PKK

Door Joost Jongerden

Vertaling van ‘Radicalising Democracy: Power, Politics, People and the PKK, 17.03.2015 door Ronald de Vries


Samenvatting

In 2005 kondigde de Partiya Karkêren Kurdistani (Koerdistaanse arbeiderspartij, PKK) aan dat het de natiestaat als een belemmering op de weg naar vrijheid beschouwde en dat haar strategisch doel niet de vestiging van een staat was, maar van een onderling verbonden netwerk van raden als de basis van zelfbepaling en een nieuwe manier om samen te leven. Het doel van dit artikel is om de manier waarop de PKK politiek zoals zich die zich in de jaren 2000 ontwikkelde begrijpt, te bespreken en uit te leggen aan de hand van twee concepten: ‘democratische autonomie’ en ‘democratisch confederalisme’. In dit artikel plaats ik deze concepten in een historisch en vergelijkend perspectief en in een context van bredere discussies in de politieke en sociale wetenschappen.

Wat betreft de historische dimensie, zal ik laten zien hoe de ideeën en praktijken van democratische autonomie en democratisch confederalisme zich verbinden tot een tegenstroom in de politieke geschiedenis, waarbij ik verwijs naar het Hellenistische model. Dit model staat voor participatief democratische vormen van politiek, gebaseerd op actief burgerschap. Aangaande de hedendaagse dimensie, heb ik de aandacht gericht op de overeenkomst tussen aan de ene kant de ideeën en praktijken van de PKK over democratische autonomie en democratisch confederalisme en anderzijds experimenten en ervaringen elders, in het bijzonder verwijzend naar de EZLN in Mexico en MST in Brazilië.

De centrale vraag in deze bijdrage is hoe deze concepten zinvol zijn in de context van de politieke theorie en hoe ze de potentie hebben om fundamentele tekortkomingen in de moderne democratie aan de orde stellen. De gegevens zijn verzameld door onderzoek naar primaire bronnen en interviews.


Inleiding

In zijn basisprogramma van 1978 gaf de Partiya Karkêren Kurdistani (PKK) te kennen een enkele [verenigde], onafhankelijke staat, ‘Koerdistan’ te willen vestigen. In de loop van de tijd kwam hier verandering in. In 2005 kondigde de PKK aan dat het de natiestaat als een belemmering op de weg naar vrijheid beschouwde en dat haar strategisch doel niet de vestiging van een staat was, maar van een onderling verbonden netwerk van raden als de basis van zelfbepaling en een nieuwe manier van samenleven. [PKK, 2005, p.  175]. “Vechten en sterven voor grenzen is een Europese ziekte uit de 19e en 20e eeuw”, zei Salih Müslüm, hoofd van de Partiya Yekîtiya Demokrat (PYD), de zusterpartij van de PKK in Syrië.  “Het radenmodel van verbondenheid, is het model voor de toekomst”, zo verklaarde hij [Müslüm, toespraak voor het Vlaamse Parlement in Brussel, 19-9-2014].

Het doel van dit artikel is om de ideeën van democratische autonomie en democratisch confederalisme in de Koerdische context te bespreken en te laten zien hoe zij als praktijken de potentie hebben om de democratie radicaliseren. [1] De centrale vraag in deze bijdrage is hoe zinvol deze concepten zijn in de context van de politieke theorie en hoe ze de potentie hebben om fundamentele tekortkomingen in de moderne democratie aan de orde stellen. De gegevens zijn verzameld door onderzoek van primaire bronnen en interviews.


Radicale democratie

Hoewel doorgaans afgeschilderd als een guerilla-/gewapende organisatie, moet de PKK niet getypeerd worden in militaire (of soortgelijke) termen, aangezien het primair een politieke organisatie is, ertoe gedreven om geweld te gebruiken in omstandigheden waarin er geen (legaal toegestane) alternatieve weg bestond om echte politieke standpunten te verwoorden [Bozarlan, 2004, p. 23; Jongerden en Akkaya, 2011, pp.168-9]. Militanten die tegenwoordig actief zijn binnen de PKK, verwijzen ook niet naar de beweging als een militaire of rebellenbeweging zoals één van deze miltanten bijvoorbeeld onlangs zei:

