ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > Strijd tussen uitvoerende en wetgevende macht
  november 2016 [15]




HET VERRASSENDE UIT-DE-KAST-KOMEN VAN DE KOERDEN IN SYRIË

Door Roger Jacobs


Syrië en de Koerden onder het Ottomaanse imperium

Syrië was tot voor kort een weinig bekend land bij de meeste Europeanen. Misschien dat de eeuwenoude steden Damascus en Aleppo met hun historische centra een belletje deden rinkelen bij de reislustigen onder hen. De politiek geïnteresseerden hadden ongetwijfeld gehoord over het autoritaire en meedogenloze politieke regime dat door Hafez Assad in 1970 in het leven werd geroepen en tot op heden met harde hand door zijn zoon Bashir in stand wordt gehouden. Door recente gebeurtenissen worden we er weer aan herinnerd dat Syrië ten tijde van de Koude Oorlog de kant van de Sovjet-Unie koos en daarmee de enige duurzame Russische bondgenoot in het Midden-Oosten werd. Wat ook mede verklaart dat het land op gespannen voet leefde met enkele van zijn Westers georiënteerde buurlanden: Israël (dat sinds 1967 de Golan-hoogvlakten bezet houdt); Libanon (dat tussen 1976 en 2005 een Syrische bezetting onderging) en Turkije (de erfgenaam van het ter ziele gegane Ottomaanse imperium waarvan Syrië zich in de het kielzog van WOI los scheurde).

Waar ik me vroeger nauwelijks van bewust was, is het feit dat Syrië zowat het hart vormt van de ‘Vruchtbare Halve Maan’, het gebied tussen de Tigris en Eufraat dat bekend staat als de bakermat van de menselijke beschaving. Hier zou meer dan 10.000 jaar geleden de overgang plaats hebben gevonden van de nomadische jagers- en verzamelaarsculturen naar een sedentaire landbouwsamenleving. Ook werd het al heel snel een knooppunt van handelsstromen dat de continenten Azië, Europa en Afrika met elkaar verbond (denk aan de zijderoute die via Bagdad naar Aleppo leidde). De historische regio Syrië (vgl. het Bijbelse Assyrië), die veel omvattender was dan de huidige landsgrenzen, vormde tevens de geboortegrond van de eerste monotheïstische godsdiensten: het jodendom en het christendom. Aan de christelijke dominantie in het toenmalige Syrië kwam rond 620-630 een einde  toen aanhangers van de profeet Mohammed de nieuwe leer introduceerden die enkele honderden kilometers ten zuiden van Damascus, in Medina en Mekka, het levenslicht zag. Onder de koninklijke dynastie van de Ommayaden (vanaf 661) kende de Islam een geweldige expansie: via Noord-Afrika en Spanje tot in Frankrijk toe  (waar ze in 732 bij Poitiers een beslissende nederlaag leed). Damascus werd  de hoofdstad van de Islamitische wereld: er is sprake van het ‘gouden tijdperk van het kalifaat’. De kalief werd beschouwd als een rechtstreekse opvolger van de profeet Mohammed en symboliseerde de eenheid van de Islamitische gemeenschap. Met de verdrijving van de Ommayaden in het jaar 750 verzwakte het kalifaat. Vanaf 1096 volgde het tijdperk van de kruistochten en van de stichting van christelijke kruisvaarderstaatjes in de kusstreek van de Levant. In die tijd zagen we de beroemde Saladin die Jeruzalem heroverde voor de Islam. Zijn opvolgers werden in het begin van de 16de eeuw op hun beurt verdreven door de Turks sprekende Ottomanen. Deze Ottomaanse overheersing zou eeuwen lang politieke stabiliteit in de regio brengen. De Ottomaanse sultans waren soennieten die zich echter tolerant opstelden ten opzichte van hun religieuze en etnische minderheden, zodat deze zich tot in de moderne tijd konden handhaven. Daardoor vormde het Ottomaanse imperium een onvoorstelbare lappendeken van etnische groepen, talen en religies.

Eén van die door de Ottomanen onderworpen volkeren waren de Koerden die in een territorium huisden van aan elkaar grenzende regio’s in de huidige staten Turkije, Irak, Iran en Syrië. Wat hun etnische oorsprong en taal betreft staan de Koerden dichter bij de Perzen dan bij de Arabieren en de Turken. De Koerdische taal omvat een grote diversiteit aan dialecten die soms sterk van elkaar verschillen en waarvan er één, het ‘Kurmanci’, geldt als het Algemeen Beschaafd Koerdisch. Koerden zijn overwegend soennieten, maar sjiitische, christelijke en zelfs Joodse of atheïstische Koerden zijn geen uitzondering. Koerden werden in het verre verleden onderworpen door Perzen, Romeinen, Arabieren en tenslotte, zoals gezegd, door de Ottomanen. Zij stonden bekend om van hun koppig vasthouden aan autonomie: als nomaden en bergbewoners leefden zij in de randgebieden van de Ottomaanse en Perzische imperia die zich daartoe goed leenden. Toen het Islamitische kalifaat verzwakte en uiteenviel in regionale machtscentra vertaalde de Koerdische vrijheidsdrang zich in de opbloei van semi-officiële vorstendommetjes en stamheerschappijen onder leiding van eigen ‘agha’s’ en ‘sjeiks’. Deze laatsten waren formeel onderworpen aan de grote imperia (waaraan belastingen werden betaald en soms krijgsvolk geleverd), maar  tegelijk hielden ze ook de officiële gezagsdragers zo veel mogelijk op afstand.  De doorsnee-Koerd voelde zich geen onderdaan van het Ottomaanse of Perzische Rijk, maar wel onderdeel van zijn (uitgebreide) familieclan en stam (‘esiret’) die op zijn beurt allianties kon aangaan met andere stammen. Clan en stam functioneerden als onontbeerlijke collectieve vangnetten die in staat waren effectieve hulp en bescherming te bieden in tijden van nood en onheil.

In de loop van de 19de eeuw werd deze autonomie echter steeds vaker bedreigd door centralisatiepogingen vanuit de Ottomaanse hoofdstad Constantinopel. Dat leidde tot een regelrechte opstand van het laatste Koerdische vorstendom Cizira-Botan (het gebied rond de huidige Turkse stad Cizre), gesticht in de 15de eeuw, en in 1847 van de kaart geveegd door de troepen van de Ottomaanse sultan. Zou het toeval zijn dat het hedendaagse Cizre nog steeds één van de bolwerken van Koerdisch verzet is tegen het repressieve beleid van de huidige Turkse overheid die de ‘Koerdische kwestie’ het liefst van al wil reduceren tot een terrorisme -probleem? 

Aan de heerschappij van de Ottomanen kwam een einde toen ze aan de vooravond van de WOI een alliantie aangingen met de Duitse en Oostenrijkse keizers. De nederlaag in 1918 luidde de desintegratie van hun eeuwenoude  imperium in, wat gepaard zou gaan met vele gewelddadige en wrede conflicten, gedwongen volksverhuizingen en etnische zuiveringen (waarvan de Armeense genocide slechts de meest in het oog springende is). Op 1 augustus 1920 ondertekenden de verslagen Ottomanen het Verdrag van Sèvres waardoor hun imperium opgedeeld werd in een aantal nieuwe niet-Turkse staten, waaronder ook een onafhankelijk Koerdistan. Ondertussen echter maakte een Turks-nationalistische beweging onder leiding van Mustafa Kemal Ataturk opgang en schafte uiteindelijk het sultanaat in 1922 af. Daardoor zagen de Westerse mogendheden zich gedwongen opnieuw te onderhandelen over de modaliteiten van het oude Verdrag. Het werd vervangen door het nieuwe Verdrag van Lausanne (24 juli 1923) waarin geen plaats meer was voor een onafhankelijk Koerdistan. Daarmee kregen de Koerden de bedenkelijke eretitel van ‘grootste volk zonder eigen staat’ toebedeeld. Een groot deel van het Koerdische leefgebied werd ingelijfd bij het nieuwe Turkije. En de vader van de nieuwe Turkse natie, de ultranationalist  Ataturk (die zowel de communist Lenin als de fascist Mussolini als rolmodellen adopteerde) vaardigde tientallen wetten uit die bedoeld waren om de Koerdische identiteit te vernietigen: Koerden werden omgedoopt tot ‘Bergturken’, het gebruik van de Koerdische taal werd onwettelijk verklaard, Koerdische plaatsnamen werden ‘verturkst’, Koerdische organisaties werden verboden, enzovoort. Drie gewapende Koerdische opstanden in de twintiger en dertiger jaren werden door Ataturks troepen neergeslagen en de repressie was zo hard dat het 30 jaar zou duren vooraleer er opnieuw Koerdische verzetsorganisaties op Turkse bodem wortel zouden  schieten.

