THENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > Strijd tussen uitvoerende en wetgevende macht
  november 2016 [15]



ZELFBESTUUR IN ROJAVA

Door Roger Jacobs


Een
ideologische omwenteling

Öcalan was de onbetwistbare leider van de Turks Koerdische verzetsbeweging PKK die bijna 20 jaar lang vanuit Syrië opereerde, in 1999 in Kenia ontvoerd werd en vervolgens in Turkije ter dood veroordeeld werd wegens hoogverraad. Onder Europese druk werd de doodstraf omgezet in een levenslange gevangenisstraf. Voor Öcalan bood het isolement van de cel op het Turkse gevangeniseiland Imrali de gelegenheid om zijn parcours van marxistisch-leninistische nationalist aan een kritische reflectie te onderwerpen. De Val van de Muur en de implosie van de Sovjet-Unie (een regime dat hem steunde in zijn gewapende strijd voor een onafhankelijk Koerdistan) hadden een diepe indruk op hem gemaakt. Zijn zelfkritiek lijkt gemeend en verregaand te zijn: het ideologisch dogmatisme, het linkse nationalisme en de gewelddadige strategie passeren allemaal de revue [zie  mijn artikel: ‘Het verrassende uit-de-kast-komen van de Koerden in Syrië’ en het artikel van Johny Lenaerts, ‘Voorbij staat, macht en geweld; de zelfkritiek van Abdulah Ocalan’ in dit nummer van ATHENE].

Wat dit laatste betreft betreurt hij de spiraal van bloedig geweld (er is sprake van 30.000-40.000 doden), terreur en illegale praktijken (drugshandel, afpersing en dwang-lidmaatschap) waartoe de confrontatie met de Turkse staat geleid heeft. Deze zelfkritiek resulteerde verrassenderwijze niet in de verwerping van het revolutionaire socialisme als zodanig. Wel vervangt hij de autoritaire variant daarvan door een libertaire: Murray Bookchins Libertair Municipalisme [zie ook het gelijknamige nummer van ATHENE, oktober 2002].

Wie was deze Murray Bookchin (1921-2006)? Een Amerikaanse autodidactische socialist van Joods-Moldavische origine, opgegroeid in een New Yorkse arbeidersbuurt, die reeds in zijn tienerjaren communist werd, maar vanaf het einde van de veertiger jaren evolueerde naar een ecologische geïnspireerd anarchisme (‘sociale ecologie’). De politieke theorie die hij daaraan verbond noemde hij eerst het ‘libertaire municipalisme’ (je zou dat kunnen vertalen als ‘gemeentelijk zelfbestuur’), op het einde van zijn leven gebruikte hij echter liever de term ‘communalisme’ (dat de beste elementen van marxisme, anarchisme en revolutionair syndicalisme pretendeerde te synthetiseren!).

Vanuit zijn persoonlijke ervaring als syndicalist stelde Bookchin vast dat de arbeidersklasse niet per se een revolutionaire rol hoefde te spelen in een kapitalistische context. Na de tweede wereldoorlog maakte hij het mee dat de Amerikaanse georganiseerde arbeidersklasse het op een akkoord gooide met de kapitalisten in ruil voor een min of meer comfortabel plaatsje onder de kapitalistische zon. Met de institutionalisering van het sociaal overleg, eerst in de V.S. en niet veel later ook in Europa, werd het bestaansrecht van de kapitalist en dus ook van het kapitalisme impliciet erkent. Exit de rol van doodgraver van het kapitaal die Marx aan de arbeidersklasse had toegeschreven. Bookchin wijdde er een vlot geschreven en veel gelezen (en nog steeds relevant) pamflet aan onder de titel ‘Listen, Marxist!’ (1969). 

In plaats van die interne doodgraver meent Bookchin echter een externe doodgraver van het kapitalisme op het spoor gekomen te zijn. In 1962 verscheen zijn boek ‘Our synthetic environment’ waarin gesteld wordt dat de kunstmatige omgeving die het naoorlogse kapitalisme creëert (in de vorm van grootschalige industriële landbouw en stedelijke waterhoofden) ernstige schade toebrengt aan de gezondheid van mens en natuur. Niet langer de tegenstelling kapitaal en arbeid maar wel die tussen kapitaal en natuur vormt de Achillespees van het kapitalisme. In latere geschriften werkte hij die basisgedachte verder uit. Daarin werd gesteld dat de idee van menselijke overheersing van de natuur slechts kon ontstaan vanuit de geleidelijke hiërarchisering van menselijke verschillen (mannen krijgen macht over vrouwen, ouderen over jongeren, priesters over leken, krijgers over werkenden, enzovoort.) en de meer recentelijke klassenheerschappij eigen aan het kapitalisme. Hiërarchie en klasse herleiden mensen tot gedweeë instrumenten in handen van andere mensen. Deze menselijke instrumentalisering werkt tevens de instrumentalisering van de natuur in de hand: mensen gaan denken dat ze de natuur naar eigen goeddunken kunnen gebruiken en misbruiken. Wat omgekeerd ook impliceert dat een meer respectvolle en harmonischer omgang met de natuur slechts mogelijk is in maatschappijen die niet langer op basis van die historische gegroeide hiërarchische patronen en klassenopdeling functioneren. De oplossing van de ecologische problematiek veronderstelt dus het terugdringen van alle ongelijke machtsverhoudingen (en dus ook van het kapitalisme). 

Dat terugdringen veronderstelde een politieke transitiestrategie die Bookchin vanaf het midden van de tachtiger jaren zou ontwikkelen, ook al in reactie op de electorale politiek van de toenmalige ‘realistisch geworden’ groene partijen. Hij was van mening dat de professionalisering van de politiek waarbij alle belangrijke beslissingen genomen worden door regeringskopstukken, partijbonzen en machtige lobbygroepen leiden tot een totale depolitisering van de bevolking. Burgers worden gereduceerd tot een manipuleerbare massa die zich van de weeromstuit gaan gedragen als wispelturige consumenten of rancuneuze klagers. Om dit te voorkomen, gaat hij op zoek naar een nieuwe openbare ruimte waarin zij weer een actieve rol kunnen spelen bij de vormgeving van hun sociaal-ecologische leefwereld. Die nieuwe ruimte ziet hij realiseerbaar in de ‘vrije gemeente’, verankerd in steden, stadswijken, dorpen en gehuchten. Het Libertair Municipalisme (LM) streeft dus naar de creatie van een overzichtelijke politieke gemeenschap in zelfbestuur waarbinnen gewone burgers alle zich aandienende belangrijke kwesties zelf bespreken en er beslissingen over nemen in volksvergaderingen. De realisatie van zulke volksvergaderingen staat dan ook centraal op de agenda van het LM. Bookchin suggereert ook een strategie van revolutionair reformisme: ingewilligde eisen en succesvolle strijdvormen vormen geen eindpunt maar moeten aangegrepen worden om de bestaande gemeentelijke tegenmacht van onderaf verder te verbreden en te verdiepen ten koste van de staatsmacht. Volksvergaderingen kunnen in den beginne opgestart worden binnen de manoeuvreerruimte die geboden wordt door het bestaande wettelijke kader. Eenmaal Wanneer hun draagvlak en slagkracht groot genoeg is, kan gestreefd worden naar hun wettelijke institutionalisering.