Iedere aparte Koerdische beweging is een opstand, maar dat betekent niet dat de PKK een rebellenbeweging is. Dat is ze niet. De bewegingen vóór de PKK waren opstanden, zowel qua proces, doelen en algemeen accent, maar de PKK is veel meer dan dit; dus moet zij geen rebellenbeweging genoemd worden. De PKK is een politieke organisatie, een bevrijdingsbeweging. Door de PKK een rebellenbeweging te noemen, wordt dat verengd. [Interview met PKK militant E.D., 0608.2014]

Toen de PKK in 1978 als een politieke partij werd opgericht, had het de organisatiestructuur van een klassieke communistische partij. Als je de PKK-documenten leest, kun je twee politieke doelen onderscheiden die de beweging vanaf zijn ontstaan had. Het eerste was een progressieve realisatie van het recht op zelfbeschikking, het tweede een hereniging, of beter, het herstel van links, een herstel zowel opgevat in organisatorische als in ideologische termen. [Jongerden en Akkaya, 2012, p. 10]. Het organisatorische en ideologische perspectief binnen de PKK van een ‘radicale democratie’ ontstond in de jaren 2000 in drie verweven projecten: democratische republiek, democratische autonomie en democratisch confederalisme; elk hiervan wilde functioneren als een ‘strategisch apparaat’ als manieren waarop politieke eisen van de Koerden worden geherdefinieerd en georganiseerd [Akkaya en Jongerden, 2012, p. 22].

Het project voor een democratische republiek beoogde loskoppeling van democratie en nationalisme van demos en ethnos. Concreet resulteerde dit in het voorstel voor een nieuwe grondwet, waarin burgerschap niet wordt gedefinieerd of zelfs wordt opgevat in termen van etniciteit, maar meer in termen van burgerrepubliek en burgerrechten. Terwijl het project van de democratische republiek gaat over het karakter van de staat, beoogden de projecten van democratische autonomie en democratisch confederalisme een alternatief te ontwikkelen voor de op de staat georiënteerde politiek in de richting van een op het volk georiënteerde en emancipatorische politiek van verbondenheid. Deze politiek van verbondenheid is gebaseerd op een herijking van de scheiding tussen volk, macht en politiek en de poging om niet-verbondenheid aan de orde te stellen.

Het concept van democratische autonomie verwijst niet naar een vorm van sub-soevereiniteit toegekend aan instellingen binnen een soevereine staat, de overdracht van [beperkte] staatsfuncties en verantwoordelijkheden voor instellingen die een sub-staat vormen [Reyes & Kaufman, 2011], maar een nieuw fundament van de politieke status van het volk, meer op basis van zelfbestuur dan op de relaties van mensen tot de staat. [Duran Kalkan, persoonlijke gesprek, 28.10.2014]. De PKK onderscheidt zorgvuldig democratische autonomie en autonomie. “De meeste mensen verwarren democratische autonomie met autonomie”, bevestigt senior PKK-lid Cemil Bayik. “In feite is er geen relatie tussen die twee”, stelt hij [persoonlijk gesprek, 30.10.2014]. Vervolgens zegt Bayik dat daar waar autonomie de natiestaat als basis opvat, democratische autonomie gebaseerd is op democratisch confederalisme.

Democratisch confederalisme verwijst naar een sociale organisatie die gekenmerkt kan worden als een bottom-up systeem van zelfbestuur, in Turkije georganiseerd op het niveau van het dorp (köy), stedelijke wijk (mahalle) en district (bölge), waarnaar wordt verwezen als ‘Noord Koerdistan’ [Jongerden & Akkaya, 2013a]. “Het basisprincipe van democratisch confederalisme”, vervolgt Bayik, “is zelfbestuur door gemeenschappen”. Je kunt dus ook zeggen dat democratische autonomie te maken heeft met het vermogen en de capaciteit om controle te hebben [of te herwinnen] over politieke, economische en culturele instellingen, terwijl democratisch confederalisme verwijst naar het vermogen om te beslissen en te besturen. Het doel is niet om een staat te bouwen, maar om een democratische samenleving te ontwikkelen. ”Vijftig of honderd jaar geleden, was de staat klein en de maatschappij groot, maar tegenwoordig is de staat alles en de maatschappij niets’, zegt Duran Kalkan [persoonlijk gesprek, 28.10.2014]. Het project van democratische autonomie en democratisch confederalisme willen dit om keren, om de zelfbesturende capaciteiten van het volk te ontwikkelen en dus de democratie te radicaliseren.


