ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > Rousseau
  augustus 2009 [11]

ROUSSEAU EN DIRECTE DEMOCRATIE

 

door Ronald de Vries

 

 

Rousseau wordt door velen nog steeds beschouwd als de theoretische kampioen van de directe of participerende democratie. Dat is begrijpelijk, maar kan tegelijkertijd verbazing wekken bij degenen die zijn werk wat nader hebben bestudeerd. Het feit dat Rousseau zelf de term directe democratie nergens in zijn werken gebruikt, hoeft op zichzelf natuurlijk nog niet te betekenen dat hij er niets over te melden had. In zijn belangrijkste theoretische politieke geschrift Du contrat social, 1762 (Het maatschappelijk verdrag) gebruikt hij het woord democratie 23 maal, één maal voorafgegaan door de kwalificatie ‘goede’ (bonne) en drie maal door ‘echte’ (véritable). Maar geen enkele maal gebruikt Rousseau het in de betekenis die wij daaraan hechten. In dit opstel wil ik nagaan in welk opzicht Rousseau pleit voor vormen van directe democratie, welke argumenten hij daarvoor aanvoert en welke restricties hij maakt.

 

‘De soevereiniteit kan niet vertegenwoordigd worden’

 

In Du contrat social verzet Rousseau zich uit angst voor verlies aan betrokkenheid van de burgers bij het politieke leven sterk tegen een vertegenwoordigend stelsel:

 

Zodra dienstbaarheid aan de publieke zaak niet meer de belangrijkste zorg van de burgers is en zij liever met hun portemonnee dan met hun persoon dienen, is de staat haar ondergang nabij. Moeten zij ten strijde trekken? Ze betalen troepen en blijven thuis; moeten zij de vergaderzaal betreden? Zij benoemen afgevaardigden en blijven thuis. [Du contrat social ou principes du droit politique (CS) , Sálvio M. Soares (red.), MetaLibri, 2008, v1.0s., Boek III. Hoofdstuk 15. Alinea 1, p. 115; ‘De wetgevende macht contra de uitvoerende macht’ - art. in dit nr. v. ATHENE (WU); Het maatschappelijk verdrag (MV), A’dam, 2000, p. 126]

 

Hij benadrukt het belang van directe politieke participatie van burgers bij de publieke zaak als een positieve waarde in zichzelf voortdurend in zijn geschriften. Het is daarom eigenlijk opvallend dat voorstanders van directe democratie deze passage negeren en bijna altijd de inmiddels ‘beruchte’, daaropvolgende passage kiezen ter ondersteuning van hun positie:

 

De soevereiniteit kan niet vertegenwoordigd worden, om dezelfde reden dat ze ook niet vervreemd kan worden; zij bestaat in wezen in de algemene wil en de wil laat zich niet vertegenwoordigen: zij is het zelf of hij is iets anders, er is geen tussenweg. De afgevaardigden van het volk zijn dus niet zijn vertegenwoordigers en kunnen dat ook niet zijn; zij zijn slechts zijn gemachtigden; zij kunnen niets definitief besluiten. Elke wet die niet persoonlijk door het volk bekrachtigd is, is ongeldig, is geen wet. [CS, III.15.5, p. 116; WU; MV, p. 127/28]

 

Hij illustreert deze stelling met het voorbeeld van Engeland waar het volk alleen vrij zou zijn “tijdens de verkiezingen van de parlementsleden: zodra die gekozen zijn, is het slaaf, is het niets.” [CS, III.15.5, p. 116; WU; MV, p. 128] Je kunt je natuurlijk met Cornelius Castoriadis [‘Het probleem van de hedendaagse democratie’] afvragen of je zelfs op die ene dag in de vijf jaar zo vrij bent, omdat de gewone burgers weinig controle over het stemgedrag van hun gedelegeerden hebben. Rousseau heeft dat later ook impliciet erkend, zoals we later in zijn adviezen aan de Polen zullen zien.