Het LM  streeft ook naar het in gemeentelijk beheer brengen (municipaliseren) van de economie in plaats van het in links socialistische en anarchistische kringen populaire ‘arbeiderszelfbeheer’. In de traditie van het communautaire socialisme is immers niet de onderneming maar wel de lokale gemeenschap de spil van een democratische samenleving. Niet de werkplaats is de belichaming van het algemeen maatschappelijke belang:  elk werknemerscollectief heeft er belang bij  de eigen kosten tot een minimum te herleiden door deze zoveel mogelijk door te schuiven naar andere bevolkingsgroepen, de maatschappij in haar geheel of - als externe kost - naar de natuur. Slechts de lokale gemeenschap levert de gemeenschappelijk noemer op die de scheidingslijnen binnen de bevolking via discussie kan overbruggen. In de Volksvergadering kunnen de arbeiders van de verschillende ondernemingen hun eigen belangen en eisen verdedigen naast die van andere bevolkingscategorieën. Maatschappelijke problemen worden aldus ‘gepolitiseerd’: alle geïnteresseerde en betrokken burgers kunnen er hun zeg over doen en via een meerderheidsbeslissing een oplossing aanreiken. De maatschappij wordt weer bestuurd door de ‘politiek’ (en niet door sociaal overleg of door technocratische planning), zij het dat deze in dit geval de vorm aanneemt van gemeentelijk zelfbestuur.

Om de problemen die de gemeentelijke grenzen overschrijden op te lossen, kunnen de gedemocratiseerde gemeentebesturen van een bepaalde regio een confederatie vormen en afgevaardigden sturen naar een confederale raad. Als steeds meer gemeenten in deze zin gedemocratiseerd worden dan kunnen hun confederaties op de duur zo sterk worden dat ze zichzelf in een duale machtpositie tegenover de macht van de natie-staat gaan plaatsen. De macht van die staat zal zo steeds verder uitgehold worden waardoor de mogelijkheid geopend wordt van een libertaire en ecologische maatschappij waarin de structurele macht volledig in handen ligt van de Volksvergaderingen van actieve burgers. Als hefboom voor deze verandering wordt de cruciale rol van een geschoolde groep geëngageerde burgers benadrukt die door middel van scholing en door hun deelname aan de lokale verkiezingscampagnes bovenstaande ideeën populair maken en een sterke LM-beweging organiseren.


‘Libertair municipalisme’ wordt ‘Democratisch confederalisme’

In zijn nieuwe benadering van de Koerdische emancipatiekwestie maakte Öcalan een diepgaande studie van de historische ontwikkeling van de Mesopotamische samenlevingen. Tijdens het schrijven van een boek daarover (waarvan de Engelstalige versie in 2007 zou verschijnen onder de titel ‘De wortels van de beschaving’) schijnt Öcalan kennis te hebben genomen van Bookchins hoofdwerk The ecology of freedom (1981). Dat maakte een blijvende indruk op hem. Die invloed wordt ook zichtbaar in een latere publicatie die in het Duits vertaald werd onder de titel Jenseits von Staat, Macht und Gewalt (2010, 2015). De Amerikaanse politieke filosoof en de Turks-Koerdische verzetsleider blijken beide talent te hebben als vertellers van goed onderbouwde en inspirerende ‘grote verhalen’ over de menselijke beschavingsgeschiedenis. Beiden beschouwen de dialectiek van overheersing (imperia en staten) en verzet (vrijheidsstrijd) als motor van de geschiedenis. Bovendien gebruiken ze de dialectiek niet als een methode om een onafwendbare historische afloop te voorspellen:  net zo goed als kapitalisme en natie-staat niét tot ontwikkeling hadden kunnen komen, zo is het succesvolle streven naar een ecologisch en democratisch samenlevingstype enkel een historische ‘mogelijkheid’. Op ‘kruispunten’ van de geschiedenis kan de mensheid verschillende wegen  inslaan: een ethische weg van meer menselijkheid maar ook een regressieve weg van meer barbarij.

In 2004 probeerde Öcalan via zijn advocaten contact op te nemen met de door hem zo bewonderde Bookchin. Deze laatste was ondertussen echter té ziek om op deze uitnodiging in te gaan en beantwoordde de uitnodiging met een formele beleefdheidsboodschap. Toen hij tenslotte in de zomer van 2006 stierf eerde de leidende vergadering van de PKK hem als ‘één van de grootste sociale wetenschappers van de twintigste eeuw’.

In 2005 had Öcalan een ‘Verklaring van Democratisch Confederalisme’ de wereld ingestuurd. De term Democratisch Confederalisme’ (ik gebruik in het vervolg de afkorting DC) is de Öcalan-variant van Bookchins Libertair Municipalisme: hij bedoelt ermee een basisdemocratische, ecologische en van sekse-ongelijkheid bevrijde maatschappij, oftewel simpelweg  een ‘democratie zonder staat’. In de Verklaring wordt het derde principe van het DC aldus verwoord: ‘Democratisch confederalisme is gebaseerd op participatie vanuit de basis. Haar besluitvormingsprocessen liggen bij de gemeenschappen. Hogere niveaus dienen enkel om de beslissingen genomen door de gemeenschappen, die hun afgevaardigden naar de algemene vergaderingen sturen, te coördineren en uit te voeren. Voor korte tijd zijn ze zowel spreekbuis als uitvoerende instellingen. Maar de fundamentele beslissingsmacht berust bij de lokale basisinstellingen’. Een recenter document is de ‘Oproep voor Democratische Autonomie (afkorting: DA) in Koerdistan’ dat in juli 2011 in omloop werd gebracht. Daarin wordt van de Turkse staat een soort gedoogbeleid gevraagd tegenover het streven naar regionaal zelfbestuur door de diverse etnische en religieuze groepen in de Koerdische regio van Turkije, maar niet enkel alleen daar. Er is sprake van de opdeling van Turkije in 25 autonome regio’s die elk een grote bevoegdheid zouden krijgen over de meest uiteenlopende beleidsterreinen waarbij de centrale overheid enkel nog zeggenschap zou hebben over economie (financiën), defensie en buitenlands beleid. 