Democratische autonomie en democratisch confederalisme: gisteren en vandaag

Het was Abdullah Öcalan die in het voetspoor van de werken Murray Bookchin het debat over democratische autonomie en democratisch confederalisme onder de Koerden aankaartte [Biehl, 2012, p. 10; Öcalan, 2008]. Bookchin onderscheidt twee ideeën over politiek, het Hellenistische en het Romeinse model die, leiden tot twee opvattingen over politiek en bestuur. Het Hellenistische model staat voor een participerende en gemeenschapsvorm van politiek, waarmee hij zich verwant voelt. Het Romeinse model staat voor een centralistische en statelijke vorm, die hij verwerpt [White, 2008, p. 159]. Het statelijke, gecentraliseerde Romeinse model kent een massa subjecten [Kropotkin, 1897], terwijl het Hellenistische model een actief burgerschap kent [Bookchin, 1991, p. 11]. Bookchin stelt dat het Romeinse model uitgroeide tot het dominante model in de moderne maatschappij en dat het de Amerikaanse en Franse constitutionalisten uit de 18e eeuw inspireerde. Het Hellenistische model bestaat als een tegen- en ondergrondse stroming die haar uitdrukking vond in de Commune van Parijs van 1871, de eerste raden [sovjets] die ontstonden in de lente van de revolutie in Rusland in [februari] 1917 [die later werden onderdrukt] en de Spaanse Revolutie in 1936-39.

De projecten van de PKK betreffende democratisch confederalisme en democratische  autonomie staan in deze rijke traditie van denken en doen in de politiek. Darow Schecter [1994, pp. 74-102] besprak de radenstroming binnen de communistische beweging, verwijzend naar Rosa Luxemburg, Antonio Gramsci en in het bijzonder Anton Pannekoek. Michael Hardt en Antonio Negri [Hardt & Negri, 2004], maar ook Hannah Arendt brengen de radenbeweging in verband met stromingen in de Amerikaanse Revolutie en het idee van “het burgerrecht op toegang tot de openbare sfeer domein” [Arendt, 1990/63, p. 127].

Volgens Arendt zijn de raden de verloren schat van de revolutie die een “geheel nieuwe regeringsvorm met een nieuwe publieke ruimte voor vrijheid, ingesteld en georganiseerd tijdens de loop van de revolutie zelf” [Arendt, 1990/63, p. 249]. Historisch zijn deze raden tot stand gebracht in de revoluties in Amerika, Frankrijk, Rusland en Spanje; vandaag de dag zijn ze tot leven gewekt in Koerdistan onder de paraplu van de Koma Civakên Kurdistan (Associatie van Gemeenschappen in Koerdistan, KCK), gecoördineerd in Turkije door het Kongreya Civaka Demokratîk (Democratische Maatschappijcongres, KCD) en in Syrie door de Tevgera Civaka Demokratîk (Democratische Maatschappijbeweging, Tev-Dem).

Het idee van radicale democratie van de PKK kan worden bekeken vanuit een historisch perspectief, maar kan ook vergeleken worden met hedendaagse sociale bewegingen of projecten elders. Een paar voorbeelden zouden kunnen volstaan om een indruk te geven van de bredere horizon. De PKK en de Ejército Zapatista de Liberación National (Zapatista Leger van Nationale Bevrijding, EZLN) [Gambetti, 2009; Kucukozer, 2010] lijken vooral als politiek project sterk op elkaar. De democratische autonomie en het democratisch confederalisme zoals ontwikkeld in Koerdistan lijken duidelijk op de creatie van autonome gemeenschappen door de Zapatistas in Chiapas (zuidelijk Mexico) [Stahler-Sholk, 2000] wat ook geldt voor haar gehechtheid aan autonomie als een bottom-up ontwikkeling van zelforganiserende en besturende vermogens. Net als de huidige PKK zegt de EZLN niet de macht te willen overnemen [in de zin van staatscontrole], maar wil ze alternatieven ontwikkelen voor de soevereine macht van de staat door het scheppen van een netwerk van praktijken waardoor zelfbestuur kan ontstaan. Net als de PKK stellen de Zapatistas zich dit zelfbestuur voor in de vorm van volksvergaderingen die niet alleen bestuursorganen zijn, maar ook ruimtes van beraadslaging met ter verantwoording te roepen en afzetbare gedelegeerden en het “opperen van de mogelijkheid van de permanentie van de heerschappij van allen” [Reyes & Kaufman, 2011, p. 516].