 

Al eerder in Du contrat social had Rousseau al beargumenteerd waarom de soevereiniteit niet vervreemd kan worden namelijk, “omdat zij slechts de uitoefening van de algemene wil is.” [CS II.1.2, 32; MV, 62] Deze redenering klinkt nogal ferm, maar is ze ook steekhoudend? Rousseau wil hier, volgens mij, zeggen dat niemand het aan een ander kan overlaten om in een wetgevende vergadering politieke meningen namens hem te geven en besluiten voor hem te nemen. Dat ben ik met hem eens, maar hij draagt er in bovengeciteerde passage geen principiële argumenten voor aan.

 

Wat dat betreft moeten we het doen met de stelling van Protagoras, dat politiek oordeelsvermogen aan alle mensen gelijkelijk werd toebedeeld en het principe van Hannah Arendt in On Revolution (1963), die oppert dat “meningen in een parlementair stelsel niet zijn te achterhalen, omdat die alleen worden gevormd in een proces van open discussie en openbaar debat”. [‘De opkomst van revolutionaire raden’] Rousseau is juist bevreesd voor pittige debatten en heftige meningsverschillen en schrikt ook terug voor een aantal praktische problemen, zoals we straks nog zullen zien.

 

Hoe absoluut deze woorden van Rousseau ook mogen klinken, hij is van mening, dat grote staten fikse problemen kunnen tegenkomen, omdat “de wetgevende macht zich daar niet als zodanig kan tonen en alleen via delegatie werkzaam kan zijn.” [Considérations sur le gouvernement de Pologne et sur sa réformation projetée, 1771/72 (CgP) 7, p. 29; Considerations on the Government of Poland and on its Projected Reformation in: Victor Gourevitch (red.) Rousseau: The Social Contract and other later political writings, Cambridge (CGP-E), 2001, 7.12, p. 200/01]

 

Richard Fralin denkt dat het waarschijnlijk is dat, als Rousseau zijn voorgenomen Institutions politiques had voltooid, hij “directe participatie op lokaal niveau of de stadsstaat met vertegenwoordiging op landelijk of internationaal niveau zou hebben gecombineerd”. [Rousseau and Representation, A Study of the Development of His Concept of Political Institutions, New York, 1978, p. 6] Zelfs als landen met een omvangrijke bevolking zich zouden opsplitsen in een aantal kleinere politieke eenheden en een confederatief verband zouden vormen, ontkomt men volgens hem niet aan delegatie van de soevereine macht. Hij werkt het idee van de confederatie helaas nergens verder uit. Als hij de Polen adviseert om hun confederatieve structuur in stand te houden en zelfs uit te bouwen, schijnt hij toch eerder te denken aan de voordelen van een centraal leger (federatie) dan aan de autonomie van de deelstaten.

 

Volksvergaderingen vertegenwoordigen de betrokkenheid van burgers

 

Volksvergaderingen zijn de geëigende organen om de voortdurende inzet en betrokkenheid van de burgerij een plaats te geven. Zij zijn hét alternatief voor de vertegenwoordigende parlementen. In zijn ideale staat moeten de Volksvergaderingen als het hoogste wetgevend orgaan functioneren en als zodanig de absolute soevereiniteit van het volk belichamen. Het moet bij wet geregeld worden, dat zij met grote regelmaat bijeenkomen. Bovendien kunnen de omstandigheden het nodig maken dat er extra buitengewone vergaderingen worden belegd:

 

Maar buiten deze [reguliere] zittingen [….], moet iedere zitting van de volksvergadering die niet bijeengeroepen werd door de daartoe aangestelde ambtenaren en niet volgens de voorschriften, als onwettig beschouwd worden en is alles wat er gebeurt ongeldig. [CS, III.13.2, 112; WU; MV, 124]

 

Deze inperking van het volksinitiatief, een aan de Romeinse republiek ontleende praktijk, maakt de Volksvergadering afhankelijk van uitvoerende macht en doet afbreuk aan haar soevereiniteit. De Volksvergadering moet in de opvatting van Rousseau wel altijd het laatste woord hebben over de wetten en het onbeperkte recht om haar wetten naar eigen believen op elk moment te veranderen, wat er ook de gevolgen van zijn:

 