In het door Koerden bewoonde grondgebied wordt het DC en de DA gepropageerd en in de praktijk gebracht door de koepelorganisatie KCK (Koma Civaken Kurdistan: Vereniging van Gemeenschappen in Koerdistan).  Deze KCK is een samenwerkingsverband van de Turkse PKK, de Syrische PYD, de kleine Iraakse PCDK (Partij voor een Democratische Oplossing in Koerdistan, die oppositie voert tegen de dominerende partijen KDP en PUK) en de Iraanse PJAK (Partij voor een Vrij Leven in Koerdistan). Omdat de illegale (want als ‘terroristisch’ omschreven) PKK de spil vormt van deze coalitie is samenwerking met de KCK momenteel een strafbaar feit in Turkije. De KCK heeft echter al een systeem van parallelle autoriteit in werking gesteld in drie oostelijke provincies van het Turkije (Diyarbakir, Hakkari en Sirnak). Naast de officiële instellingen van de Turkse representatieve democratie bestaat er in deze provincies een bottom-up administratief systeem met als basiseenheid de Volksvergadering. Volksvergaderingen vind je ook op het niveau van het dorp, de stadswijk, het stadsdistrict, de stad en de regio. Het hoogste federale niveau in Turks Koerdistan (‘Bakur’ in het Koerdisch) is het Democratische Maatschappij Congres (DTK). Dit bestaat voor 60% uit direct gekozen en afzetbare gemachtigden van de volksvergaderingen, terwijl de overige 40% afgevaardigden zijn van honderden middenveldorganisaties, zeg maar de Koerdische civiele maatschappij: vrouwengroepen, ecologische comités, coöperatieve ondernemingen, educatieve projecten, enzovoort. Ook afgevaardigden van religieuze minderheden (w.o. Armeense en Assyrische christenen) en experten allerhande hebben hun plaats in het DTK. Daarbij bestaat er een eigenaardige verstrengeling van de naast elkaar bestaande officiële representatieve democratie en de officieuze directe democratie. Voorbeelden hiervan zijn de officiële gemeenteraden die zich inzetten om beslissingen genomen door de wettelijk niet erkende volksvergaderingen uit te voeren. Nog een ander voorbeeld: de illegale DTK wijst kandidaten aan van de legale pro-Koerdische partij HDP (Democratische Volkspartij) die, eens gekozen, in het Turkse parlement gaan ijveren voor ‘democratische autonomie’.

Deze ontwikkeling van een duaal machtssysteem wordt met Argusogen gevolgd door de Turkse overheid. Met alle gevolgen van dien: duizenden Koerdische activisten zitten (sinds 2009) gevangen op beschuldiging van PKK/KCK lidmaatschap, in de wintermaanden van 2015-2016 bezetten de Turkse veiligheidsdiensten met dodelijk geweld verschillende Turks-Koerdische steden terwijl de (in 2015) gekozen afgevaardigden van de  legale  Koerdische HDP door de Turkse overheid constant geïntimideerd worden [zie ook het artikel: ‘Het verrassend uit-de-kast-komen’ van de Koerden in Syrië’ in dit nummer van ATHENE].


Syrische Koerden in het voetspoor van de PKK

In de tachtiger en negentiger jaren toen de PKK haar politieke hoofdkwartieren in de Syrische hoofdstad Damascus gevestigd had en haar militaire trainingskampen in de door Syrië gecontroleerde Libanese Bekaa-vallei  raakten ook duizenden jonge Syrische Koerden actief betrokken bij de strijd in Turks Koerdistan (Bakur). In Syrië zelf beperkte de PKK zich aanvankelijk tot vormingsactiviteiten in de Koerdische regio’s: vele Syrische Koerden gingen de strijd van de Turkse PKK daardoor opvatten als onderdeel van de Pan-Koerdische strijd voor een onafhankelijk Koerdistan. Vlak voor de uitwijzing van Öcalan en de PKK uit Syrië zou er dan ook een begin gemaakt zijn van de opbouw van een radicale Koerdische oppositiepartij in Syrië (waaruit enkele jaren later, in 2003, de PYD zou ontstaan) maar dat opbouwwerk moest na 1999 (jaar van de arrestatie van Öcalan) zeer omzichtig ondergronds voortgezet worden wegens de toenemende repressie door het Assad-regime. Vooral na de opflakkering van het Koerdische bewustzijn naar aanleiding van de voetbalopstand in Qamishli  trad het regime ongemeen hard en moorddadig op tegenover Koerdische opposanten die zich lieten inspireren door het PKK-model. [zie het artikel: ‘Het verrassende uit-de-kast-komen van de Koerden in Syrië’]

Het valt niet uit te sluiten dat deze repressie van de radicale Koerdische oppositie in Syrië in stilzwijgende samenspraak gebeurde met de Turkse staat en het Barzani-bestuur in het naburige Iraaks Koerdistan. Zo werden in november 2004 vier kaderleden van de PYD in de omgeving van Mosoel (Irak) vermoord. Regelmatig werden Koerden van straat gepikt en verdwenen in gevangenissen waar ze zwaar gefolterd werden of spoorloos  verdwenen. De periode tussen 2004 en 2011 wordt aangeduid als jaren van angst en repressie waardoor mensen zich gingen afkeren van politiek en zich terugtrokken in de private sfeer. Alleen vrouwen werden relatief ongemoeid gelaten en het is dankzij hun onvermoeibare en moedige organisatiearbeid dat het politieke netwerk rond de PYD zich kon blijven handhaven en zelfs versterken: de eerste raden en zelfverdedigingsgroepen (de kiemen van de latere YPG/YPJ) zagen toen reeds het levenslicht. In deze context speelde de Koerdische vrouwenorganisatie Yekitiya Star, opgericht in 2005, een sleutelrol (we komen hier straks op terug).