We kunnen ook verwantschap zien met de socio-politieke strijd van de (voornamelijk Braziliaanse) Movimento dos Trabalhadores Rurais Sem Terra (Beweging van Landloze Boeren, MST) om de relatie tussen het volk  en de staat te transformeren en het idee van het actieve burgerschap te ontwikkelen [Wittman, 2009]. Meer in het algemeen kunnen we de recente massale straatprotesten en bezettingen door milieu-activisten en anti-globalisten opmerken (in het bijzonder met de anti-G8 demonstraties en rellen in Seattle in 1999) die uitmondden in de Occupy-beweging. Hierbinnen zag je ook de opkomst van spontane volksvergaderingsbewegingen (bv. in Instanboel, 2013) die het beeld van eerder bestaande platforms voor directe democratie oproepen (bv. de Beweging van Volksvergaderingen, in het Verenigd Koninkrijk).


Macht, volk en politiek

Het project van radicale democratie van de PKK en het idee van radendemocratie of zelfbestuur (democratisch confederalisme) en de ontwikkeling van autonomie pakt drie problemen aan: de scheiding van soevereine macht en volk, de scheiding van de mensen van elkaar en de scheiding van macht en politiek.

1. De scheiding van soevereine macht en volk
In de vroegmoderne (18e eeuw) opvatting werd democratie beschouwd als bestuur van iedereen door iedereen. Toch is de manier waarop het idee van democratie werd geïnstitutionaliseerd als “bestuur door functionarissen die verantwoording verschuldigd zijn aan en afgezet kunnen worden door de meerderheid van het volk” hier ver van verwijderd [Hardt & Negri, 2004. Arendt stelt dat “vertegenwoordigend bestuur in feite tot oligarchisch bestuur is geworden [….] hoewel niet in de klassieke zin van bestuur door weinigen in het belang van weinigen; wat we vandaag de dag democratie noemen is een vorm waarbij weinigen verondersteld worden te besturen in het belang van velen” – zodat de burger maximaal kan hopen ‘vertegenwoordigd te worden’, waarbij een systeem van vertegenwoordiging een delegatie van belangen inhoudt [1990/63, pp. 268-9].

Natuurlijk heeft volgens Hardt en Negri vertegenwoordiging een tweeledige aard daar zij “tegelijkertijd verbindt en scheidt” [2004, p. 247]. Vertegenwoordiging betekent zowel een verbinding van vertegenwoordigden en vertegenwoordigers, als een scheiding van regeerders en geregeerden: “Als onze macht overgedragen wordt aan een groep regeerders dan regeren we niet langer en zijn we gescheiden van de macht en de regering” Hardt & Negri, 2004, p. 244]. De scheiding tussen volk en soevereine macht is een basis voor staatsvorming, beweren Hardt en Negri, terwijl ze democratisering definiëren als “iedere stap die de scheiding tussen vertegenwoordigers en vertegenwoordigden verengt” dus “het neutraliseren van het machtsmonopolie van de staat” heeft als gevolg dat democratie “van onderaf zou moeten worden opgebouwd” [Hardt & Negri, 2004, p. 251].

Voor Arendt kan dit ook meningsvorming betekenen ”in een proces van open discussie en openbaar debat”; mensen moeten proactief worden, het proces leiden, want het is niet voldoende als we louter “ondersteunen, terwijl handelen het privilege van de regering bleef”. [Arendt, 1990/63, pp. 268-9, 271]. Het is juist deze relatie die het hoofd van de PYD, Salih Müslüm bekritiseert, als hij stelt dat de relaties tussen de staat en het volk in het Midden-Oosten in de afgelopen decennia opgevat en gepraktiseerd werd in termen van een actieve staat met de mensen als objecten. Het nieuwe model van democratische autonomie en democratisch confederalisme is daarentegen gebaseerd op actief burgerschap met de mensen die als subjecten besluiten kunnen nemen en handelen, die debatteren over problemen en oplossingen door en voor het volk bepalen [Salih Müslüm op de ‘Conferentie over Nieuwe Modellen en een Oplossing voor de Koerdische zaak’, Vlaams Parlement, Brussel, 19-09-2013]. In dezelfde geest beweren Cemil Bayık en Duran Kalkan [persoonlijk gesprek, 30-10-2014] dat de verandering van paradigma onder meer een verandering van staatsopbouw naar maatschappijopbouw betekent en daarmee verbonden van het veroveren van de macht (iktidar als in staat of soevereine macht) naar de ontwikkeling van sociale zelfbesturende capaciteiten.