Maar niet alleen in Turkije had er een overgang plaats van de diffuse Ottomaanse imperiale onderdrukking van de Koerden naar de veel meer uitgesproken en systematische onderdrukking door nieuwe natie-staten. Het grootste deel van het historische leefgebied van de Koerden situeert zich binnen de huidige Turkse grenzen, maar het oostelijk gedeelte waaiert uit tot een stuk in Iran terwijl het zuidelijk deel zich uitstrekt van noord Syrië tot noord Irak. De Iraaks-Koerdische regio is sinds de negentiger jaren, onder Amerikaanse bescherming, uitgegroeid tot Koerdische Regionale Regering, de regio van de pesmergha’s ( ‘zij die de dood in de ogen durven kijken’), die sinds de zestiger jaren het voortouw namen van het gewapende Koerdische verzet. De Syrisch-Koerdische regio is in juli 2012, toen president Assads troepen er zich strategisch uit terugtrokken, omgevormd tot de autonome regio van ‘Rojava’. ‘Roj’ betekent ‘zon’; deze neemt een belangrijke plaats in in de Koerdische mythologie. ‘Rojava’ betekent dan ook letterlijk ‘land van de ondergaande zon’ oftewel West-Koerdistan.

De wonderlijke maatschappelijke transformatie die sinds een paar jaar in Rojava plaats vindt, vormt het thema van dit nummer van ATHENE


Koerden onder het Franse mandaat en in de prille Syrische Republiek

Men gaat ervan uit dat de Syrische bevolking voor ongeveer 10% bestaat uit Koerden: ongeveer 2,3 miljoen mensen. Eén vijfde van hen was woonachtig in de Koerdische wijken van Damascus en Aleppo. De meerderheid leefde echter geconcentreerd in drie kantons in het Noorden van Syrië tegen de Turkse grens: het gaat om  Efrin (of: Kurd Dagh) in het noord westen van Syrië; het centrale en meest bekende kanton Kobani (of in het Arabisch: Ain-al-Arab); tenslotte het oostelijk gelegen kanton Cizire (of: Jazirah) in de provincie Hasaka, een belangrijke agrarische regio tussen de Tigris en de Eufraat waar ook de grootste Syrisch-Koerdische stad (en huidige hoofdstad van Rojava) Qamislo (200.000 inw.) gelegen is. Toen de Syrische Lente in maart 2011 losbarstte en al gauw het autoritaire Baath-regime bedreigde trok president Bashir Assad (op 19 juli 2012) zijn troepen terug uit de drie bovengenoemde kantons en uit de twee Koerdische wijken van Aleppo. Daardoor werden de Koerden in staat gesteld ‘to emerge out of nowhere and assume a de facto autonomy’’ (M. Gunter, 97). Hoe is het zo ver kunnen komen?

Ondanks alle mooie beloften over autonomie en onafhankelijkheid die de Westerse mogendheden, in ruil voor een militair bondgenootschap, deden aan de door de Ottomanen onderworpen volkeren (in de eerste plaats: de Arabieren) waren de Fransen en Britten  het er reeds in 1916  over eens hoe ze het Ottomaanse rijk onder elkaar zouden verdelen. De onderhandelaars Georges Picot en Mark Sykes trokken met potlood en liniaal een lijn op de kaart waarbij het Midden-Oosten willekeurig in tweeën gedeeld werd en waarbij in grote trekken Syrië (Frans) en Irak (Brits) als nieuwe staten gecreëerd werden. Deze lijn liep dwars door het Koerdische territorium waardoor allerlei commerciële en familiale betrekkingen plots verbroken werden. Turkije wordt in het Koerdisch soms nog ‘Bin Xhet’ (boven de lijn) genoemd en Syrië ‘Ser Xhet’ (onder de lijn). In geval van oproer en onderdrukking werd deze kunstmatige grens nogal eens gemakkelijk overschreden. Turkse Koerden die in het kielzog van de opstanden tegen Ataturk hun land ontvluchten, kwamen al gauw ‘onder de lijn’ terecht. Dat was één reden voor de Syrische overheid om hun Koerdische onderdanen als onbetrouwbaar te beschouwen.

Een andere reden voor het Arabische wantrouwen was dat het bestuur van Syrië  na de WOI in handen van een vreemde mogendheid werd gelegd. Het werd als mandaatgebied (dat wil zeggen: een gebied dat voorbereid moest worden op zelfbestuur) toegekend aan Frankrijk dat echter eerder optrad als een koloniale overheerser. De katholieke generaal Henri Gouraud maakte zijn entree in Damascus met de onheilspellende woorden: ‘Saladin, we zijn terug van weg geweest’ (verwijzend naar de kruistochten). Daarbij hanteerden de nieuwe machthebbers een sluwe verdeel-en-heers politiek. Dat betekende dat men de nationalistisch gezinde soennitische Arabische meerderheid probeerde te verzwakken door religieuze en etnische minderheden te bevoordelen. Vooral alawietische (een sekte die eerder aansluit bij de sjiitische Islam) Arabieren, minder nationalistisch georiënteerd en meer pro-Frans, konden rekenen op een voorkeursbehandeling van de Fransen. Ze kregen een semi-autonome regio toegekend en hun milities speelden een cruciale rol in de gewelddadige onderdrukking van een soennitisch Arabische opstand in de jaren 1926-27. Ook christenen en Koerden konden zo genieten van een geprivilegieerde behandeling door de Franse bestuurders. Koerden hadden wel een etnisch bewustzijn, maar dat vertaalde zich niet direct in het streven naar een eigen staat. De zwakte van het Koerdische nationalisme wordt verklaard door hun interne verdeeldheid (tussen stad en platteland en tussen de verschillende stammen), maar ook door een diep gewortelde aversie tegen elke staatsvorm als zodanig (eigen aan nomaden en bergvolkeren). Niet alleen was de wil afwezig om een eigen staat op te richten, maar men wees de staat ook af als een ongeschikte vormgeving van politiek bestuur. Het paste dan ook in het Franse beleid om de Koerden allerlei politieke en culturele rechten toe te kennen. Zo werd de Koerdische taal officieel erkend en werden Koerden gerekruteerd voor de ambtenarij en het leger. Koerden maakten naam in de Syrische politiek: zo bijvoorbeeld de advocaat Khalid Bakdash (1912 – 1995) die in de dertiger jaren voorzitter werd van de Syrische Communistische Partij en aanstuurde op de economische ontwikkeling van de Koerdische leefgebieden. Op intellectueel vlak vielen de zogenaamde Bedir Khan-broers op: ze waren de kleinzonen van de laatste emir van het bovengenoemde vorstendom Cizira – Botan. Zij zouden alle drie een  belangrijke rol spelen in de culturele en politieke ontvoogding van de Koerdische bevolking.

Toen Frankrijk na WO II, in april 1946, gedwongen was haar mandaatgebied onafhankelijkheid te geven (overigens zonder het afgescheiden ‘christelijke’ Libanon) kregen Pan-Arabische politieke groeperingen (die streefden naar een Arabische eenheidsstaat) en Syrisch-patriottische politieke groeperingen de overhand. Gegeven hun eigen onderdrukking onder het Franse bewind en de daarmee samenhangende strategische privilegering van de minderheden was deze nieuwe politieke meerderheid minder dan ooit bereid consessies te doen aan de religieuze of etnische minderheden. Bovendien deed de vernietigende nederlaag van Syrië en andere Arabische staten in de Israëlische onafhankelijkheidsoorlog (1948) een soort Arabische belegeringsmentaliteit ontstaan waarin elk streven naar autonomie beschouwd werd als hoogverraad. Door eeuwenlang autocratisch bestuur, waardoor er nooit een ervaren politieke kaste kon ontstaan, zou de politieke situatie in Syrië tot in de zestiger jaren chaotisch blijven. Alleen al in de eerste tien jaar van haar bestaan kende het land 20 regeringswisselingen en werd de grondwet vier maal herschreven: militairen en veiligheidsdiensten kregen steeds meer in de politieke pap te brokken.

Aan deze instabiliteit leek een einde te komen toen Syrië in februari 1958, onder invloed van het Pan-Arabische gedachtengoed, samen met Egypte de Verenigde Arabische Republiek (VAR) oprichtte onder het presidentschap van de charismatische Gamal Abdel Nasser. Syrië was het kleine broertje in deze fusie-operatie en werd verplicht binnenlandse tegenstanders van het Pan-Arabisme te vervolgen. Dat was in de eerste plaats de Syrische Communistische Partij (met een aanzienlijke Koerdische basis) die met haar programma van klassenstrijd en internationalisme de Arabische nationalisten voor de voeten liep. Maar ook was er de in 1957 opgerichte Democratische Partij van Koerdistan in Syrië (DPKS) die weliswaar intern verdeeld was over de vraag of men kon volstaan met een programma van  gelijkberechtiging van de Koerden in Syrië, maar die desondanks door het regime  als staatsondermijnend werd beschouwd (we komen er straks nog op terug). Naast deze politieke repressie had er op 13 november 1960 een rampzalige scholenbrand plaats in het Koerdische stadje Amude waarbij tussen de 150 en 300 kinderen de dood vonden. Vele Koerden waren ervan overtuigd dat het nieuwe regime een hand in het spel had, alhoewel concrete bewijzen voor deze beschuldiging ontbraken (13/11 is recentelijk uitgeroepen tot een officiële herdenkingsdag in Rojava). Gelukkig voor de Koerdische bevolking voelden de Syrische militaire en civiele machthebbers zich al vlug tekort gedaan in de VAR die dan ook reeds in september 1961 ontbonden werd. De openlijke vervolging van tegenstanders van het Pan-Arabisme hield op. Toch hadden Koerden (en andere minderheden) geen reden om victorie te kraaien. Syrië werd weer een aparte staat, maar voegde dit keer het adjectief ‘Arabisch’ bij zijn officiële benaming van Republiek van Syrië. Voor de niet-Arabische minderheden in het land voorspelde dat niet veel goeds!