Toen de Arabische Lente in 2011 ook in Syrië voet aan de grond kreeg, moest de Koerdische bevolking al lang niet meer overtuigd worden van de legitimiteit van het protest tegen het Assad-regime. De ervaringen van de gewapende strijd in Turks Koerdistan indachtig  stelden de  militanten van de PYD zich echter terughoudend op ten aanzien van de  snelle militarisering van het conflict [zie ook de zelfkritiek van Öcalan in ‘Voorbij staat, macht en geweld; de zelfkritiek van Abdulah Ocalan’]. De legitieme eis voor een democratische regime-wisseling was uitgelopen op een ongenadige burgeroorlog waarbij de oorspronkelijke democratische oppositie in de marge gedrongen werd door min of meer fundamentalistische, Islamitisch geïnspireerde groepen die zelf gesteund en bewapend werden door landen met een weinig democratisch blazoen (onder meer: Saoedi-Arabië, Qatar en Turkije). Van zo’n oppositie (die zich in de eerste plaats als religieus en Arabisch opstelde) hadden de Koerden weinig goeds te verwachten. Deze oppositie wilde de Koerden wel gebruiken in hun strijd tegen het Assad-regime maar liet hen in het ongewisse over hun positie als etnische minderheid met een opmerkelijke religieuze tolerantie na de val van het oude regime. Vandaar ook dat de Koerdische beweging die op het PKK-spoor zat, zich uitsprak voor een (in mijn ogen: discutabele) eigen Derde Weg: noch met het regime maar ook niet met de oppositie. De PYD wil niet in de burgeroorlog betrokken raken, wel in de zelfverdediging: als de Assad-getrouwe troepen aanvallen, dan krijgen ze lik op stuk en worden ze terug gedrongen, maar er wordt niet gereageerd met tegenoffensieven of militaire operaties in niet-Koerdische gebieden. Zeker in de beginjaren van het conflict heeft dit de Koerden geen windeieren gelegd. Toen onder in samenspraak met en lichte aandrang van de Koerdische zelfverdedigingsmilitie YPG en lichte aandrang van haar kant de regime-getrouwe troepen van Assad zich in de zomer van 2012 terugtrokken uit de Koerdische kantons (en de Koerdische wijken van Aleppo) viel de gehele oude regeringsinfrastructuur bijna intact en met weinig bloedvergieten in Koerdische handen. En die Koerden beschikten, dankzij de lessen die hun strijdgenoten uit Bakur met veel vallen en opstaan hadden geleerd, over een ideologisch kompas om een politiek, economisch en maatschappelijk alternatief op te bouwen!


Democratische autonomie en democratisch confederalisme in Rojava

In het kielzog van de Arabische Lente in Syrië slaagden de georganiseerde activisten van het PYD netwerk erin om in enkele maanden tijd een radenorganisatie op te zetten in de voornaamste steden van de drie Koerdische kantons van Syrië (Efrin, Kobani en Cizire) alsook in de grote Koerdische wijken van Syriës economisch centrum Aleppo. De raden kregen moeilijker voet aan de grond in de wijken van Koerdische steden waar Arabieren, Assyriërs, Armeniërs en andere niet-Koerdische bevolkingsgroepen in de meerderheid waren of waar aanhangers

van de Koerdische partijen onder het voogdijschap van de Iraakse KRG het voor het zeggen hebben (bijvoorbeeld bepaalde wijken in de stad Qamislo). Ook de minder gepolitiseerde landelijke gebieden bleven langere tijd buiten bereik. Men schat dat in de zomer van 2011 ongeveer de helft van de toenmalige bevolking van Rojava (3,5 miljoen inwoners) kennis hadden van het radensysteem. Dit systeem, bestaande uit een verstrengeld netwerk van volksraden en commissies (uitvoerende organen) op verschillende niveaus, voelde zich in augustus 2011 sterk genoeg om het Democratische Confederalisme institutioneel vorm te geven door de oprichting van de Volksraad van West-Koerdistan (MGRK). Hiermee werd een stelsel van directe democratie geïntroduceerd dat pretendeerde (maar volgens sommigen is het een valse pretentie) open te staan voor alle bevolkingsgroepen en politieke partijen. Naast  politieke partijen (buiten de initiatiefnemer PYD schaarden zich nog 6 andere Koerdische partijen achter het radensysteem) werden ook allerlei middenveldorganisaties en individuen aangesproken om actief te participeren aan de werking van de Volksraad.

In de periode voor juli 2012 (de maand waarin de troepen van Assad zich terugtrokken  uit de Koerdische regio) balanceerde de werking van de Volksraad steeds op het randje van de illegaliteit omdat het oude Baath-regime officieel nog alle politieke, economische en maatschappelijke touwtjes in handen had. De effectieve werking van de Volksraad manifesteerde zich in de eerste plaats op het basis-niveau van de dorpen en de stadswijken. Zaken zoals conflictbemiddeling (rechtspraak), stratenonderhoud en ook veiligheid kwamen meer en meer in handen van volkscommissies naarmate de staatsmacht verder afbrokkelde en zich enkel nog om kerntaken bekommerde. De Koerdische activist Ercan Ayboga schrijft over deze periode:

“De tijd voor deze cruciale kentering bedroeg iets meer dan een jaar. Zo’n voorbereidingstijd is met het oog op de uitbouw van een volledig nieuw samenlevingsmodel op direct democratische grondslag heel kort. Desondanks kan een jaar voldoende zijn als zo’n ontwikkeling verwacht wordt en de daarmee overeenkomende voorbereidingen worden getroffen. Met de revolutie van 19 juli 2012 in Kobani was het zover. De MGRK werd de politiek doorslaggevende kracht in de bevrijde gebieden van Rojava. Van nu af aan moest het met zijn diverse structuren oplossingen bieden voor alle maatschappelijke problemen. Dat een groot deel van de bevolking , vooral in het kanton Cizire, nog niet betrokken was in dit proces maakte de situatie extra moeilijk. Als we rekening houden met deze voorbereidingstijd en het ten grondslag liggende maatschappijmodel dan is het duidelijk dat het radensysteem van Rojava niet zomaar een noodbestuur in (burger)oorlogstijd is maar
deel uit maakt van een politiek project” (Revolution in Rojava, 2015, 137).

Laat ons nu de officiële organisatiestructuur van de Volksraad onder de loep nemen (berichten over de concrete werking komt van journalisten en van geëngageerde bezoekers die slechts voor een korte tijd ter plekke zijn en niet steeds de plaatselijke voertaal beheersen). De raden van de MGRK bestaan in hun geheel op vier niveaus en zijn piramidaal, van onder naar boven georganiseerd. Het onderste niveau van de raden zijn de ‘communes’ die meestal tussen de 30 en 150 huishoudens in de steden omvatten of één dorp op het platteland. In heel grote steden (Qamislo, Aleppo) kunnen deze getallen overschreden worden. Het tweede niveau omvat stedelijke wijkraden (het betreft het samengaan van 7 tot 30 communes) en dorpengemeenschapsraden (tussen de 7 en 10 dorpen). Op het derde niveau bevinden zich de districtsraden waarbij een district bestaat uit een kernstad en de omliggende dorpen. Alle districtsraden samen vormen de hoogste raad, de Volksraad van West-Koerdistan. De opflakkerende burgeroorlog in de periode tussen de zomer van 2013 en de winter van 2015 verhinderde echter het behoorlijke functioneren van deze Volksraad. Door de snelle opmars van IS  (Daesh) werden de verbindingsroutes tussen de drie Koerdische kantons verbroken met als gevolg dat elk kanton (en de Volksraad van Aleppo) zichzelf apart moest besturen.