Trouwens, wat er ook gebeurt, een volk heeft altijd de macht zijn wetten te veranderen, zelfs de beste. Want als het er behagen in schept zichzelf kwaad te doen, wie heeft er dan het recht het ervan te weerhouden? [CS II.12.2, 67; MV, 89]

 

We zien hier dat Rousseau niet terugschrikt voor de uiterste consequentie van zijn opvatting en bereid is het risico te lopen dat de democratie zichzelf vernietigt. Castoriadis heeft dit fundamentele uitgangspunt ook op scherpe wijze verwoord: “Er is geen norm van normen die niet zelf een historische schepping is. En er bestaat geen manier om de risico’s van collectieve hybris [overmoed, wanhoopsdaad] te elimineren. Niemand kan de samenleving behoeden voor dwaasheid of zelfvernietiging” [‘Het wezen van de Atheense democratie’] In de volksvergadering komt de wil van het volk (volonté générale) die het algemeen belang vertolkt het zuiverst tot uiting:

 

In een goedbestuurde stadsstaat haast iedereen zich naar de volksvergaderingen; onder een slechte regering zet niemand er een stap naartoe; omdat het niemand interesseert wat daar gebeurt, omdat men voorziet dat de algemene wil daar niet zal zegevieren en omdat uiteindelijke de huiselijke zorgen alles in beslag nemen. [CS III.15.3, 115/16; WU; mv, 127]

 

Hier stelt hij zijn medeburgers nu voor de eerste en enige keer de klassieke Atheners (Sparta en vooral Rome fungeren meestal als zijn ideale staten) met hun volksvergadering (ekklèsia) ten voorbeeld:

 

Bij de Grieken deed het volk alles wat het moest doen zelf; het was voortdurend op de vergaderplaats bijeen. Het leefde in een zacht klimaat; het was niet hebzuchtig, slaven deden het werk; het wijdde zich vooral aan zijn vrijheid. Hoe moeten wij die niet meer dezelfde voordelen hebben, dezelfde rechten handhaven? Uw slechte klimaat, geeft u meer noden; zes maanden van het jaar op de openbare vergaderplaats is niet uit te houden, uw stemloze talen kan men in de open lucht niet verstaan, u geeft meer om uw gewin dan om uw vrijheid en u bent veel banger voor armoede dan slavernij. [CS III.15.9, 118; WU; mv, 129]

 

Dat had Rousseau verrassend goed gezien! De Atheners hielden inderdaad zeer frequent zittingen (in de 4e eeuw v. Chr. zo’n 40 per jaar) van de Volksvergadering, hun hoogste wetgevende orgaan, waarin alle volwassen burgers toegang hadden en hun betrokkenheid was in alle geledingen enorm groot (20% van de burgers kwam elke bijeenkomst opdagen). De stelling dat de Atheners door de arbeid van hun slaven vrijgesteld waren voor politieke participatie is tegenwoordig een omstreden. We weten in ieder geval dat vele kleine boeren, handwerkslieden en zeelieden die zich geen slaven konden permitteren rustig “25 kilometer te voet naar de ekklèsia gingen om te discussiëren en te beslissen” [Cornelius Castoriadis, ‘Het probleem van de hedendaagse democratie’]

 

De grote en directe betrokkenheid van de burgers bij de wetgevende arbeid in de Volksvergadering kan (idealiter) nooit wedijveren met een situatie waarin de burgers de wetgevende arbeid, de soevereiniteit dus, aan hun zogenaamde vertegenwoordigers uitbesteden. Want dat brengt volgens Rousseau, zoals we hierboven al zagen, grote risico’s met zich mee. Het tot uiting brengen van de algemene wil en daarmee een beleid gericht op het algemeen belang komt in gevaar. De deur naar de voorrang van beperkte privé en groepbelangen wordt open gezet. Om dezelfde redenen ziet hij ook weinig heil in stevige politieke debatten:

 

Hoe meer overeenstemming er in de volksvergaderingen heerst, d.w.z., hoe dichter de meningen de eenstemmigheid benaderen, des te meer overheerst de algemene wil; maar lange debatten, meningsverschillen, opschudding kondigen de komst aan van afzonderlijke belangen en het verval van de staat. [CS IV.2.1, 129; MV, 137]