Koerdische repressie onder het Baath-regime

In de nieuwe Arabische Republiek van Syrië maakte de in 1947 opgerichte Baath-partij een snelle opgang. Het Baathisme werd ideologisch zowel beïnvloed door het Europese socialisme als door het fascisme. Het kan nog het best omschreven worden als een staatssocialistisch ingekleurd Arabisch nationalisme. Deze politieke filosofie stelde zich opvallend seculier op, hoewel het de Islam wel beschouwde als cultureel erfgoed van de Arabische natie, en sloot vooral goed aan bij de religieuze soepelheid en het maatschappelijke promotiestreven van de alawietische Arabieren. Deze voor de soennitische meerderheid verdachte sjiitische sekte (‘ongelovigen’ of zelfs ‘afvalligen’) was tot aan de Franse mandaatperiode steeds maatschappelijk gemarginaliseerd en geografisch naar de randgebieden verdrongen geweest. Via de in de Franse tijd verworven posities van de Alawieten in het leger en de ambtenarij won het Baathisme nu aan invloed.  Dit ging onder andere ten koste van de niet-Arabische Koerden die van de weeromstuit meer en meer uit het overheidsapparaat geweerd werden. De  boven vermelde oprichting van de DPKS in 1957 met als voornaamste programma-punt de erkenning van de Koerdische rechten schoot al helemaal in het verkeerde keelgat bij de Baath - supporters. Naast haar uitgesproken antisemitisme (waardoor Joodse Syriërs uit het land gepest werden) bood het Baathisme voor andere niet-Arabische minderheden slechts één weg naar de gelijkberechtiging: die van de volledige assimilatie. Koerden hadden zich te gedragen als ‘potentiële’ Arabieren, door bijvoorbeeld de Koerdische taal en cultuur in te ruilen voor de Arabische, waarna hun ‘verarabiseerde’ kinderen volledig zouden kunnen opgaan in de Arabische natie. Het Koerdische geredetwist over het programma van hun nieuwe partij in opbouw bevestigde het Arabische vermoeden dat zij in feite aanstuurden op territoriale aanspraken: Arabische grond die het toekomstige Koerdistan mogelijk moest maken! Internationale beroeringen speelden ook een rol: in buurland Irak grepen de Koerden in september 1961 onder leiding van Mullah Barzani naar de wapens wat natuurlijk met Argusogen gevolgd werd door de Syrische overheid. De repressie was nooit ver weg: DPKS-leiders werden gearresteerd en Koerdische publicaties verboden. Denk ook aan de Koerdische verdenkingen in verband met de schoolbrand in Amude in 1960.

In deze context van wantrouwen en vervolging ging men in een volgende fase   over tot een structureel anti-Koerdisch beleid. Op 23 augustus 1962 werd het beruchte ‘Decreet 93’ uitgevaardigd waarmee aan een significant deel van de Koerdische bevolking het Syrisch staatsburgerschap ontnomen werd. Het betrof Koerden die niet konden bewijzen dat zijzelf of hun ouders in Syrië geboren waren. De getroffenen vielen uiteen in twee categorieën. Ongeveer 120.000 Koerden (1/5 van de toenmalige Koerdische bevolking) werden tot ‘ajanib’ verklaard: zij verloren hun staatsburgerschap (waardoor ze geen eigendom meer konden bezitten, geen stemrecht meer hadden en ook geen overheidsbanen konden vervullen), maar ze kregen nog wel een verblijfsvergunning en behielden sommige burgerrechten. In de tweede categorie kwamen 75.000 ‘maktomeer’ terecht die tot staatlozen gedegradeerd werden en alle burgerrechten verloren: ze kregen geen reisvisum meer voor binnen-  of buitenland;  hun huwelijken werden niet officieel erkend, ze konden geen aanspraak maken op voedselhulp, hun kinderen konden geen hoger onderwijs volgen, hun auto’s en bedrijven werden niet ingeschreven, enzovoort. De ‘maktomeer’ waren een soort levende doden die slechts dankzij veel vindingrijkheid en solidariteit van de Koerdische gemeenschap het hoofd boven water konden houden.

De situatie van de Syrische Koerden werd nog prangender toen op 8 maart 1963 officieren van de Baath-beweging (waaronder Hafiz al-Assad) via een staatsgreep aan de macht kwamen. Eén van hun eerste projecten wordt de creatie van een soort Arabische buffer (al-Hizam al-Arabi) tussen het Syrisch-Koerdische kanton Cizire/Hasaka en de Koerdische regio’s in het aangrenzende Turkije en Irak. Die buffer was ongeveer 250 km lang en tussen de 10 en 14 km breed: de in deze zone wonende Koerden werden onteigend en vervangen door loyale Arabische kolonisten. Vele Koerden weigerden echter hun dorpen te verlaten waardoor er een soort Arabisch-Koerdische paralleldorpen ontstonden, waarbij de Arabische gedeelten extra gesoigneerd werden door het regime, terwijl de Koerdische aan hun lot werden overgelaten. In 1967  werd elke verwijzing naar de Koerdische leefgebieden verwijderd uit de Syrische schoolboeken. Ideologische rechtvaardiging voor deze flagrante schending van de rechten van hun Koerdische burgers werd geleverd  door een clandestiene handleiding die in november 1963 geschreven werd door het Arabische hoofd van de Syrische veiligheidsdiensten van het kanton Cizire. Daarin werd de Koerdische kwestie omschreven als een kwaadaardige tumor die uit het lichaam van de Arabische natie verwijderd moest worden. Koerden in Syrië werden vergeleken met de Zionistische kolonisten in Palestina: met hulp van hun Westerse imperialistische bondgenoten willen zij een Arabisch-vijandig Koerdistan stichten net zoals de joden dat gedaan hebben met de staat Israël. En net zoals Israël zal Koerdistan een pleitbezorger en verdediger worden van de belangen van hun Westerse broodheren die er slechts op uit zijn de Arabische natie economisch te exploiteren en politiek te controleren.

Ook nadat Hafiz al-Assad in november 1970 president van Syrië geworden is, werd het anti- Koerdische beleid verder doorgezet. Arabisch werd sinds 1973 niet alleen de bestuurstaal maar ook de enige toegelaten onderwijstaal (Assad ziet de staatsschool als de uitgelezen gangmaker van de arabisering). In 1977  werden de meeste Koerdische plaatsnamen vervangen door Arabische: zo werd het Koerdische kanton Kobani omgedoopt tot Ain al-Arab en de stad Derek werd al-Malikiyah. In de jaren tachtig werden er decreten uitgevaardigd die het gebruik van het Koerdisch in de werkplaats en tijdens feestelijkheden (trouwceremonies) verboden. Ook de aangifte van baby’s met Koerdische namen werd onmogelijk gemaakt. Nog in het jaar 2000 werden Koerdische culturele centra, boekhandels en andere culturele initiatieven uitgebannen. Zo probeerde men de Koerdische aanwezigheid uit het Syrische openbare leven en collectieve geheugen te wissen.