De coördinatie van de Commune (de raad van het onderste niveau) wordt altijd waargenomen door een voorzitter en een co-voorzitter (steeds één man en één vrouw) én de afgevaardigden van de commissies (werkgroepen, we komen er straks op terug) die werkzaam zijn op het niveau van straten en dorpen. Zij beschikken over een ‘imperatief mandaat’ dat voor één of twee jaar wordt toegekend: dat mandaat verplicht hen om in de hogere raden de standpunten te verdedigen waartoe hun Commune besloten heeft i.t.t. een representatief mandaat waarbij de afgevaardigde, in naam van zijn/haar kiezers, zijn/haar eigen standpunt mag verkondigen. Wie zich niet aan het mandaat houdt kan nog tijdens de legislatuur uit zijn/haar functie ontslagen worden. De Commune, als spil van het radensysteem, komt minstens om de twee maanden in plenum samen waarbij alle bewoners van de betrokken staten of het dorp uitgenodigd worden. De gekozen coördinatoren vergaderen wekelijks op een vaste dag en een vast uur om de lopende problemen te bespreken en aan te pakken. Geïnteresseerde bewoners mogen aan deze bijeenkomsten participeren onder voorwaarde van een beperkt interventierecht (kritiek op of ondersteuning van een voorstel bijvoorbeeld).

Via hun coördinatoren zijn de Communes vertegenwoordigd in de stedelijke Wijkraad of de Dorpengemeenschapsraad. Al deze coördinatoren samen vormen het plenum van de Wijkraad. Uit hun midden worden ook de leden van de Commissies (zie: beneden) gekozen die de raad wenselijk acht. De commissies kiezen elk een afgevaardigde die mede zal instaan voor de coördinatie van de activiteiten van de Wijkraad (of de Dorpengemeenschapsraad). Ook hier worden weer een voorzitter en co-voorzitter gekozen met dien verstande dat een mannelijke co-voorzitter door het plenum moet worden aangeduid terwijl een vrouwelijke co-voorzitster alleen door de Vrouwenraad (één van de commissies van het radensysteem) wordt aangeduid. Ook deze coördinatoren van de raden van het tweede niveau komen wekelijks samen in een ‘volkshuis’ (Mala Gel), meestal oude overheidsgebouwen of geschikte (ecologisch verantwoorde!) private gebouwen die door de raad gehuurd worden. Volkshuizen zijn 24/24 uur geopend, huisvesten de druk bezochte Commissies en hebben een lage toegangsdrempel voor alle (of toch vooral medestanders?) bewoners met een sociale of politieke interesse. Naast het ‘volkshuis’ beschikt de wijkraad meestal ook over een ‘vrouwenhuis’ (Mala Jin) waar de uiterst belangrijke Vrouwenraad haar werking ontplooit.

De coördinatoren van de raden van het tweede niveau vormen opnieuw het plenum van de raden van het derde niveau: de Districtsraden (met een bereik van 7 tot 20 stedelijke wijken of dorpengemeenschappen). Op dezelfde wijze als op de eerste twee niveaus worden hier weer Commissies samengesteld, afgevaardigden en voorzitters gekozen. De coördinatie van de Districtsraad heeft een eigen naam: TEV-DEM (Democratische Volksbeweging). Omdat TEV-DEM de spreekbuis wil zijn van een groot aantal Communes, Districtsraden en Dorpengemeenschappen, zijn op dit niveau van het radensysteem ook steeds alle 8 commissies (ook de meer politiek getinte) uitgebouwd, zodat er een brede waaier aan sociale bewegingen, middenveldorganisaties en partijen aan bod kan komen (op lagere niveaus zijn vooral apolitieke commissies actief die zich bezig houden met zaken als burenruzies, transportproblemen, geweld op vrouwen, voedsel- en energieverdeling, enzovoort). In het plenum wordt elke politieke partij (de PYD en de andere) die participeren aan het radensysteem door vijf personen vertegenwoordigd. De TEV-DEM (coördinatie) op districtsniveau bestaat uit 20 tot 30 personen.

Het topje van de radenpiramide wordt gevormd door de Volksraad van West-Koerdistan waarvan de coördinatie oorspronkelijk in handen lag van 33 personen die ervoor moesten zorgen dat de acht commissies op het niveau van de ganse Syrisch-Koerdische regio functioneerden. Je kan de vergelijking trekken met onze nationale regering en de verschillende ministeries. Maar zoals reeds gezegd verhinderden de oorlogsomstandigheden de samenkomst van de leden van de Volksraad die afkomstig zijn uit de drie geografisch gescheiden Koerdische kantons. Daarom fungeerde deze hoogste niveauraad lange tijd enkel op kantonale grondslag.

We hadden het hier boven voortdurend over commissies in het Koerdisch: Qada of Saha) die facultatief opgericht worden door raden op het eerste en tweede niveau en volledig uitgebouwd worden door de raden op de twee hoogste niveaus. Over welke Commissies gaat het hier en wat zijn hun functies?



Politieke ontwikkelingen sinds de winter van 2013

Als de Syrische staatsmacht zich in juli 2012 ( in samenspraak met of onder druk van de PYD en haar gewapende militie YPG) terugtrekt uit de Koerdische kantons en de Koerdische wijken van Aleppo komt de bestuursmacht in handen van de PYD en de kleinere met haar samenwerkende politieke partijen. Omdat naast de door de PYD geïnspireerde Volksraad ook de partijen verenigd in de Koerdische Nationale Raad (gesteund door het Iraaks-Koerdische Barzani-regime) zeggenschap wilden hebben in het overgangsbestuur, werd door het Verdrag van Erbil (hoofdstad van de Iraakse KRG) de Hoge Koerdische Raad opgericht die in een machtsverdeling moest voorzien (zie ook het artikel: ‘De verrassende outing van de Koerden in Syrië’). De partijen van het KNC zaten echter in de ongemakkelijke positie dat het radensysteem van de MGRK en de gewapende eenheden van de YPG reeds vanaf de aanvang van de Syrische Lente actief op het veld aanwezig waren, zij het ondergronds en parallel met de bestuursstructuren van het Baath-regime. Door deze frictie tussen de twee politieke tegenstanders in de Hoge Raad was diens aanspraak op legaal gezag eerder een vodje papier. De YPG weigerde toegang te verlenen aan de KNC-troepenmacht van een kleine 2000 man, opgeleid door de Iraakse peshmerga’s, zo lang deze niet onder een gemeenschappelijk commando met de YPG (die zichzelf niet ziet als een partijmilitie van de PYD) wilde opereren. En toen Deash en de met het Vrije Syrische Leger (FSA) verbonden Islamitische groepen in de zomer van 2013 Rojava begonnen te bedreigen hield de KRG (samen met Turkije) een embargo op mensen, wapens en materiaal in stand in de hoop de PYD/YPG dusdanig te verzwakken dat de politieke machtsbalans binnen de Hoge Raad terug zou overhellen in het voordeel van de KNC-partijen (net het tegengestelde gebeurde!).