 

Rousseau meent echter dat deze eenstemmigheid bevorderd kan worden: “wanneer het volk zich voldoende geïnformeerd beraadt, zou uit het groot aantal kleine verschillen altijd de algemene wil naar voren komen en zou het beraad altijd goed zijn.” [CS II.3.3, 36; MV, 65/66] Enerzijds wijst Rousseau hier op, een mijns inziens, zeer belangrijke voorwaarde voor het goed functioneren van een directe democratie. Zeker in een moderne maatschappij is het van groot belang dat burgers die aan het besluitvormingsproces deelnemen zich uitgebreid en intensief in de maatschappelijke problematiek die aan de orde is, verdiepen. Anderzijds ontkent hij met zijn pleidooi voor een streven naar eenstemmigheid de grote waarde van het meningsverschil, waardoor de besluitvorming juist aan kwaliteit wint. De Atheense democratie waarin geen duidelijke partijen of georganiseerde belangengroepen optraden, laat juist zien dat burgers zeer verhitte debatten kunnen voeren over zaken die het algemeen belang raken. Dat maakte eerder de kracht dan de zwakte van deze volksvergadering-democratie uit.

 

Zijn opvatting over de betekenis die besluiten van de Volksvergadering hebben, is in mijn ogen, opmerkelijk tweeslachtig. Hoe sterk hij op twee gedachten leunt, probeer ik met de volgende drie aaneensluitende fragmenten te laten zien:

Wanneer men in de volksvergadering een wetsvoorstel doet, vraagt men de burgers eigenlijk niet of zij het voorstel aannemen dan wel verwerpen, maar of het wel of niet in overeenstemming is met de algemene wil die hun eigen wil is; [CS IV.2.8, 131; MV, 139]

 

Dus Rousseau gaat er hier impliciet vanuit dat er een hogere wijsheid buiten de volksvergadering is die de algemene wil kan vaststellen, maar in de aansluitende zin geeft hij het meerderheidsbesluit van de volksvergadering toch praktisch het laatste woord en wordt de “algemene wil” tot de “wil van allen” verheven:

 

door te stemmen geeft ieder zijn eigen mening over  een wetsvoorstel en uit het tellen der stemmen, komt de algemene wil naar voren. Wanneer dus de opvatting die tegengesteld is aan de mijne, de overhand heeft, bewijst dit niets anders dan dat ik me heb vergist en dat wat ik voor het algemeen belang hield het niet was. [CS IV.2.8, 131; MV, 139]

 

Hier breekt hij met het elitaire Platoonse idee van een door wijze mannen te formuleren algemeen belang. Het algemeen belang is hier bij hem ook geen waarheid die uit de hemel of de door een traditie wordt gedicteerd, maar de stem van gewone burgers die (enkelvoudige) meerderheidsbesluiten in hun volksvergadering nemen, maar hij lijkt echter direct weer terug te schrikken voor deze gezonde gedachte en probeert via een wonderlijke (drog)redenering zijn eerdere stelling van een boven de burgers staande autoriteit, die de waarheid in pacht heeft, te redden:

 

Wanneer mijn privé-opvatting [minderheidsstandpunt] de overhand zou hebben gehad, zou ik iets anders hebben gedaan dan ik had gewild; juist dan zou ik niet vrij zijn geweest [CS IV.2.8, 131; MV, 139]

 

Politiek oordeelsvermogen van het gewone volk

 

Hoewel hij al jaren vóór het verschijnen van Du contrat social van oordeel was dat “de wetgevende macht gelijkelijk moest toekomen aan alle burgers: wie weet beter dan zij hoe ze het best kunnen samenleven in een zelfde maatschappij”, [Discours sur l’origine et les fondements de l’inégalité parmi les hommes, 1755/54 (DI), p. 6; Vertoog over de ongelijkheid (VO), 1989, p. 34] blijkt regelmatig dat Rousseau toch niet zo erg overtuigd is van het zelfstandig oordeelsvermogen van burgers uit het gewone volk. Nota bene één alinea verder wil hij niet alleen dat ambtenaren mogen meedoen aan de beraadslagingen in de Volksvergadering, maar eist zelfs dat zij het alleenrecht krijgen op het doen van wetsvoorstellen. Hij bekent de bestuurders van zijn geboortestad Genève, dat hij graag in een land wil leven waar ….