 Dat de Syrische Koerden dit lieten gebeuren, had te maken met het dubbelzinnig karakter van Assads bewind. De socialistische component van de Baath-ideologie lag aan de basis van een Arabische variant van de welvaartstaat (bijvoorbeeld voedselsubsidies voor de armen, economische zekerheid en toenemende welvaart voor de groeiende middenklasse) en van een relatief goed uitgebouwd onderwijssysteem. Ook op politiek vlak trad het Baath-regime in zekere mate tolerant op. We hebben al gezien dat de oorspronkelijke Koerdische partij DPKS, maar ook de partijtjes die er later door afscheuringen uit ontstonden nooit gelegaliseerd werden maar ook niet actief vervolgd. Op voorwaarde tenminste dat ze bepaalde rode lijnen niet overschreden (opkomen voor een onafhankelijk Koerdistan was zo’n overschrijding). Koerden konden dus politiek actief blijven in het door het regime getolereerde ‘grijze circuit’. Zij maakten dankbaar gebruik van deze mogelijkheid omdat ze - in tegenstelling tot hun volksgenoten in Turkije, Irak en Iran -  het alternatief van een gewapende bevrijdingsstrijd niet hadden. Dat had enerzijds te maken met hun zwakke minderheidspositie (2,3 miljoen Koerden op een bevolking van 22 miljoen) en met het geografische gegeven dat het Syrische landschap ongeschikt is voor een guerrilla-oorlogsvoering. Maar anderzijds had het zeker ook te maken met de andere, fascistische keerzijde van het Baath-regime: wie zich niet houdt aan de rode krijtlijnen die door het regime zijn uitgetekend  krijgt te maken met een meedogenloze repressie. Dat ondervonden de soennitische Moslimbroeders die in februari 1982 in de stad Hama een gewapende opstand tegen het regime ontketenden. Het historische centrum van Hama werd door het Syrische leger met de grond gelijk gemaakt en men schat dat 20.000 (sommigen menen: 40.000) opstandelingen én burgers die hen in hun midden hadden gedoogd de dood vonden. ‘Na het Hama-bloedbad van 1982 werd de ‘mukhabarat’ (de beruchte inlichtingendienst van het regime) alomtegenwoordig. Angst zou over het land heersen zolang Hafiz al-Assad leefde’ en ‘Het regime had er geen enkel probleem mee om geweld te gebruiken wanneer ze dit nodig achtte en dat zowel in het binnen- als in het buitenland. Dat impliceerde onder meer moord en terrorisme’. (Mc Hugo, 155 en 195)

Die Machiavellistische aanpak leidt ons ook naar de Koerdische schakel in het buitenlandse beleid van Hafiz al-Assad.  Reeds in mei 1979 was hij een strategische alliantie aangegaan met de Turks-Koerdische verzetsleider en voorzitter van de Koerdische Arbeiderspartij PKK,  Abdullah Öcalan. Bijna 20 jaar lang bevonden de hoofdkwartieren van de PKK en ook de trainingskampen van zijn strijders zich op Syrische bodem. Het Syrische regime gebruikte de Turks-Koerdische vrijheidsstrijders om druk uit te oefenen op de Turkse overheid die plannen had om het Eufraat-water in te dammen, waardoor Syrische landbouwgebieden door droogte bedreigd werden. Natuurlijk was het ook een ‘conflict bij volmacht’ (proxy war) in het tijdperk van de Koude Oorlog: Syrië deed zijn Sovjet-Russische bondgenoot een plezier door het NAVO–lid en Amerikanenvriendje Turkije de handen vol te geven op haar kwetsbare Koerdische oostflank. Assad ging heel ver in zijn ondersteuning van de Koerdische verzetsbeweging: zo liet hij toe dat Syrisch-Koerdische jonge mannen hun militaire dienstplicht vervulden bij de PKK. Eén vijfde van de PKK-strijders zouden van Syrische origine geweest zijn en in het twintigjarige conflict met het Turkse leger zouden tussen 7000 en 10.000 van hen gesneuveld zijn. (M. Gunter, 40). Er wordt geopperd dat Assad veel bewegingsruimte gaf aan de PKK in ruil voor de verzekering dat de PKK zich niet zou mengen in de binnenlandse aangelegenheden van Syrië (inclusief het respecteren van de rode lijn waaraan de Syrisch-Koerdische politici zich te houden hadden). Tegen de verwachting in leidde dit niet tot een vervreemding tussen de PKK en de Syrisch-Koerdische bevolking. Waarschijnlijk had dit te maken met het feit dat deze bevolking steeds sympathie had gevoeld eerst voor de Turks-Koerdische opstanden in het vooroorlogse Turkije en later, sinds de zestiger jaren, voor de strijd van de Iraaks-Koerdische peshmerga’s onder leiding van Mustafa en Massoud Barzani. Alhoewel die gewapende strijd niet direct positieve resultaten opleverde in de periode voor 1990, zorgde het wel voor een internationale erkenning van de ‘Koerdische kwestie’ en voor een versterking van de Koerdische identiteit in Turkije en Irak. Dit in tegenstelling tot het voorzichtige gemanoeuvreer van de Syrisch-Koerdische oppositie die zich (noodgedwongen) keurig hield aan de door het regime opgelegde politieke limieten maar daarmee nauwelijks effectief weerstand kon bieden aan de overheidscampagne gericht op het uitwissen van de Koerdische identiteit.

In de tweede helft van de negentiger jaren komt er echter roest op Assads strategie om de Turks-Koerdische bevrijdingsbeweging uit te spelen tegen zijn machtige Turkse buur en tegelijk zijn eigen Koerdische oppositie te muilkorven. Met de Val van de Muur en de implosie van de Sovjet-Unie verloor het Assad-regime een machtige bondgenoot en beschermheer en van die zwakte maakte de Turkse tegenstrever gebruik om zijn slag te halen. In het najaar van 1998 dreigde Turkije met een militaire interventie als Syrië zijn logistieke ondersteuning van de PKK niet opgaf. Öcalan werd vervolgens het land uitgezet en zijn gewapende strijders vonden een toevlucht in het Qandil-gebergte in Irak. Dat moeilijk toegankelijke bergland was ondertussen autonoom Koerdisch gebied  geworden onder leiding van Massoud Barzani (die de bescherming genoot van de Amerikanen in zijn strijd tegen Saddam Houssein). Öcalan zelf werd in het voorjaar van 1999 door een samenwerking tussen Europese diplomaten, de Amerikaanse CIA en Turkse veiligheidsdiensten uit de Kenyaanse hoofdstad Nairobi ontvoerd en aan een Turkse militaire rechtbank uitgeleverd die hem ter dood veroordeelde (een straf die drie jaar later, onder druk van de EU, omgezet werd in levenslang). De Turkse machthebbers kraaiden victorie en meenden samen met Öcalan en de PKK ook de ‘Koerdische kwestie’ uit de wereld geholpen te hebben. Een vergissing van formaat, zo bleek achteraf. De ‘Koerdische kwestie’ was door 40 jaar openlijke, gewapende strijd terug op de internationale agenda geplaatst en had de deemsterende Koerdische identiteit opnieuw versterkt en respectabel gemaakt. Wat Aliza Marcus schreef over de Turkse Koerden geldt evenzeer voor het Syrisch-Koerdisch zelfbewustzijn: ‘De PKK overleeft omdat zij populair is bij de Koerden in Turkije. Zij is populair omdat zij zo lang vocht en deze lange strijd bond het volk aan de partij en leverde haar het Koerdische respect op. Koerden in Turkije zijn onwillig om zich tegen haar te keren, want dat zou neerkomen op het verraad van de eigen dromen. Öcalan is een symbool geworden van de Koerdische verlangens. Wat hij zegt of doet is niet zo belangrijk, omdat hij een symbool is. Net zoals de PKK zelf. De strijd van de PKK zette, wat je er ook van mag denken, het Koerdische probleem op de agenda van Turkije en maakte het wereldwijd zichtbaar. Het hielp Koerden om zichzelf als Koerden te waarderen. Het gaf hen een gevoel van waardigheid’ (A. Marcus, 305).


Syrië en de Koerden onder Bashar al-Assad

Na de dood van Hafiz al-Assad in juni 2000 werd hij opgevolgd door zijn in het Westen opgeleide zoon Bashar.  Bashar probeerde het regime van zijn vader te bestendigen door het economisch beleid te liberaliseren en (aan de uitgavezijde) de welvaartcomponent af te breken. Dat kwam een kleine extreem rijke elite rondom de Assad-clan en ook een groeiende grootstedelijke middenklasse met sterke democratische aspiraties ten goede. Verliezers van het nieuwe beleid waren enerzijds de plattelandsbevolking die dramatisch verarmde (ook al door een ongewone droogte in de periode 2006-2010) terwijl anderzijds het stedelijke proletariaat steeds meer te lijden had onder de groeiende werkloosheid. Daarnaast probeerde Bashar Assad ook strategisch in te spelen op de Islamitische revival die overal in de Arabische wereld zichtbaar werd en de ideologische functie van het vroegere Arabische nationalisme grotendeels overnam. In het vervolg mochten schoolmeisjes de ‘nijab’ dragen (de hoofddoek die haren en hals bedekt), Baath-functionarissen gingen systematisch participeren aan religieuze plechtigheden en Islamitische NGO’s kregen toestemming om private welzijnsvoorzieningen uit te bouwen (die in plaats kwamen van de vroegere overheidsvoorzieningen). Op buitenlands vlak steunde Bashar volmondig het steeds uitgesprokener religieus getint verzet tegen de Israëlische bezetting (Hamash, Hezbollah). MAAR: de macht van de gevreesde ‘mukhabarat’ bleef onaangetast en de kloof tussen de kleine kliek steenrijken (‘ons kent ons’) en de uitdijende massa paupers werd steeds groter.

Wat de Koerden in Syrië betreft zijn er drie gebeurtenissen die een transformatie zouden teweegbrengen in de houding van de meerderheid van de bevolking en van de in hun naam sprekende politici. Dat leidde tot een zeer onverwachte  ‘uit de kast komen’ van de bijna uitgewiste Koerdische identiteit in Syrië en tot totaal nieuwe krachtsverhoudingen, uitdagingen en toekomstperspectieven.