2. De scheiding van mensen van elkaar
Vertegenwoordiging houdt mensen niet alleen weg van de macht, maar maakt politiek van een publieke tot een privé aangelegenheid. Het stemhokje vertegenwoordigt een keuze in de privésfeer, omdat het is gebaseerd op het verlenen van stemrecht aan mensen als privépersoon. Deze relatie, zo stelt Arendt, wordt getransformeerd in die van een individuele verkoper tegenover een koper, terwijl politiek handelen confrontatie met anderen en meningsvorming inhoudt, waarbij een ruimte ontstaat waarin een verscheidenheid aan perspectieven over politieke onderwerpen kan worden gevormd [Sitton, 1987]. Het stemhokje voorziet niet in een openbare en politieke ontmoetingsruimte [Merrifield, 2011], maar alleen een ruimte voor privaat handelen en het verwoorden van keuzes (selectie uit een reeks alternatieven).

Volgens Arendt kan politiek handelen niet verengd worden tot het individuele recht te kiezen, omdat er een publiek engagement met anderen meespeelt en, zoals zij zegt, de betekenis van gezien en gehoord worden voortkomt uit het feit dat iedereen vanuit een andere positie kijkt en hoort. [Arendt, 1958, p. 55]. Voor Arendt is vrijheid, de vrijheid om te handelen als burgers en dat betekent om te participeren, te worden gehoord, te debatteren, meningen uit te wisselen en beslissingen te nemen. Vrijheid betekent daarom niet mensen de macht geven als privépersoon, maar mensen de macht geven als burgers door vorming van een openbare ruimte. En daarom verwijst Arendt naar een radendemocratie als een schat van de revolutionaire traditie, van de publieke ruimtes die mensen in de geschiedenis creëerden om hun mening te vormen en samen besluiten te nemen. [Arendt, 1990/63, p. 253]. Het is inderdaad zo’n systeem van radendemocratie dat werd begonnen door de KCK (door de KCD in Turkije en de Tev-Dem in Syrië).

3. De scheiding van macht en politiek
Democratische autonomie en democratisch confederalisme pakken het probleem van wat Bauman de scheiding van macht en politiek in de moderne maatschappij noemt aan [Bauman, 2007, pp. 1-2]. Macht, gedefinieerd als het vermogen om zaken voor elkaar te krijgen en politiek als vermogen om over de richting en doel van het handelen te beslissen, waren vroeger aanwezig in de natiestaat, maar zijn gescheiden. Een veranderende politieke economie – in het bijzonder de globalisering van het kapitaal in combinatie met het terugtrekken van functies die voorheen door de staat werden vervuld – heeft de nationale en formele politiek gemaakt tot “een voortdurende oefening in het beslissen wat gedaan moet worden – zonder feitelijk in staat te zijn het te doen”. [Roos, 2012]. Zonder het vermogen om zaken voor elkaar te krijgen, is verantwoordelijkheid niet meer dan een verzoek. Zonder het vermogen om te beslissen, kan er geen verantwoordelijkheid genomen worden. We kunnen zeggen dat het PKK-project van democratische autonomie gaat over het vermogen om te controleren, terwijl democratisch confederalisme over het vermogen om te beslissen gaat. Dit zou inhouden dat dit tweeledige PKK-project de belofte in zich draagt om macht en politiek weer te verbinden, niet in de context van het homogeniseren van de politiek van de natiestaat, maar in de vorm van een op een volksvergadering gebaseerde vorm van zelfbestuur.