 

zelfzuchtige en slecht doordachte voorstellen en gevaarlijke nieuwigheden, zoals die uiteindelijk de Atheners fataal werden, tegen gehouden zouden kunnen worden; waar dan ook niet iedereen de bevoegdheid zou hebben om in het wilde weg nieuwe voorstellen te doen; waar alleen ambtenaren dit recht zouden hebben; [DI, 6/7; VO, 34]

 

Het opstellen van wetsvoorstellen (wetgevend initiatief) moet in zijn ogen dus exclusief voorbehouden blijven aan een zogenaamd competente elite van wetgevers en hij volgt in Du contrat social een redenering om die stelling te onderbouwen die erg doet denken aan het wantrouwen van Plato in de politieke competenties van het gewone volk:

 

Hoe zou een blinde massa, die vaak niet weet wat ze wil, omdat ze zelden weet wat goed voor haar is uit zichzelf een onderneming kunnen volbrengen die zo groot, zo moeilijk is als een stelsel van wetgeving? [CS II.6.10, 48; mv, 75]

De wijzen die in hun eigen taal tot het gewone volk willen spreken in plaats van in volkstaal zouden niet begrepen worden. Welnu er zijn tal van gedachten die onmogelijk in de taal van het volk zijn om te zetten. Te algemene gezichtspunten en te ver verwijderde gezichtspunten liggen buiten zijn bereik. [CS II.7.9, 52; mv, 78]

 

Hier constateert Rousseau, om het in termen van het moderne betoog te zeggen, een onoverbrugbare “kloof tussen de politiek en de burgers”. De volksvergadering wordt door hem kennelijk niet in staat geacht tot een volksinitiatief, het indienen van wetsvoorstellen! Zij krijgen het belangrijke recht om door de regering ingediende wetsvoorstellen goed of af te keuren en het recht over die voorstellen te debatteren, hoewel hij dat laatste recht soms ook exclusief lijkt te reserveren voor de top van de ambtenarij.

 

De Volksvergadering contra de regering

 

Een tweede reden waarom de Volksvergadering voor Rousseau zo’n belangrijk orgaan is, is omdat zij het best in staat is om de uitvoerende macht (regering) in toom te houden. Hiermee komen we op één van de belangrijkste thema’s van zijn politieke theorie: de verhouding tussen de wetgevende en de uitvoerende macht. In de regering ziet Rousseau de belangrijkste bedreiging van de politieke macht van het volk. Voortdurend moet de wetgevende macht ervoor oppassen niet door de uitvoerende macht van de troon gestoten te worden:

 

[….] deze volksvergaderingen die het politieke lichaam beschermen en de regering beteugelen, zijn altijd de schrik van de leiders geweest: zij sparen dan ook nooit zorgen, bezwaren, moeilijkheden of beloften om de burgers af te stoten. [CS III.14.2, 114; WU; mv, 126]

 

We zagen hierboven dat Rousseau voorstander van een sterke positie van de soeverein (volkvergadering) ten opzichte van de uitvoerende macht (regering) was. Hij vond dat de uitvoerende macht altijd ondergeschikt moest zijn aan de wetgevende macht, dat de uitvoerende macht feitelijk het instrument van de wetgevende macht moest zijn. De soeverein moest er altijd op verdacht zijn dat de regering zich de bevoegdheden van de volksvergadering toeeigent.