Op 12 maart 2004 braken er in de Syrisch-Koerdische stad Qamislo (op de grens met Irak) rellen uit tussen supporters van het lokale Koerdische voetbalteam en van het Arabische team van Dayr al-Zur. Aanleiding waren beledigingen van politieke aard (Sadam Houssein, de vroegere president van Irak en wrede Koerdenvervolger, was net gearresteerd en zijn proces was lopende) die de supporters naar elkaars hoofden slingerden. De opstootjes breidden zich uit naar de andere Koerdische regio’s van Syrië en de Koerdische wijken van Aleppo en Damascus. Standbeelden van Assad werden neergehaald en overheidsgebouwen vernield. De ‘rode lijn’ van toegelaten Koerdische kritiek was duidelijk overschreden en politie en ‘mukhabarat’ doodden tientallen demonstranten. Er is sprake van een ‘serhildan’, een Koerdische woord dat ‘hoofd omhoog’ betekent, een wederopstanding van het Syrisch-Koerdische bewustzijn dat niet langer wil buigen voor de gewapende repressie. De Syrische ‘serhildan’ was duidelijk geïnspireerd door soortgelijk openlijk Koerdisch volksverzet in Irak (waar ondertussen een Koerdische Regionale Regering (KRG)  tot stand kwam) en Turkije (waar de veroordeelde Öcalan op zijn gevangeniseiland Imrali een nieuwe politieke strategie uitwerkte ter vervanging van de militaire patstelling waarin het gewapende verzet terecht was gekomen). Tienduizenden demonstranten sloten zich aan bij de begrafenisstoeten van de slachtoffers. Er was een nieuwe generatie Syrische Koerden opgestaan die te kennen gaf dat ze niet langer akkoord gingen met de voorzichtige ‘grijze zone’-politiek van de oudere generatie. Dat bleek nogmaals naar aanleiding van de moord op de Koerdische soefie, sjeik Maashouq Khaznawi in juni 2005. Volgens de overheid ging het over een crimineel voorval. Maar, omdat de soefie-leider zich nog maar pas tevoren had uitgesproken voor meer tegemoetkomingen aan de Koerdische bevolking, zagen de mensen daarin de hand van de ‘mukhabarat’. Zijn begrafenis in Qamishli trok opnieuw 25.000 politieke slogans scanderende demonstranten aan.

De Syrische variant van de Arabische Lente brak los in maart 2011 als een strijd over sociaal-economische kwesties (armoede, werkloosheid) en meer democratie. Bashar al-Assad  had gehoopt dat hij met zijn economische liberalisering,  religieuze tegemoetkomingen en anti-imperialistische retoriek de Lente-tsunami aan zich kon laten voorbijgaan. Maar de oppositie had genoeg van de geïnstitutionaliseerde paranoia van de overheid en het daarmee gepaard gaande staatsgeweld en werd aangemoedigd door de successen van de opstanden in het buitenland (Tunesië en Egypte). De Islamitische oppositie had bovendien gezworen wraak te nemen voor het bloedbad in Hama in 1982. Zo escaleerde het oorspronkelijk vreedzame protest tot een strijd op leven en dood tussen de regimegetrouwe groepen en een zeer diverse oppositie. Een strijd die werd aangewakkerd door een religieuze tegenstelling (alawieten versus soennieten), een (religieus getint) ‘conflict bij volmacht’ tussen het westers georiënteerde soennitische blok (Turkije, Saoedi-Arabië, Qatar) en een anti-westers sjiitisch blok (Irak, Iran, Hezbollah) en een nieuwe aanwakkerende Koude Oorlog-bries tussen de V.S. en Rusland/China. Deze elkaar niet steeds overlappende tegenstellingen hadden als vreemd gevolg dat de radicale jihadistische groepen Jabhat al-Nusra (het oude al-Qaeda) en IS (Daesh) zich gingen voordoen als componenten van de democratische Syrische oppositie. Een absurde constellatie die Assad & Co een welkome nieuwe legitimatie opleverde als seculiere buffer tegen het oprukkende jihadisme (dat trouwens al heel snel de zwak georganiseerde democratisch gezinde milities verdrong). Omdat het regime en de oppositie elkaar aanvankelijk in de grote stedelijke gebieden van West-Syrië bevochten, bleven de Koerdische opposanten de strijd op een afstand volgen. Koerden hadden vanzelfsprekend niet veel op met het Baath-regime, maar wisten evenmin wat ze van de Democratische Oppositie te verwachten hadden. En toen deed er zich voor de Koerden een buitenkansje voor. Om de eerste snelle opmars van de oppositie te kunnen stoppen trok het Baath-regime (volgens sommigen in samenspraak met bepaalde Koerdische groepen) haar troepen uit de noordelijke Koerdische randgebieden terug, waardoor de Koerden in staat gesteld werden ‘to emerge out of nowhere and assume a de facto autonomy’. (M. Gunter, 2014, 97)

  Op 7 oktober 2011 werd de liberale Koerdische advocaat Mishaal Tammo, woordvoerder van de ‘Koerdische Toekomstbeweging’, door een gemaskerd commando in zijn appartement in Qamislo vermoord. 50.000 mensen woonden zijn (door de politie beschoten) begrafenis bij, de grootste Koerdische protestactie tegen Assad sinds het begin van de Arabische Lente. Men neemt aan dat de moord op Tammo het proces dat de Koerden definitief op het spoor van autonomie zette, heeft versneld. Dat ging echter in tegen de intentie van het slachtoffer die zichzelf beschouwde als lid van de brede Syrische oppositie waarbinnen hij pleitte voor een gelijkberechtiging van de Koerden. Met het oog daarop weigerde hij ook te participeren aan Koerdische coalities die aanstuurden op een autonoom bestuur. Wie het moordcommando stuurde is nooit duidelijk geworden: de aan de Turks-Koerdische PKK gelieerde PYD (we komen er straks op terug) die de autonomie nastreeft of het Baath-regime dat een samenwerking van de oppositie met de Koerden wilde verhinderen of misschien zelfs Turkije of Iran (elk met hun eigen redenen)?


De creatie van een Koerdische autonome regio in Syrië

In de loop van het voorjaar van 2012, toen de Syrisch-Arabische Lente uitgelopen was op een bloedige burgeroorlog, schijnt er samenspraak geweest te zijn tussen het Assad-regime en de Koerdische PYD-partij (‘Democratische Eenheidspartij’). Deze partij werd in 2003 opgericht door achtergebleven PKK-sympathisanten nadat hun leider Öcalan en zijn gewapende vrijheidsstrijders (w.o. 20% van Syrische origine) onder Turkse druk gedwongen waren geweest het land te verlaten.  Terwijl zijn strijders zich terugtrokken in het Iraakse Qandil-gebergte werd Öcalan in een hinderlaag gelokt, naar Turkije ontvoerd en daar tot levenslang veroordeeld, een straf die hij in volledige isolatie uitzit op het zwaar bewaakte eiland Imrali voor de West-Turkse kust. Daar begon hij de politieke doelstellingen en de strategie van de Koerdische emancipatiebeweging volledig te herzien. Niet langer stond een onafhankelijke natie-staat Koerdistan op zijn agenda, maar zelfbesturende autonome Koerdische regio’s binnen de bestaande maar sterk gedemocratiseerde staten Turkije, Syrië, Irak en Iran. ‘Democratische autonomie’ werd dan ook vanaf 2011 het nieuwe parool van de PKK in Turks Koerdistan (tot grote woede van de toenmalige premier - ondertussen president - Erdogan die er slechts een vermomd separatisme in zag en het Turkse leger toestemming gaf de Qandil-regio binnen te vallen). De PKK heeft echter samen met bevriende zusterpartijen in Irak, Iran, de Koerdische gemeenschap in de EU en Syrië een koepelorganisatie KCK (Unie van de Gemeenschappen van Koerdistan) gevormd die allen hetzelfde parool hanteren.