Radicale politiek voorbij terugtocht en engagement

De ideeën van democratisch confederalisme en democratische autonomie kunnen een aantal ontkoppelingen tussen macht, het volk en politiek aan de orde stellen, maar kunnen ook het idee van radicale politiek veranderen. Radicale politiek is vaak bediscussieerd in de context van een dilemma tussen afstand nemen en engagement: afstand nemen van de gevestigde politieke vormen en instituten om alternatieven te ontwikkelen of een engagement met de gevestigde vormen en instituties om verandering door te voeren. In haar werk over het idee van radicale democratie creëert Chantal Mouffe een tegenstelling tussen de ideeën van exodus en engagement [Mouffe, 2013]. Exodus verwijst hier naar een vorm van politieke actie die bestaat uit een verwerping van en ontrouw aan de staat. Het heeft als voornaamste doel de ontwikkeling van een niet-statelijke publiek domein en een radicaal nieuw type democratie, gebaseerd op de constructie van en experimenten met vormen van zelf-vertegenwoordigende en buitenparlementaire democratie, georganiseerd rond raden. Deze exodus komt echter neer op een ontkenning, bedoeld om de betekenis van de staat in het dagelijks leven uit te hollen. Daarentegen onderscheidt Mouffe een politiek van engagement waarbij radicale politiek zich zou moeten engageren met instituten om ze te ontbinden, om ze te scheiden van bestaande verhalen en praktijken ten einde nieuwe te scheppen [Mouffe, 2013].

 De exodus is de strategie van Hardt en Negri, van de protestbewegingen die zeggen: “We willen niets met partijen, vakbonden en de bestaande instituties te maken hebben, omdat zij niet getransformeerd kunnen worden; we moeten ons verenigen en nieuwe levensvormen organiseren; we moeten democratie in het nu uitproberen, in actie”.

Dit is de positie van radicaal links. De tweede optie, de strategie die Chantal Mouffe voorstaat is het creëren van iets door ons te engageren met bestaande instituties en de politiek te transformeren van een arena van antagonismen, waarin de ander moet worden verslagen, in een strijd [agonism], waarin we op een positieve manier omgaan met verschillen en deze accepteren. [2] Dit is de positie van reformistisch links. In het project van democratische autonomie en democratisch confederalisme schijnt de PKK echter geen keuze te maken tussen terugtocht en engagement; zij creëert haar eigen alternatieven (de raden) terwijl ze zich engageert met bestaande instituten (de gemeente).

 Deze tweeledige positie van het ontwikkelen van de eigen alternatieven terwijl je je engageert met bestaande instituties, staat dicht bij wat Henri Lefebre “transductie” noemt [Lefebre, 2003]. Transductie is voor hem het zich verbinden met actuele praktijken en zich wortelen in de realiteiten van het moment, zonder de bestaande grenzen van de hedendaagse maatschappij echter te accepteren om zich te verbinden met bestaande gevechten en de bestaande orde te overstijgen. “We moeten nooit binnen de actualiteit gevangen blijven, we moeten altijd bewegen in de richting van het denkbeeldige, dat wat nog niet geactualiseerd is”, zegt Lefebre [Purcell, 2013, p. 320]. Dit vertegenwoordigt een radicaal engagement met het actuele zonder ons te beperken tot het bestaande.

De ontwikkeling van alternatieven brengt ons weer bij het verschil tussen autonomie en democratische autonomie zoals aangegeven door de senior PKK-leider Cemil Bayik. Autonomie is gebaseerd op de overdracht van (beperkte) staatsfuncties en verantwoordelijkheden aan instituties die een deelstaat vormen. Democratische autonomie verwijst naar praktijken waarin mensen de nodige en gewenste levensvoorwaarden door direct engagement en samenwerking met elkaar produceren en reproduceren in het politieke domein, maar ook in de economische en culturele domeinen. Dit idee van reproductie van de noodzakelijke en wenselijke voorwaarden voor samenleven wordt in het begrip “zelf-valorisatie” in de autonomistische Marxistische literatuur uitgedrukt.

Het concept van zelf-valorisatie werd ontwikkeld door Toni Negri in Marx beyond Marx [1991] die op een alternatieve manier Marx leest waarbij arbeid en niet kapitaal het primaat krijgt. Deze omkering van perspectief, die zo typerend is voor de autonome benadering van Marx, bracht het idee van “autonome praktijken” en “zelfactiviteit” in het centrum van de politieke debatten en analyses [Tronti, 1980] en “biedt een nuttig concept om onze aandacht  te richten op gevechten die verder gaan dan weerstand in de zin van verschillende soorten positieve, sociaal gevormde zelfactiviteit” [Cleaver, 1993]. Op vergelijkbare wijze vroeg de filosoof en pedagoog Ivan Illich aandacht om het leven weer op te eisen van de staat en z’n professionals door de ontwikkeling van autonome capaciteiten.