Ondertussen waren de gemeentebesturen in de Syrisch-Koerdische regio feitelijk in handen gevallen van de het uit de ondergrond opgedoken radensysteem. Deze raden werden bemand/bevrouwd door mensen met veel inzet en goede wil die echter meestal niet over de technische competenties beschikten om de levensnoodzakelijke gemeentelijke infrastructuur (denk maar aan water, energievoorziening , riolering , wegenonderhoud,  en het ophalen van vuilnis) te laten functioneren. Daarom besloot de MGRK de bestaande gemeentebesturen niet te ontbinden en hun medewerkers niet te ontslaan, maar ze onder supervisie van de bovenvermelde Commissie Politiek verder te laten werken. Mettertijd werden wel een aantal gemeentelijke werknemers (die bekend stonden als rabiate en repressieve Baath-aanhangers) en ook de burgemeesters de laan uitgestuurd; deze laatsten werden vervangen door gekozen kandidaten). Gemeentelijke werknemers werden vanaf nu verondersteld zich bezig te houden met problemen die door de raden gesignaleerd werden en mogelijke oplossingen ter goedkeuring aan de betreffende commissie voor te leggen. Op die manier werd de structuur van de gemeentelijke besturen relatief vlot gedemocratiseerd. Problematisch bleven de financiering van het gemeentelijke personeel en de dienstverlening maar vooral het lange termijn-onderhoud van de infrastructuur dat grote investeringen vereist evenals de import van hoogwaardige technologie (bv. onderdelen van waterzuiveringsinstallaties en elektriciteitscentrales). Door het embargo opgelegd door Turkije en de Iraakse KRG  is dit nauwelijks mogelijk (behalve via smokkelroutes).

De politieke impasse waarin de Hoge Koerdische Raad terecht gekomen was, de voortdurende bloedige burgeroorlog, het oprukken van Islamitische terreurgroepen (Kobani!) en de wankele internationale positie van Rojava (geen diplomatieke of materiële ondersteuning) zette de coördinatie van de MGRK, de TEV-DEM, er in de zomer van 2013 toe aan om een brede oproep te lanceren naar alle politieke partijen (ook die van het KNC), organisaties en groepen om samen het democratische zelfbestuur van Rojava in handen te nemen. Deze oproep werd enerzijds ingegeven door de bekommernis dat het radensysteem weliswaar kon rekenen op de steun van de meerderheid van de Koerden (zeker in de kantons Efrin en Kobani, iets minder in het grootste kanton Cizire), maar dat de participatie van etnische en religieuze minderheden (onder meer Arabieren, Assyriërs, Aramenen, Armeniër en Tcherkessen) ondermaats bleef. Uit de contacten met de betrokken groepen en organisaties bleek dat deze terughoudendheid te verklaren viel vanuit een uit het verleden overgeërfde politieke onverschilligheid (welke meerwaarde kan de directe democratie voor ons hebben?), politieke onenigheid of omzichtigheid (men stond nog steeds achter het Baath-regime of men vreesde de revanche van het regime in het geval van haar terugkeer) of politieke berekening (in een directe democratie delven minderheden steeds het onderspit). Anderzijds was de Volksraad na één jaar bestuurservaring tot de conclusie gekomen dat een directe democratie niet kon rekenen op de erkenning van de internationale gemeenschap. ‘Directe democratie’ wordt door de meeste staten ofwel gewoonweg afgewezen (omdat men de representatieve democratie als enig aanvaardbaar model ziet) ofwel met veel wantrouwen bejegend omdat men het niet kent of moeilijk kan geloven dat het fatsoenlijk kan functioneren. Op basis van deze bevindingen - de afstandelijke opstelling van minderheden, de onverschilligheid of afwijzing van 1/3 of meer (in Cizire) van de Koerdische bevolking en het wantrouwen van de internationale gemeenschap - begon men met de idee te spelen om het radenstelsel op de een of andere manier te combineren met het representatieve parlementaire stelsel. Daardoor zou de politieke participatie binnen Rojava toenemen; internationale organisaties en overheden zouden gemakkelijker tot erkenning en samenwerking overgaan en bovendien zou zo’n maatschappijmodel ook een aantrekkelijk alternatief kunnen vormen voor de democratische krachten binnen de Syrische oppositie. De discussies die in het najaar van 2013 rond deze ideeën en voorstellen gevoerd werden, mondden uit in een ontwerp voor een maatschappelijk verdrag dat opnieuw aan allerlei partijen en groepen werden voorgelegd. Dit leidde onder meer tot de medewerking van drie linkse partijen die tot dan toe deel hadden uitgemaakt van de anti-PYD georiënteerde KNC en ook van de vroegere Koerdische communistische partij, de Koerdische Groene Partij en de Assyrische Eenheidspartij.

Alles bij elkaar zouden een 50-tal partijen en groepen hun steentje bijdragen aan een bewerkte synthese-tekst die geen echte grondwet wil zijn, omdat men niet uit is op een onafhankelijk Koerdische staat. Er is sprake van ‘Het sociaal contract van de Rojava-kantons in Syrië’. De tekst telt 96 artikelen opgedeeld in 9 hoofdstukken:

de algemene principes:
art. 8: “Alle kantons in de autonome regio’s zijn gebaseerd op het principe van lokaal zelfbestuur. De kantons kunnen vrij hun vertegenwoordigers en vertegenwoordigende lichamen kiezen [….]”; art. 12: "De autonome regio’s vormen een integraal deel van Syrië. Het is een model voor een toekomstig gedecentraliseerd systeem van federale regering in Syrië”

de basisprincipes:
art. 13: “Er zal een scheiding zijn tussen de wetgevende, uitvoerende en juridische macht”; art. 20: “Het Charter beschouwt de fundamentele rechten en vrijheden uiteengezet in internationale mensenrechtenverdragen, overeenkomsten en verklaringen als onschendbaar”

de rechten en vrijheden:
art. 23: “Iedereen heeft het recht gebruik te maken van zijn etnische, culturele, linguïstische en genderrechten; iedereen heeft het recht te leven in een gezond milieu gebaseerd op ecologisch evenwicht”; art. 27, 28, 29 en 31 bevestigen de rechten van de vrouw, het kind en religieuze minderheden; de wetgevende vergadering; de uitvoerende raad; de juridische raad; de Hogere Kiescommissie; de Hoge Constitutionele Raad

algemene regels:
art. 91: “Het onderwijssysteem van de autonome regio’s zal gebaseerd zijn op verzoening, waardigheid en pluralisme. Het zal in beduidende mate verschillen van de voorgaande onderwijspolitiek gebaseerd op racistische en chauvinistische waarden”.