In het geval van de Syrische PYD zag de partij in de onderhandelingen met het in het nauw gedreven Baath-regime een uitgelezen kans om het nieuwe Koerdische parool in de praktijk te brengen. Zoals we zullen zien viel de dialoogbereidheid van het regime te verklaren vanuit de steun die Turkije uit strategische redenen gaf aan de Syrische Oppositie. Assad meende die Turkse invloed maar ook de Syrische Oppositie in zijn geheel te kunnen verzwakken door de PKK/PYD-kaart uit te spelen. De PYD ging op het voorstel van Assad in, niet omdat zij een goed maatje van het regime was (heel wat PYD-leden zaten in Syrische gevangenissen en de decennia-lange miskenning van de Koerden door het regime staat in het Koerdische collectieve geheugen gegrift), maar wel omdat zeker niets goeds van Turkije te verwachten viel en het onbekend was wat de Syrische Oppositie (in meerderheid Arabisch en Islamitisch) voor de Koerden in petto had. Het resultaat van de onderhandelingen was dat het Syrische leger zich tussen 19 en 24 juli 2012 ijlings en quasi-volledig uit de Koerdische kantons en wijken (in Aleppo) terugtrok met achterlating van uitrusting en munitie. Deze militaire reorganisatie had enerzijds als opmerkelijk gevolg dat de Koerdische politieke organisaties het (voorlopige) bestuur van de Koerdische kantons praktisch in de schoot geworpen kregen. Anderzijds echter bleek vooral de PYD over voldoende voorbereiding en organisatievermogen te beschikken om deze gecompliceerde opdracht tot een goed einde te brengen. Reeds op haar derde partijcongres in 2007 had de PYD een Centraal Coördinerend Comité (CCC) als een soort schaduwregering (bestaande uit 24 leden) met aparte departementen voor politiek, cultuur, vrouwen, jeugd enzovoort opgericht. Het coördineerde tevens de activiteiten van de bestaande lokale volkscomités en bestuursorganen. Tegelijk werd gestart met de uitbouw van een eigen zelfverdedigingsmilitie, de YPG. Zo creëerde de partij al tijdens de jaren voor de Arabische Lente het beeld van een competente en diep in het volk gewortelde organisatie, waartegenover haar politieke rivalen die actief waren in de beruchte ‘grijze zone’ van het Assad-regime (de KDPS en de uit haar voortgekomen afsplitsingen) bleekjes afstaken. Ook na de uitbraak van de Syrische Lente bleef de PYD uitblinken in organisatorische daadkracht, zowel op het vlak van het politieke bestuur (met de oprichting van coördinerende raden die instaan voor orde en dienstverlening  onder oorlogsomstandigheden) als op het vlak van de militaire efficiëntie in de strijd tegen IS (denk aan de redding van de opgejaagde Yazidi’s en de doorbraak van de belegering van  Kobani). Dit neemt niet weg dat de dominante positie van de PYD een probleem van democratische legitimatie stelt zolang men geen duidelijk zicht heeft op de politieke krachtsverhoudingen binnen de Koerdische regio’s. Het is een feit dat de PDKS en haar splinters (ook gesteund door de KRG in Irak) vooral sterk staan (stonden?) in Cizire en de Koerdische wijken van Aleppo en Damascus, terwijl de PYD de overhand heeft in Efrin en Kobani. Daar komt nog bij dat de PYD als zusterorganisatie van de PKK gebukt gaat onder het terrorisme-etiket dat deze laatste opgeplakt kreeg. In 2002 plaatsten de Europese Unie en de V.S. onder druk van de Turkse overheid de Turks-Koerdische partij op hun terrorisme-lijst, waarin ze een jaar later door de NAVO gevolgd werden. Deze criminalisering heeft tot gevolg dat Koerdische organisaties en instellingen die de PKK-lijn volgen voortdurend te maken krijgen met verdachtmakingen en juridische vervolging terwijl diplomatieke kanalen (belangrijk met het oog op internationale samenspraak, hulp en overleg in crisissituaties) voor hen gesloten blijven. Hier dient echter benadrukt te worden dat de ‘Koerdische kwestie’ nooit alleen een kwestie van strikt regionaal belang is geweest!


De Koerdische pion op het internationale geopolitieke schaakbord

Sinds jaar en dag fungeren Koerdische verzetsbewegingen als pionnen op het schaakbord van mondiale en regionale grootmachten. De Koerdische pion wordt ingezet met het oog op de belangen van deze grootmachten: wanneer deze belangen verzekerd zijn, mag of moet de pion van het schaakbord verdwijnen. Het Koerdische autonomiestreven wordt handig gemanipuleerd om het geopolitieke eigenbelang te verzekeren. En al te lang hebben de Koerden naïef geloofd dat de wereldleiders oprecht bekommerd waren om hun lot, terwijl ze enkel door hen gebruikt werden. Zo hielpen de V.S. in de zeventiger jaren hun bondgenoot, de sjah van Iran, om het Koerdische verzet in eigen land te breken terwijl ze de Koerdische peshmerga’s van Mustafa Barzani ondersteunden in hun opstand tegen het toenmalige Baath-regime van de buurstaat Irak. De Amerikaanse belangen kwamen echter anders te liggen toen Khomeini in 1979 de sjah van Iran onttroonde en een anti-Amerikaanse koers begon te varen. De rollen werden nu omgekeerd: het Iraans-Koerdische verzet tegen het Khomeini-regime kon in het vervolg op Amerikaanse steun rekenen (maar moest na enkele jaren het onderspit delven). Wie echter ook op Amerikaanse steun kon rekenen was de pas aan de macht gekomen Saddam Houssein in Irak die een 10 jaar lange oorlog begon met Iran. Waarbij hij de vrije hand kreeg om de eigen Koerdische bevolking (die hij als een soort vijfde kolonne van de Perzen beschouwt) te vervolgen en uit te moorden. In de tegen hen gerichte al-Anfal campagne in de periode 1986-1989 stierven tussen de 100.000 en 200.000 Iraakse Koerden ten gevolge van de inzet van chemische wapens en opsluiting in concentratiekampen. Deze oorlog tussen Irak en Iran eindigde onbeslist. Maar Sadam Houssein overspeelde zijn hand toen hij het jaar daarop Koeweit binnenviel en daarmee het startschot gaf voor de eerste Golfoorlog: de V.S. en haar bondgenoten vielen Irak binnen en riepen dit keer de Iraakse Koerden (en sjiieten) op de wapens op te nemen tegen Saddam Houssein. Deze opstand mislukte, maar onder druk van de internationale publieke opinie voorkwamen de V.S. een bloedbad onder de Koerdische bevolking. Onder Amerikaanse bescherming slaagden de peshmerga’s erin een eigen Koerdische Regionale Regering (KRG) op de been te brengen die na de tweede Golfoorlog in 2005 (uitlopend op de val van Housseins regime) de jure onafhankelijk zou worden. Zoals we nog zullen zien is de politieke filosofie van de KRG Westers gezind wat leidt tot een gespannen relatie met de Turks-Koerdische PKK (en dus ook tot de zusterpartij PYD in Syrië) die net van de directe democratie en een socialistische economie haar ideologische hoekstenen heeft gemaakt.

Het wegvallen van Iran maakte Turkije vanaf de tachtiger jaren tot een cruciale geopolitieke bondgenoot van de V.S.. In dat land liet de dominante overgeërfde  ultranationalistische ideologie van Ataturk nauwelijks bewegingsruimte toe voor het Koerdische autonomiestreven. Dat had in de tweede helft van de zeventiger jaren geleid tot de oprichting van een gewapende marxistisch geïnspireerde Koerdische verzetsbeweging, de Koerdische Arbeiderspartij (PKK),  die in de tachtiger en negentiger jaren van vorige eeuw zou uitgroeien tot een tegenstander van formaat voor het nochtans machtige Turkse leger (dat qua grootte binnen de NAVO enkel door de Amerikanen overtroffen wordt). Zoals reeds gezegd eindigde dit conflict voorlopig met de terugtrekking van de Turks-Koerdische verzetsstrijders naar het Iraakse Qandil-gebergte (dat onder de bestuur van de KRG valt!) en de arrestatie en veroordeling van hun leider Abdullah Öcalan. Deze laatste erkende in zijn gevangenschap de mislukking van zijn streven naar een onafhankelijk Koerdistan en werkte een nieuw politiek project uit van autonome Koerdische regio’s binnen de bestaande landsgrenzen. Op sommige momenten leek de Turkse overheid wel oor te hebben voor de nieuwe voorstellen van haar Koerdische tegenstrever. Zeker toen de gematigd Islamitische partij AKP de parlementsverkiezingen van 2002 won en de populaire Recep Tayyip Erdogan het jaar daarop de AKP-eerste minister werd. In zijn eerste regeringsjaren zocht hij toenadering tot de EU, damde de politieke macht van de militaire kaste in en stelde zich welwillend op in de ‘Koerdische kwestie’. In ieder geval werden nog einde 2012 onderhandelingen met de PKK aangekondigd en een staakt-het-vuren in acht genomen. Deze zouden in februari 2015 uitmonden in het zogenaamde ‘akkoord van Dolmabahce’ (genoemd naar het paleis in Istanboel waarin de gemeenschappelijke verklaring werd afgelegd in aanwezigheid van leden van de AKP-top) waarbij tien algemene streefdoelen aangeduid werden die de voorwaarden moesten scheppen ter oplossing van de Koerdische kwestie.