 

Ik zou nu een aantal opmerkingen moeten maken [….] over het recht om een mening te geven, voorstellen te doen, van mening te verschillen, discussies te houden: een recht dat de regering steeds angstvallig alleen aan haar eigen leden verleent. [CS IV.1.7, 128; mv, 137]

 

Twee jaar later komt hij daarop terug als hij in een kritiek op de constitutie van Genève de manier waarop de Kleine Raad (Petit Conseil of Conseil des Vingt-Cinq), het belangrijkste uitvoerende orgaan van de stadsstaat, het functioneren van de Algemene Raad (Conseil Général), het wetgevende lichaam, behoorlijk uitholt:

 

Is het niet strijdig met elke redelijkheid dat een uitvoerend lichaam de openbare orde in het wetgevend lichaam bepaalt, dat het haar voorschrijft van welke zaken het kennis moet nemen dat het haar het recht ontzegt om een mening te geven en dat zij een absolute macht uitoefent, [Lettres écrites de la Montagne, 1764, 169; Letters Written from the Mountain in: The Collected Writings of Rousseau nr. 9, 2001, 7e br., 250/51]  

 

Omgekeerd hamerde hij erop dat de wetgevende macht nooit op de stoel van de uitvoerende macht moest gaan zitten. Als dat gebeurt regeert het volk en spreekt hij van een democratie, wat volgens hem niet is weggelegd is voor mensen. Al bij Aristoteles en Montesquieu wordt het bij toerbeurt benoemen van ambtenaren middels loting als het wezenlijke kenmerk voor een democratie beschouwd. Beurtelings regeren en geregeerd worden.

 

Als Rousseau in Du contrat social over vertegenwoordiging in positieve zin spreekt, bedoelt hij altijd het delegeren van uitvoerende bevoegdheden door de soeverein (wetgevende macht) aan de regering (uitvoerende macht). De wetgevende bevoegdheden (het sanctioneren van wetten) kunnen nimmer aan een regering (of welk orgaan dan ook) gedelegeerd worden, omdat het volk dan zijn soevereiniteit vervreemdt.

 

Omdat de wet slechts de uitdrukking van de algemene wil is, is het duidelijk dat de wetgevende macht van het volk niet vertegenwoordigd kan worden, maar haar uitvoerende macht, die slechts wettelijk toegepaste macht is, kan en moet wel vertegenwoordigd worden. [CS III.15.8, 117; WU; MV, p. 128]

 

Rousseau lijkt bang te zijn, dat de wetgevende macht, als zij zich inlaat met zaken die hij typisch als uitvoering van de wetgeving beschouwt, makkelijker dan de regering tot behartiging van deelbelangen vervalt. “Om werkelijk de uitspraak van de algemene wil te krijgen, is het dus van belang dat er geen deelgroepering is in de staat en dat iedere burger alleen vanuit zichzelf zijn mening geeft.” [CS II.3.4, 37; MV, 66] Hiermee lijkt Rousseau impliciet het partijgebonden parlementarisme en de ideologie van checks and balances avant la lettre te verwerpen.

 

Het is niet goed dat degene die de wetten maakt, ze ten uitvoer brengt en evenmin dat het volkslichaam zijn aandacht afwendt van algemene perspectieven om die te vestigen op bijzondere objecten. Niets is gevaarlijker dan de invloed van bijzondere belangen op zaken van algemeen belang. [CS III.4.2, 82; MV, 100]

 

Rousseau is van mening dat de algemene wil als zodanig geen uitspraak kan doen over een bijzondere zaak (“een mens of feit”). Hij beschouwt dat als “bijzondere beschikkingen” die hij nogal dubieus definieert. Zo vindt hij bijvoorbeeld dat een oorlogsverklaring en een vredesakkoord niet bij wet (via de volksvergadering) geregeld kunnen worden, “want het gaat hier niet om wetshandelingen, maar om wetstoepassingen”. [CS II.2.3, 34; mv, 64] Wij zouden hier van ‘maatregelen van bestuur’ spreken. Dat betekent natuurlijk dat de soevereiniteit van een wetgevende vergadering behoorlijk wordt ingeperkt ten gunste van de uitvoerende macht.