Natuurlijk komt het aan wetsdeskundigen toe om de zwakke punten, leemtes en gevaren in het ‘Sociaal contract’ op te sporen, maar de tekst lijkt mij, als juridische leek, zeer emancipatorisch opgezet en heel waarschijnlijk een unicum in de wereld  van het Midden-Oosten (en niet alleen daar).

De logische stap na de aanvaarding van het ‘sociaal contract’ zou de uitvoering van de ‘democratische autonome administratie’ (binnen het kader van een toekomstige Syrische federatie) geweest zijn, waarin het bestaande radensysteem samengaat met gekozen representatieve organen (gemeenteraad, districtsraad en kantonparlement). Waarschijnlijk werden de voorgenomen verkiezingen onmogelijk gemaakt door het uitdijende oorlogsgeweld dat niet langer de Koerdische regio’s ongemoeid liet (in 2014 en 2015 belaagde IS Kobani, terwijl andere Islamitische groepen Efrin en Aleppo belegerden). Naar het schijnt is het parlement momenteel samengesteld uit de 50 partijen en organisaties die samen het ‘sociaal contract’ hebben opgesteld. De bedoeling zou zijn dat in de toekomst 40% van de parlementaire zetels  toegewezen worden aan de coördinatoren gekozen binnen de MGRK-raden terwijl de overige 60%  via algemene verkiezingen onder de partijen verdeeld zouden worden. In de loop van 2015 zouden er wel verkiezingen plaats gevonden hebben voor de gemeentebesturen, maar het is mij niet bekend hoe ze zich verhouden tot de Communes en de Commissies van het straat- of dorpsniveau.

De voorlopig laatste opvallende stap in de razendsnelle politieke ontwikkeling van Rojava is de uitroeping op 17 maart 2016 van de ‘Democratische Federatie van Rojava & Noord-Syrië’ (DFRNS) waarvan de Koerdische kantons in het vervolg onderdeel uitmaken (samen met Arabische, Assyrische en andere entiteiten). Daarmee wilden de Koerden en hun bondgenoten de internationale belangstelling vestigen op hun in de praktijk gebracht voorstel om het Syrische conflict op te lossen: het tot stand brengen van een democratische federatie die rekening houdt met historische, geografische, culturele, demografische en economische eigenschappen van de deel uitmakende regio’s. De uitroeping vond plaats, terwijl er in Genève vredesonderhandelingen werden gevoerd tussen het Syrische regime en de oppositie in aanwezigheid van de toezichthouders V.S en Rusland. Een opvallende afwezige in Genève waren juist de Rojavische Koerden die omwille van hun keuze voor een voorzichtige ‘derde weg’ (noch het regime, noch de oppositie) door beide partijen (en natuurlijk ook door erfvijand Turkije) geweerd werden.  Tot nog toe toonde alleen Rusland zich voorstander van een Koerdische delegatie op het Geneefse overleg waarbij de Russische minister van Buitenlandse Betrekkingen zich ook positief uit liet over een federatief getinte oplossing voor het Syrische conflict.


Municipalisering van de economie en een beetje ecologie

In het eerste hoofdstuk van dit artikel heb ik reeds gewezen op de ideologische omwenteling die het denken van Abdullah Öcalan, grote inspirator achter het radensysteem in Rojava, onderging na zijn kennismaking met het ideeëngoed van de Amerikaanse libertaire socialist Murray Bookchin. Van een staatssocialist werd hij een communautaire socialist. Emancipatie wordt minder afhankelijk gemaakt van de inrichting van de economische onderbouw maar eerder van de politieke bovenbouw. Niet de onderneming maar wel de lokale gemeenschap is de spil van een geëmancipeerde samenleving. Niet de werkplaats vormt de belichaming van het algemeen belang maar de lokale gemeenschap; die levert de hefboom op die de verschillende belangen van de diverse bevolkingsgroepen via dialoog kan overbruggen. Rojava wil de markteconomie dan ook niet vervangen door een staatseconomie, maar door een volkseconomie. In zo’n volkshuishouding doorbreekt het volk het economische fetisjisme door die economie vorm te geven te geven in raden en commissies. Hoe die raden en commissies werken werd, in grote lijnen, uiteengezet in het vierde hoofdstuk.

Natuurlijk is die economie van Rojava een aan de lokale omstandigheden en tijden aangepast experimenteel project, dat per definitie onaf is. Wat die omstandigheden betreft: vanuit een Westers oogpunt bekeken gaat het over tamelijk ‘primitieve’ voorzieningen die tegemoet moeten komen aan de basisbehoeften van een door oorlog ontwrichte samenleving. Een samenleving die bovendien zwaar gebukt gaat onder een verstikkend economisch embargo  (zowel vanuit Turkije als vanwege het etnisch verwante maar politiek vijandige KRG). Voeg daarbij de belegering van de Koerdische kantons door Islamitische terreurgroepen en het soms vijandige Syrische Vrije Leger (SFA) en je krijgt het beeld van een bijna zelfvoorzienende economie die moet teren op de overgeërfde en soms versleten of vernielde infrastructuur van het Baath-regime (auto- en spoorwegen, waterzuiveringsstations en elektriciteitscentrales, olievelden) .

Dat in Rojava geen honger geleden wordt is te danken aan de onder- en bovengrondse natuurlijke hulpbronnen waarover de regio van oudsher beschikt. Voor de omwenteling leefde in Rojava 17% van de Syrische bevolking die 40% van het BNP en 70% van ’s lands export produceerde. Het rijkste kanton is ongetwijfeld Cizire dat lange tijd instond voor 50 tot 60% van de Syrische olieproductie, die evenwel reeds 20 jaar geleden haar piek kende. Was de burgeroorlog niet uitgebroken en het stookolie- en benzinegebruik op peil gebleven dan zou de olie-export tegen 2020 aan zijn einde gekomen zijn. Daarentegen bestaan er hoge verwachtingen over de mogelijke exploitatie van aardgas. Bovengronds was Cizire (het land van Tigris en Eufraat) de graanschuur van Syrië met 50% van de totale Syrische graanproductie. Ook de katoenproductie was er van belang. Verder trok de overvloed aan rivierwater  ook cementfabrieken en andere middelgrote bedrijven aan. De kantons Kobani en Efrin stonden vooral bekend voor hun olijven- en fruitplantages. Dat de Koerdische regio desondanks arm bleef had te maken met de kolonialistisch getinte economische politiek van Damascus. Noord-Syrië mocht dan wel rijk zijn aan natuurlijke rijkdommen, maar de verwerking vond plaats in andere delen van het land. De regio beschikte niet over raffinaderijen, graanmolens of textielfabrieken, zodat de Koerdische bevolking met hun karige agrarische inkomens de dure, hoogwaardige producten uit andere delen van het land moest aanschaffen. Dat bijna een half miljoen Koerden geëmigreerd waren naar de noordelijke wijken van Aleppo (niet ver van Efrin) en nog enkele honderdduizenden anderen naar Damascus en andere grote steden had te maken met deze economische politiek van het Baath-regime. De geldoverschrijvingen van Koerdische binnenlandse migranten vormde een belangrijke inkomensbron voor de achtergebleven familieleden in Noord-Syrië.