 Vlak daarop echter veranderde de ondertussen president geworden Erdogan  van koers. De onderhandelingen werden afgebroken en het bezoekrecht aan Öcalan opgeschort. De reden moet waarschijnlijk gezocht worden in het feit dat hij had gehoopt bij de volgende verkiezingen voldoende Koerdische steun te kunnen winnen om de door hem nagestreefde constitutionele machtsuitbreiding van de presidentiële functie te kunnen doorzetten. Toen echter uit peilingen bleek dat de Koerdische oppositiepartij HDP wel eens ruimschoots de kiesdrempel van 10% zou kunnen overschrijden en dat ze geenszins van plan was hem zijn zin te geven, trok hij de stekker uit de onderhandelingen. In de aanloop naar de verkiezingen van juni 2015 werd het halfbakken vredesproces resoluut afgebroken. Erdogan ging nu verklaren dat er in Turkije nooit een Koerdisch probleem had bestaan, enkel een terrorisme-probleem. Desondanks leverden de verkiezingen een klinkende overwinning op voor de HDP maar de daarop volgende coalitieonderhandelingen mislukten. Ondertussen werden de luchtbombardementen tegen de PKK-kampen in het Qandil-gebergte hervat. Vervolgens werden er bij een bomaanslag in het Turkse stadje Suruc, dicht bij het Syrische Kobani, 33 linkse activisten gedood  (door Daesh of door de Turkse ‘deep state’?), terwijl in de daarop volgende Koerdische wraakactie twee Turkse agenten het leven lieten. Jongeren gingen de confrontatie aan met de Turkse veiligheidsdiensten en riepen Koerdische bevrijde zones uit. Deze ‘spiraal van geweld’ wakkerde de nationalistische gevoelens aan in Turkije wat uitdraaide op een AKP-overwinning bij de hernieuwde verkiezingen in november 2015. Zijn uitzonderlijk electoraal succes overtuigde Erdogan ervan dat hij zich niet langer tolerant moet opstellen ten aanzien van dwarsliggende individuen, beroepsgroepen (onder meer journalisten en academici) of etnische minderheden die zich niet terugvinden in het AKP-project. Zoals reeds gezegd, stuurt hij aan op een forse uitbreiding van zijn presidentiële macht als een volgende legale stap in zijn streven naar de hegemonie van zijn variant van de politieke (soennitische) Islam. Het is dan ook legitiem zich af te vragen hoe lang het nog zal duren  vooraleer dit (tot nog toe legale) machtsstreven omslaat in een onverzadigbare machtshonger uitmondend in een dictatoriale staatsvorm (Islamofascisme)?

Deze cynische omgang van de Turkse machthebbers met de Koerdische kwestie (verzoenend of repressief al naargelang de verwachte politieke winst) krijgt bovendien nauwelijks tegenwind vanwege hun Westerse bondgenoten. Het terrorisme-etiket, dat de Koerdische verzetsorganisaties opgeplakt kregen, heeft tot gevolg dat deze in het beste geval (als men ze nodig heeft) met rust gelaten worden, maar dat ze onder andere omstandigheden even goed object kunnen zijn van vervolging en uitroeiing. De indirecte steun die Turkije verleende aan het oprukkende Daesh in de Turks-Syrische grensgebieden was duidelijk bedoeld om het Koerdische verzet te breken. De NAVO beperkte zich tot een oproep tot Turkije om zich terughoudender op te stellen, maar van een echte veroordeling was geen sprake. Het laatste jaar maakt Turkije natuurlijk ook handig gebruik van de Syrische vluchtelingenstroom om zich als een onontbeerlijke buffer voor de EU te profileren. Als de EU zich niet buigt naar de Turkse eisen dan heeft de Turkse president er alle voordeel bij om de Syrische chaos mede in stand te houden en de vluchtelingen als permanent chantagemiddel tegen Europa te gebruiken.


Vooruitzichten voor een autonoom Rojava

De Syrisch-Koerdische deskundige Michael M. Gunter schrijft in zijn boek ‘Out of nowhere’ (2014): ‘From being merely a sleepy unimportant backwater in the Kurdish struggle, Syria has suddenly graduated to being not only a burgeoning centre of newly empowered Kurdish nationalism, but even more important, a major flashpoint in the regional geopolitical situation’ (Van een slaperig onbelangrijk gat in de strijd van de Koerden, is Syrië  plotseling niet alleen gepromoveerd tot een centrum van een ontluikende nieuwe kracht van Koerdisch nationalisme, maar ook - en dat is zelfs van meer betekenis - tot een belangrijke vlampunt in de regionale geopolitieke situatie) [p. 103]. De vraag moet dan gesteld worden: wat zijn de vooruitzichten voor de autonome regio Rojava die zich trouwens onlangs - op donderdag 17 maart 2016 - omvormde tot een ‘democratisch-federaal systeem voor Rojava-Noord-Syrië’? Natuurlijk zal die toekomst afhangen van de uitkomst van de Syrische burgeroorlog. Daarbij worden drie mogelijke scenario’s naar voren geschoven [Gunter, 2014, 119-128].

Het eerste scenario was gebaseerd op de ondertussen vervlogen hoop dat de in 2012 opgestarte onderhandelingen tussen de Turkse AKP-regering en de Turks-Koerdische PKK zouden uitmonden in een duurzame overeenkomst tussen beide partijen waarbij de Turks-Koerdische regio (‘Noord-Koerdistan’ of Bakur voor de Koerden) een zekere mate van autonomie zou verwerven binnen het Turkse staatsbestel. Zo’n erkenning binnen de bestaande Turkse natie zou echter ook een meer democratische Turkse constitutie vereisen, waarbij de politieke macht gedecentraliseerd zou worden (‘democratiseer de republiek’). Dat waren voorwaarden die vermeld werden in het boven genoemde ‘akkoord van Dolmabahce’ van februari 2015 en ook in de door Abdullah Öcalan geschreven tekst ‘Democratisch confederalisme’ uit 2005. Meer democratie en erkenning van de Koerdische identiteit zou voor Turkije de poorten opengezet hebben voor de aansluiting bij de EU en meer economische welvaart. Rojava zou dan alle redenen gehad hebben om aansluiting te zoeken bij de autonome Turks-Koerdische regio. Met tevreden Koerden aan haar oost- en zuidflank zou Turkije niet langer haar veiligheid hebben moeten verzekeren met een geldverslindend en onpopulair politioneel en militair veiligheidsapparaat. Deze mogelijke uitkomst van het vredesproces is echter door de recente spectaculaire koerswijziging van Erdogan, gericht op het aanwakkeren van nationalistische gevoelens bij de Turkse bevolking (en electorale winst), volledig afgesloten. De Turks-Syrische PYD beschouwt Turkije momenteel als een grotere vijand dan het Baath-regime, terwijl Turkije de PYD als de Syrische afsplitsing van de PKK ziet en dus als een te bestrijden terreurorganisatie- beschouwt. Men neemt aan dat slechts het Amerikaanse ‘njet’  Turkije ervan weerhoudt Rojava rechtstreeks aan te vallen. Het misschien ietwat te rooskleurige eerste scenario dat een paar jaar geleden nog een zekere geloofwaardigheid bezat is momenteel dus naar de prullenmand verwezen.

Een tweede enigszins geloofwaardiger scenario is het samengaan van Rojava met de autonome Iraaks-Koerdische regio, de Koerdische regionale overheid (KRG) onder leiding van Massoud Barzani zetelend in Erbil. Zoals reeds gezegd fungeerden de Iraakse Koerden (de peshmerga’s) lange tijd als de partij die een katalysator vormde voor het transnationale Koerdische bewustzijn en dit zowel in Turkije en Iran als in Syrië. Eerst door het gewapende verzet van Massoud Barzani’s KDP (Democratische Partij van Koerdistan) en van (de wat meer progressieve) Jalal Talabani’s PUK (Patriottische Unie van Koerdistan) en later ook door het feitelijke bestaan en (sinds mei 2005) de constitutionele erkenning van de KRG en de benoeming van Talabani tot president van Irak (2005-2014). De Syrisch-Koerdische partij KDPS zou zich vanaf haar oprichting door beide boegbeelden laten inspireren, wat trouwens in de loop van haar evolutie aanleiding zou geven tot vele afsplitsingen en versplintering. De huidige KPDS (het resultaat van een fusie van drie partijen) beschouwt zich nog altijd als een zusterpartij van Barzani’s KDP terwijl de KD Progressieve Partij dan weer de zusterpartij is van Talabani’s PUK. Veel van deze Syrisch-Koerdische partijen en  partijtjes zouden in oktober 2011 lid worden van de koepelorganisatie KNC (Koerdische Nationale Raad) opgericht onder de voogdijschap van Barzani. De PYD die geen lid werd van deze Raad richtte haar eigen koepel op. In juni 2012 tekenden de KNC en de PYD een gezamenlijke overeenkomst, waarin o.a. voorzien werd in de oprichting van een Hoge Koerdisch Raad die zou moeten instaan voor een overgangsbestuur. Deze Raad heeft nooit echt gewerkt, omdat zij ingehaald werd door de loop  der gebeurtenissen: na de omsingeling van de regeringsgebouwen door gewapende militanten in juli trokken de regime-functionarissen en militairen zich terug uit de Koerdische kantons en hun plaats werd ingenomen door de PYD en haar zelfverdedigingsmilitie YPG. Hun politieke en militaire daadkracht en efficiëntie drukten de voorheen invloedrijke KDPS in de politieke marge.

