ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > Strijd tussen uitvoerende en wetgevende macht
  november 2016 [15]





WOORD VOORAF

Door Roger Jacobs


Bij dit themanummer over ‘Zelfbestuur in Rojava’ hoort een inleiding. De eerste opmerking is van feitelijke aard. Ons studiethema is dit keer een ‘onderwerp in volle wording’. Syrisch/Koerdische militanten maakten van de Arabische Lente - die in maart 2011 voet aan de grond kreeg in Syrië - gebruik om in hun leefgebieden de fundamenten van een gedecentraliseerde directe democratie (lokale raden) te leggen. Eerst gebeurde dat in de illegaliteit, maar vanaf juli 2012, toen het Baath-regime haar mensen en voorzieningen uit de Koerdische regio’s terugtrok, kwam de bestuursverantwoordelijkheid volledig te liggen op de schouders van de militanten van de PYD (Democratische Eenheids Partij). In een zeer korte periode slaagden ze erin een werkzaam radensysteem op poten te zetten. Hun experimenteel project kwam echter onder druk te staan van de steeds bloediger wordende burgeroorlog en het geopolitieke belang dat regionale en mondiale machten aan dit conflict hechtten. Om uit de wurggreep van de embargo’s van de buurlanden en de oprukkende Islamitische terreurgroepen te komen, probeerde Rojava internationale diplomatieke erkenning (en steun) te verwerven door hun radensysteem aan te vullen met een (meer acceptabele) representatieve pendant. Dit complexe proces is nog volop aan de gang met als bijkomende moeilijkheid dat de schaars doorsijpelende informatie zowel grijs, zwart of wit ingekleurd wordt.

Hieraan wil ik mijn tweede opmerking vastkoppelen. Ik constateer een probleem van politiek-ethische aard. Uit de gepubliceerde artikelen spreekt een duidelijke sympathie voor het gedurfde radenexperiment van de Koerden. Initiatiefnemer is de al eerder genoemde PYD, die samen met haar verdedigingsmilitie YPG (en zeker ook de vrouweneenheden van de YPJ) de blikvangers zijn in de strijd tegen IS (Daesh). De PYD/ YPG-YPJ zijn echter voortgekomen uit restanten van de in 1998 uit Syrië verdreven Turks-Koerdische PKK – strijders en hun ondertussen veroordeelde leider Abdullah Öcalan. Deze laatste had zich tot dan toe  geprofileerd als een marxistisch-leninistische nationalist, die uit was op de vestiging van een onafhankelijk Koerdistan. Daarvoor had hij 20 jaar lang een moorddadige oorlog gevoerd met de Turkse overheid die de ‘Koerdische kwestie’ echter afdeed als een bandietenprobleem. In de gevangenis herriep Öcalan zijn vroeger marxisme-leninisme en zijn streven naar een aparte Koerdische natie-staat. In het vervolg liet hij zich inspireren door het libertaire socialisme (een gedecentraliseerde democratie) die hij in een autonome regio, maar wel binnen grenzen van een gedemocratiseerd Turkije, wilde realiseren. En hij riep de Koerden uit Syrië, Irak en Iran op om hetzelfde te doen in hun eigen land. Turkije, dat gehoopt had hem de mond te snoeren, was niet opgetogen over deze koerswijziging en haalde de VS, de EU en de NAVO ertoe over om de PKK en alle met haar verbonden zuster incluis nevenorganisaties op de terroristenlijst te plaatsen. Dus ook de Syrisch-Koerdische PYD. Alhoewel de PYD en de YPG  de meest betrouwbare en vastberaden bondgenoten van het Westen zijn in de strijd tegen IS, zijn die bondgenoten officieel dus nog steeds terroristen (en zullen ze dat nog lang zijn als het afhangt van huidige Turkse president Erdogan). Vandaar mijn ethisch probleem: is het aanvaardbaar een terroristische organisatie in een positief daglicht te stellen? De PKK heeft zich in het verleden ongetwijfeld schuldig gemaakt aan geweld (het aantal doden liep in de tienduizenden, zij het dat meer dan 80% onder hen Koerden waren) en geweld van vijandige verzetsbewegingen wordt steeds ‘terreur’ genoemd, terwijl het geweld van bevriende bewegingen als ‘vrijheidsstrijd’  wordt omschreven  (Zo is Osama Bin Laden in het Westen ooit als vrijheidsstrijder tegen de Russen in de bloemetjes gezet). Of het geweld van de vroegere PKK gerechtvaardigd was, laat ik in het midden: ik heb er toen nooit mee gesympathiseerd en ik heb onlangs Öcalans kritiek en zelfkritiek over die periode gelezen en vond deze kritiek diepgaand en gemeend. Hij zit bovendien een levenslange gevangenisstraf uit waarmee hij boet voor eventuele openstaande schulden. De