In 2012 lanceerde de PYD een ‘Plan van de Volkseconomie’ PEP (People’s Economy Plan) dat het algemene kader moest schetsen voor een communautaire economie als alternatief voor een loutere markteconomie of een loutere staatseconomie. Het is een economie gebaseerd op drie pijlers:

1.    Het private eigendom van huizen, winkels of werkplaatsen werd vervangen door een ‘gebruiksrecht’: als een persoon of een groep personen gebruik maakt van een woonhuis, winkelruimte of werkplaats dan mag die persoon of die groep ook als eigenaar beschikken over die gebouwen (met alle rechten maar ook alle plichten vandien). In principe echter blijven de plaatselijke raden zeggenschap hebben over de gebouweninfrastructuur in de zones die binnen hun bereik vallen. De invoering van het gebruiksrecht moet gezien worden tegen de achtergrond van de oorlogsomstandigheden: gebouwen die vernield worden en stromen vluchtelingen die wegtrekken of aankomen. Gebruiksrecht impliceert echter geen verkooprecht. Bovendien geldt het gebruiksrecht niet voor machines en duurzame gebruiksgoederen (auto’s, meubels, elektronica, enzovoort). Gebruiksrecht moet ook verhinderen dat er gespeculeerd wordt wat tot kapitaalsaccumulatie en dus ook tot uitbuiting en ongelijkheid zou leiden.

2.    Anderzijds worden gebouwen die niet onder het private gebruiksrecht vallen, evenals publieke gronden en infrastructuur als ‘commons’ beschouwd die onder het rentmeesterschap van de raden en de desbetreffende commissies (in de eerste plaats ‘economie’ en ‘civiele maatschappij’) vallen. Deze gemeenschappelijke goederen kunnen door de raden ter beschikking gesteld van private personen (bijvoorbeeld vluchtelingen uit andere dorpen of regio’s). Daarnaast fungeren ze ook als een soort sociaal zekerheidsnet voor behoeftige families én als een bron van inkomsten voor het dorp of de stadswijk (waarmee bijvoorbeeld wegen hersteld kunnen worden of generatoren aangekocht). Tot de commons worden ook de cruciale ecologische goederen gerekend die de overleving van de lokale gemeenschappen helpen verzekeren (water, parken, bossen, wilde dieren en een deel van de los lopende veestapel). De door de constante oorlogsdreiging mank lopende belastinginning kan nu voor een stuk door inkomsten uit deze ‘commons’ vervangen worden.                                                                                                                                            

3.    De derde pijler van de volkseconomie wordt gevormd door de sterk aangemoedigde coöperatieve sector, die beheerd wordt door zijn leden maar een deel van zijn winsten moet afstaan aan de plaatselijke raad. De MGRK stimuleert momenteel coöperatieve initiatieven op de domeinen van landbouw, water en energie. Wat die stimulansen inhouden is mij niet bekend. Wel bracht de economische commissie van de Volksraad in maart 2016 een rapport uit met een eerste stand van zaken in de coöperatieve sector. Daaruit blijkt dat ongeveer 15 000 mensen lid (soms werkende leden, soms enkel aandeelhouders) zijn van coöperatieven die vooral terug te vinden zijn in de landbouw, de kleine en middelgrote industrie en de ‘unions’ (door de vakbond opgerichte bedrijfjes?). Als een coöperatief bedrijf winst maakt, wordt de helft daarvan verdeeld onder de leden, 30% wordt in een investeringspot gestoken en 20% wordt overgedragen aan de lokale raad. Als een coöperatief verlies maakt kunnen de leden in eerste instantie de managers van het bedrijf verwisselen maar wanneer het bedrijf verliesmakend blijft kunnen ze ook beslissen om te sluiten.

Ik heb wel de indruk dat er vroeger sprake was van een intensievere interactie tussen de raden (de ‘politiek’) en de in de steiger staande coöperatieve sector met het oog op de noodzakelijke lokale zelfvoorziening en ecologische duurzaamheid. Is er sprake van een meer liberale economische politiek om de ondernemingsgeest onder de bevolking aan te wakkeren? Het moet een punt van waakzaamheid zijn om de coöperatieve arbeid door inhoud en organisatie dusdanig aantrekkelijk te maken dat het winstmotief (‘profit’) ondergeschikt blijft  aan de belangen van ‘people & planet’. De synergie tussen een gedecentraliseerde participatieve economie en het gemeentelijke zelfbestuur komt zowel de welvaart, de inspraak als de ecologische veerkracht van de betrokken gemeenschap ten goede.


Literatuur

ANDERSON, Tom & Eliza Egret, ‘Democratic confederalism in Kurdistan’, 25.04.2016

BAHER Zaher, ‘The experiment of West Kurdistan (Syrian Kurdistan) has proved that people can make changes’, 26.08.2014);

---------------, ‘Our attitude towards Rojava must be critical solidarity’, 01.02.2016).

FLACH e.a., Revolution in Rojava: Frauenbewegung und Kommunalismus zwischen Krieg und Embargo, Hamburg, 2015 (een Engelse vertaling door Jeanet Biehl verscheen als, Revolution in Rojava: Democratic Autonomy and Women's Liberation in the Syrian Kurdistan, Londen, 2016)

IN DER MAUR, Reneé & Jonas Staal, ‘Stateless democracy, Introduction’, 2015

JACOBS, R., ‘Het libertaire municipalisme: Van vergeten politieke theorie naar inspiratiebron van de Koerdische Lente’, in: David Dessers, De aarde of het kapitalisme, Socialisme 21, Leuven, 2015 (pp 87–103);

OSO SABIO, Rojava: An alternative to imperialism, nationalism and Islamism in the Middle East, 2015

STRANGERS IN A TANGLED WILDERNESS (Redactie), A small key can open a large door: The Rojava revolution, Chico, 2015

TATORT KURDISTAN, Democratic Autonomy in North Kurdistan: The Council Movement, Gender Liberation and Ecology - in Practice A Reconnaissance into Southeastern Turtkey, Porsgrunn, 2013;

TEV DEM, ‘The experience of cooperative societies in Rojava’, 15.02.2016