Deze wrijvingen tussen beide Koerdische blokken zijn te verklaren uit historische, ideologische en politieke verschillen.  Historisch gezien hebben er zich in de loop der jaren heel wat spanningen en botsingen voorgedaan tussen de Turkse PKK-strijders en de peshmerga’s van Barzani en Talabani (waarbij die laatste twee soms ook onderling slaags raakten) in het Iraakse Qandil-gebergte. Die spanningen waren strategische van aard (ook de peshmerga’s hadden zwaar te lijden onder de invallen van het Turkse leger), maar toch was dat was niet de enige reden. De PKK was oorspronkelijk marxistisch-leninistisch geïnspireerd (eerder maoïstisch zeggen sommigen) en werd tijdens de Koude Oorlog tot het communistische blok gerekend, terwijl de KPD en PUK zich  Westers georiënteerd opstelden, maar met behoud van het tribalisme (vgl. de alomtegenwoordigheid van de Barzani-clan in het bestuur en het leger) en van een traditionalistisch conservatisme (vgl. de positie van de vrouw, het paternalisme van de politieke leiding). De economie van de KRG is gebaseerd op olie-dollars, het aantrekken van buitenlandse investeerders en het stimuleren van het consumentisme (vgl. de grootse winkelcomplexen in Erbil). De lage olieprijs, de slabakkende wereldeconomie en de dreiging die uitging van Daesh hebben het KRG-imago van een relatief vrij en vrolijk marktparadijs geen goed gedaan, maar men hoopt wel op een snelle nieuwe start. Hoewel de huidige KRG-regering in 2009 democratisch verkozen werd, ontstond er al spoedig onrust over de welig tierende corruptie, het nepotisme en cliëntisme. Uit een afsplitsing van de PUK groeide zelfs een anti-corruptie partij die tijdens de Arabische Lente een rol zou spelen bij de burgerprotesten tegen boven genoemde uitwassen van het KRG-regime. Bovendien hangen de KRG-leiders een strikt nationalistische politiek aan en streven een Koerdische natie-staat na, als het moet als deelstaat binnen het kader van de Iraakse staat, maar het liefst als het even kan als onafhankelijke entiteit. Zo worden alle leidinggevende posities in de regio ingenomen door Koerden en weigeren de Koerdische bevelhebbers IS te verdrijven uit dorpen of stadjes waar de Koerden slechts een minderheid vormen. Deze kenmerken van het KRG-model maken het moeilijk verzoenbaar met het libertaire socialisme waarop het PKK-model zich in het laatste decennium beroept (inclusief de verwerping van een zuiver Koerdisch nationalisme). Van een broederlijke samenwerking tussen beide modellen is dan ook nauwelijks sprake. De PYD verwijt de KRG (onder meer) in samenspraak met de Turkse overheid een embargo in stand te houden waardoor Rojava geen levensnoodzakelijke goederen en wapens kan importeren. De KRG verwijt de PYD dat het op een akkoord gegooid heeft met het Baath-regime en de Koerdische partijen die deel uitmaken van de KNC (en zich als zusterpartijen van de KDP of de PUK beschouwen) het leven te bemoeilijken. Ook functioneren beide modellen binnen de gespannen geopolitieke context van het Midden-Oosten waarin regionale grootmachten (denk maar aan Turkije, Iran en Saoedi-Arabië) en wereldmachten (VS, Rusland) een beslissende stem in het koor hebben. Turkije steunt de KRG (want het bestaan ervan verzwakt Irak, is een goedkope olieleverancier en een interessante klant voor Turkse ondernemers), maar is er tegelijk op uit het PKK-model in eigen land te vernietigen waarbij het Rojava slechts onder druk van sterke broer Amerika voorlopig met rust laat. De V.S. onder presidentschap van Obama beschermen de KRG, maar hebben onlangs (noodgedwongen) de PYD en de YPG leren erkennen als betrouwbare  bondgenoten in de strijd tegen IS. Men kan zich echter afvragen wat de Amerikaanse politiek zal worden wanneer IS definitief teruggedrongen is en de opvolger van Obama de teugels in Washington in handen zal nemen? Rusland lijkt de Koerden wel genegen te zijn (zij drongen aan op een PYD-vertegenwoordiging tijdens de recente vredesbesprekingen in Genève), maar zouden dit vooral uit tactische overwegingen te doen (een rondje Turkije ergeren).

 Ondanks het bestaan van twee Koerdische maatschappijmodellen heb ik de indruk dat de betrokken Koerdische leiders en activisten in Turks Koerdistan, Noord-Syrië en Irak zich bewust zijn van hun kwetsbare positie in een gebied waar de meerderheid der machthebbers het autonomiestreven van de Koerden met Argusogen volgt. Daarom is geen van beide Koerdische modellen bereid de ideologische en politieke verschillen op de spits te drijven en de communicatie helemaal te verbreken. Men is er zich van bewust dat geen enkele Koerdische entiteit (de PKK in Turkije en het Qandil-gebergte, de KRG in Irak en Rojava in Syrië) sterk genoeg is om een gecoördineerde aanval van een staand leger te weerstaan. De enige uitweg is dan dat men probeert om een diplomatiek proces op gang te brengen dat kan resulteren in één of andere duurzame vorm van Koerdische autonomie. Dat is ook de reden waarom Rojava (dat zich inzet voor een toekomstig sterk gedecentraliseerd en federaal Syrië) in de lente van 2016 is begonnen met het openen van diplomatieke posten (in Parijs, Praag, Stockholm en Moskou). Daarom ook probeert Rojava  haar radensysteem (directe democratie) te combineren met een vorm van representatieve democratie die gemakkelijker aanvaardbaar is voor conservatieve Koerden en voor de wereldgemeenschap. En dat is ook de reden waarom de PYD haar militaire slagkracht probeert om te munten in medezeggenschap over de toekomst van het nieuwe Syrië na de burgeroorlog. Het hier besproken scenario van een samengaan van de KRG met Rojava is dus omwille van geopolitieke en ideologische redenen weinig waarschijnlijk, maar een of andere vorm van ‘unie’ valt toch ook niet helemaal uit te sluiten. Het is echter koffiedik kijken om te willen voorspellen hoe zo’n delicate politieke ‘cohabitation’ er zou kunnen uitzien.

Het meest waarschijnlijke derde scenario is, dat Rojava een soort autonomie verwerft binnen een toekomstig federaal georganiseerd Syrië waarbinnen niet alleen de Koerden maar ook andere minderheidsvolkeren en minderheidsreligies ieder hun identiteit in onderlinge vreedzaam samenleven kunnen ontwikkelen. Interessante maar bescheiden aanzetten tot zo’n nieuw Syrië worden nu reeds gegeven in het huidige Rojava.

Die aanzetten worden beschreven in mijn artikel ‘Zelfbestuur in Rojava’ in dit nummer van ATHENE.


Geraadpleegde literatuur

ARPS, Jan Ole e.e., Kampf um Kurdistan. Der Aufstieg des ‘Islamitischen Staates’ und das Revival des linken Internationalismus, Analyse & Kritik, Zeitung für linke Debatte und Praxis, Hamburg, 2014

BARON Xavier, Histoire de la Syrie, 1918 à nos jours, Paris, 2014;

BÖHLER, Britta, De zwerftocht van een leider: Achter de schermen van de zaak Öcalan, Amsterdam, 2000

DE JONG Alex, ’Stalinist caterpillar into libertarian butterfly? The evolving ideology of the PKK’, 11.03.2015;

GRENZELOOS, ‘Links en de Syrische revolutie’, november 2013 (Via deze site kan je het artikel in PDF-document downloaden)

GRENZELOOS, ‘Kobani: de Syrische revolutie en de Koerdische beweging’, november 2014 (Via deze site kan je het artikel in PDF-document downloaden)

GUNTER, Michael, Out of nowhere. The Kurds of Syria in peace and war, London, 2014

IL LATO CATTIVO, ‘The “Kurdish Question”, ISIS, USA, etc.’, 2014  

INTERNATIONAL CRISIS GROUP, Flight of Icarus? The PYD’s precarious rise in Syria, (Report N° 151), 08.05.2014 (Via deze site is het rapport te downloaden)

MARCUS, Aliza, Blood and belief: The PKK and the fight for independence, New York, 2007;

MC DOWALL, David, A modern history of the Kurds, London, 2004;

MC HUGO, John, Syria, a recent history, London, 2014

STRANGERS IN A TANGLED WILDERNESS, (Redactie), A small key can open a large door: The Ro java revolution, Chico, 2015 (‘A mountain river has many bends’ is een interessante inleiding op deze publicatie)

SCHMIDINGER Thomas, Krieg und Revolution in Syrisch-Kurdistan, Mandelbaum (Kritik & Utopie), (g. p.), 2015

TEJEL Jordi, Syria’s Kurds: History, politics and society, Londen, 2009

VAN BRUINESSEN, Martin, Agha, shaikh and state: The social and political structures of Kurdistan, Zed Books, London, 1992

WHITE Paul, The PKK: Coming down from the mountains, London, 2015.