PKK was in het verleden een marxistisch-leninistische organisatie die strak hiërarchisch georganiseerd was en een ‘doel-heiligt-de-middelen’ moraal huldigde. Ondertussen heeft die omwenteling naar een basisdemocratische opstelling plaats gevonden. Is het mogelijk dat een autoritaire organisatie in tien jaar tijd een tegenovergestelde houding ontwikkelt en haar vroeger Machiavellistisch optreden inruilt voor een dialogische houding? Waarschijnlijk niet en de oude kaderleden zullen zeker autoritaire trekjes blijven vertonen: ouwe vossen verliezen wel hun haren maar niet hun streken; dus haan, let op je kippen! Dat geldt zeker ook voor de PYD die groot geworden  is dankzij PKK-veteranen die op een harde manier de concurrentie aangingen met plaatselijke politieke concurrenten. Maar gezegd moet worden dat zij op een geweldige manier van het opborrelmoment van de Syrische Lente gebruik hebben gemaakt om hun variant van democratisch socialisme wortel te laten schieten in Rojava. En het werkt al vier jaar. Het is zeker geen ‘ver paradijs’ waar Westerse linkse militanten vroeger zo graag naar toe reisden maar het is wel het beste wat de Arabische Lente heeft voortgebracht. En ja, er zullen dingen gebeurd zijn die niet door de beugel kunnen en waar hopelijk lessen voor de toekomst uit getrokken zullen worden. Ook hoop ik dat jongere partijleden die niet gebukt gaan onder de gewoonten van het verleden een democratischer houding zullen ontwikkelen. En vooral hoop ik dat dat de vele Koerdische burgers die zich nu voor het eerst politiek engageren in het radensysteem en daar doordrongen worden met verhalen over inspraak, sekse-gelijkheid, burgerrechten, etnische en religieuze pluraliteit, van de weeromstuit druk zullen uitoefenen op de politieke voortrekkers om die ideeën niet slechts met de mond te belijden, maar ook in de praktijk te brengen.

 Net voor het afsluiten van mijn schrijven voor dit themanummer kreeg ik een recent boek van twee jonge Arabische Syriërs (zelf voorstanders van de radenorganisatie) in handen waarin de volgende passage staat waarin ik me herken: “In Rojava wordt de revolutionaire energie gekanaliseerd, gecontroleerd en soms onderdrukt door een autoritaire partij. Nochtans is het experiment op Koerdische nationale schaal ongetwijfeld een succes. De Koerden hebben hun eigen politie en rechtbanken; het Koerdisch wordt de voertaal in de scholen. Het is te hopen dat de kloof tussen de vooruitstrevende en achterlijke elementen van het PYD-programma in de toekomst gedicht zal worden. De fundamenten van het PYD-autoritarisme zouden het in de loop van de tijd kunnen begeven onder de druk van de ideeën die in haar naam verspreid worden"  (R. Yassin-Kassab / L. Al-Shami, Burning country: Syrians in revolution and war, Pluto Press, London, 2016, p. 75-76).