De ontwikkeling van de moderne maatschappij, zo stelde Illich [1977] gaat samen met een oorlog tegen autonome bestaansactiviteiten – waarbij we bestaansactiviteiten niet alleen in termen van de economische organisatie van het leven, waarop het denken van Marx vooral is gericht, moeten verstaan, maar ook van activiteiten die het menselijk leven dragen op andere terreinen. Hierbij kun je denken aan scholing en gezondheid, twee terreinen waarop Illich zijn aandacht heeft gericht, en het politieke, een thema dat Hannah Arendt aan de orde heeft gesteld [Arendt, 1990/63]. De negatieve functie van moderne instituties is het ondermijnen van de zelfhulp-capaciteiten en vermogens van mensen, het onderwerpen van menselijke productieve activiteiten aan het commando van professionals. Democratische autonomie betekent het weer opeisen van arbeid uit het domein van (ruil)waardeproductie en het leven uit handen van professionals en de ontwikkeling van zelfbesturende capaciteiten [Gibson-Graham e.a., 2013]. Net als het idee van de zelf-valorisatie van de Italiaanse autonome Marxisten en het idee van het ontwikkelen van autonome capaciteiten, is democratische autonomie zoals die ontwikkeld werd door de PKK niet zozeer een project van verzet maar van het scheppen van alternatieven. “Een revolutionaire beweging zijn, betekent opbouwen, niet afbreken”, zei Cemil Bayik in een recent interview [persoonlijk gesprek, 30.10.2014]. De opbouw van een nieuwe maatschappij, zo gelooft de PKK vandaag de dag, is gebaseerd op de ontwikkeling van nieuwe vormen van bestuur en regeren die de bestaande orde te boven gaan. Als zodanig is die niet gericht op vernietiging van de bestaand orde, maar op het irrelevant maken van die orde door het scheppen van alternatieven.


Conclusies

Democratische autonomie en democratisch confederalisme hebben het vermogen om fundamentele problemen van de vertegenwoordigende democratie, namelijk de scheiding van volk en macht, de scheiding van mensen van elkaar en de scheiding van politiek en macht aan te pakken. Ik heb dit potentieel onderzocht, onder meer verwijzend naar het werk van Antonio Negri en Michael Hardt, Hannah Arendt en Zygmunt Bauman. Ik heb ook aangegeven dat denken en werken volgens het idee van democratische autonomie en democratisch confederalisme samengaat met een herbezinning op progressieve politiek. Het gaat niet om een of/of keuze tussen terugtocht en engagement; het is een keuze voor transductie, het zich verbinden met bestaande gevechten, terwijl je beweegt in de richting van wat nog niet is gerealiseerd door het op te voeren.

Deze onderwerpen – de historische en hedendaagse dimensies van het PKK-project van democratische autonomie en democratisch confederalisme, de herverbinding van volk, macht en politiek en het thema van de transductie – zijn hier alleen maar summier besproken. Het gaat hier niet om een uitgebreide behandeling, maar eerder om een schets van een mogelijke theoretische en empirische onderzoeksagenda. Het is echter duidelijk dat dat het denken in de sporen van democratische autonomie en democratisch confederalisme de potentie bezit om fundamentele gebreken in onze hedendaagse bestuursvorm aan te pakken en het idee van democratie te radicaliseren.


Bronnen

AKKAYA Ahmet Hamdi & Joost Jongerden, 2011. ‘The PKK in the 2000s: continuity through breaks’,  in: Marlies Casier & Joost Jongerden Nationalisms and Politics in Turkey: political Islam, Kemalism and the Kurdish Issue, Londen, 2011

-------------------------------------------------------, “Reassembling the Political: The PKK and the project of Radical Democracy”, European Journal of Turkish Studies (12), 2012

ARENDT Hannah, The Human Condition, Chicago, 1958  (De menselijke conditie,  Amsterdam, 2009)

----------------------, On Revolution,  Londen, 1990/63 (Over revolutie, Amsterdam/Antwerpen, 2004)

BAUMAN Zygmunt, Liquid Times: Living in an Age of Uncertainty, Cambridge, 2007

BIEHL Janet, ‘Bookchin, Öcalan, and the Dialectics of Democracy’, 2012

BOOKCHIN  Murray, ‘Libertarian Municipalism: an overview’, oktober 1991

BOZARSLAN Hamit, Violence in the Middle East, from political struggle to self-sacrifice’, Princeton, 2004

CLEAVER Harry, ‘Kropotkin, Self-Valorisation, and the Crisis of Marxism’, 1993

GAMBETTI Zeynep,. ‘Politics of place/space: The spatial dynamics of the Kurdish and Zapatista movements’, 2009

GIBSON-GRAHAM, J.K., Jenny Cameron & Stephen Healy,  Take back the Economy: An ethical guide for transforming communities, Minneapolis, 2013

GROJEAN Olivier, ‘The Production of the New Man within the PKK’, 2014

GUNES Cengiz, The Kurdish national movement in Turkey: from protest to resistance,  Londen, 2012

GUNES Cengiz &  Welat Zeydanlioglu, ‘The Kurdish Question in Turkey: New perspectives on violence, representation and reconciliation’, 2013

HARDT Michael & Tony Negri, Multitude, New York, 2004

ILLICH Ivan, Disabling professions, London, 1977

IMSET Ismet, ‘The PKK: a report on separatist violence in Turkey (1973-1992)’, 1992

JONGERDEN Joost & Ahmet Hamdi Akkaya, ‘Born from the left: the making of the PKK’ in: Marlies Casier & Joost Jongerden (red.), Nationalisms and Politics in Turkey: political Islam, Kemalism and the Kurdish Issue,  Londen, 2011

--------------------------------------------------------, ‘Democratic Confederalism as a Kurdish Spring: The PKK and the Question for Radical Democracy’, 2013a

JONGERDEN, Joost &  Ahmet Hamdi Akkaya, PKK Üzerine Yazilar, Istanbul, 2013b.

KROPOTKIN Peter, The State: It’s Historical Role, 1897

KUCUKOZER Mehmet,  Peasant rebellions in the age of globalization: The EZLN in Mexico and the PKK in Turkey,  New York, 2010

LEFEBVRE Henri, The urban revolution, Minneapolis, 2003

MARCUS Aliza, Blood and Belief: the PKK and the Kurdish Fight for Independence, New York & Londen, 2007

MERRIFIELD Andy, Magical Marxism: Subversive Politics and the Imagination, Londen, 2011

MOUFFE Chantal, Hegemony, Radical Democracy, and the Political, 2013.

NEGRI Antonio, Marx beyond Marx: Lessons on the Grundrisse. New York, 1991

ÖCALAN Abdullah, ‘Prison Notes 18.06.2008’, 2008

PKK, ‘Kürdistan Devriminin Yolu’, 1978

PKK, Partiya Karkerên Kurdistan PKK Yeniden Inşa Kongre Belgeleri, Istanboel, 2005

PURCELL Mark, ‘The right to the city: the struggle for democracy in the urban public realm’, Policy & Politics, Vol. 41, nr 3, juli 2013

REYES Alvaro & Mara Kaufman, ‘Sovereignty, Indigeneity, Territory: Zapatista Autonomy and the New Practices of Decolonization’, The South Atlantic Quarterly 110(2), 2011a, pp. 505-525.

ROOS Jerome, ‘Beyond the vote: the crisis of representative democracy’, 2012.

SCHECTER Darrow, Radical Theories: paths beyond marxism and social-democracy, Manchester, 1994

SITTON John F, ‘Hannah Arendts pleidooi voor Radendemocratrie’, 2004 (vert. v. ‘Hannah Arendt's Argument for Council Democracy’,  1987)

STAHLER-SHOLK Richard, ‘A world in which many worlds fit: Zapatista responses to globalization’, 2000

TRONTI Mario, ‘The Strategy of Refusal’, 1980

WHITE Damian, Bookchin: A Critical Appraisal, Londen, 2008

WITTMAN Hannah, ‘Reframing agrarian citizenship: Land, life and power in Brazil’, 2009


Noten

[1] Zie hiervoor: Akkaya en Jongerden [2011, 2012], Grojean [2014], Gunes [2012], Gunes en Zeydanlioglu [2013], Imset [1992], Jongerden en Akkaya [2011, 2012, 2013a, b] en Marcus [2007

[2] Zie: ‘A Vibrant Democracy Needs Agonistic Confrontation’- An Interview with Chantal Mouffe, 22.07.2013