 

Volgens hem zou een volksvergadering om de uitvoering van wetten goed te kunnen regelen permanent zitting moeten houden of steeds uitvoerende commissies moeten instellen, zoals hij dat in het toenmalige Engelse parlement constateert,

 

waar het Lagerhuis zich bij bepaalde gelegenheden omvormt tot een groot comité om kwesties beter te kunnen bespreken en wordt dus een eenvoudige commissie in plaats van het soevereine hof dat het even daarvoor was; op zo’n manier brengt het vervolgens aan zichzelf als Lagerhuis verslag uit over wat het zojuist als groot comité heeft geregeld en beraadslaagt onder de ene titel opnieuw over wat zij al besloten heeft onder een andere. [CS III.17.6, 122; WU; mv, 132]

 

Al eerder had hij serieuze bedenkingen uitgesproken tegen een staat waar de volksvergadering de regering voor de voeten loopt door de in zij ogen specifieke taken van ambtenaren naar zich toe te trekken. Hierin ziet hij zelfs een groot gevaar met mogelijk dramatische gevolgen:

 

En ik zou vooral een republiek waar het volk zou menen het te kunnen stellen zonder ambtsdragers of die ambtsdragers slechts een wankel gezag zou toekennen en zo onverstandig zou zijn het bestuur over de zaken van de burgers en de uitvoering van zijn eigen wetten aan zich te houden - als per definitie slecht geregeerd - hebben gemeden. Dat moet de inrichting geweest zijn van de eerste regeervormen zoals deze direct voortkwamen uit de natuurstaat en het was één van de tekortkomingen die de Republiek van Athene te gronde richtten [DI, 6/7; VO, 35]

 

Rousseau illustreert de reden van de teloorgang van de Atheense democratie in Du Contrat social door de specifieke praktijken te noemen waarmee de volksvergadering haar boekje te buiten ging:

 

Toen bijvoorbeeld het volk der Atheners zijn leiders aanstelde of afzette, de een onderscheidde met eretekenen, de ander bestrafte, en door stortvloeden van bijzondere beschikkingen zonder onderscheid alle regeringshandelingen uitvoerde, toen had het volk geen algemene wil in eigenlijke zin meer; het handelde niet meer als soeverein, maar als overheid. [CS II.4.6, 40; MV,68]

 

Maar waarom mag de Atheense volksvergadering geen leiders aanstellen? Hij komt met zichzelf in tegenspraak als hij verderop beweert, dat “het volk leiders moet benoemen die belast zullen worden met de vastgestelde regering”. [CS, III.17.3, 121; WU; MV, 131] Ik zou juist het tegenovergestelde van Rousseau willen beweren. De soeverein vergroot juist haar macht als ze ook in bepaalde bijzondere situaties beschikt. Het is volgens mij arbitrair wat als “bijzondere beschikking” beschouwd wordt, een beslissing die voorbehouden zou moeten zijn aan de soeverein.

 

Wel is het goed om de regering besluiten te laten nemen in situaties, waarin het op snel handelen aankomt, maar dan dient er altijd achteraf verantwoording aan de soeverein afgelegd te worden. Rousseau vindt ook dat, net als in de Romeinse republiek, in crisissituaties een dictatuur ingesteld mag worden, maar “het is van belang de termijn ervan zeer kort te houden en nooit te verlengen.” [CS IV.4.6.11(12), 154; MV,158] Als het Duitse parlement daarvan doordrongen was geweest, had het de NSDAP-regering in maart 1933 geen onbeperkte wetgevende bevoegdheden gegeven en daarmee zichzelf buiten spel gezet.

 

Liever ‘aristocratie’ dan ‘democratie’

 

Als Rousseau spreekt over democratie, bedoelt hij een systeem waarin de wetgevende vergadering, ‘de soeverein’ zich actief met de uitvoering van beleid bemoeit, een zaak die hij sterk afkeurt. Een volksvergadering moet zijn regering vooral niet voor de voeten lopen door de in zijn ogen specifieke taken van ambtenaren naar zich toe te trekken. Hierin ziet hij een zeer groot gevaar met mogelijk dramatische gevolgen:

 

Dat moet de inrichting geweest zijn van de eerste regeervormen zoals deze direct voortkwamen uit de natuurstaat en het was één van de tekortkomingen die de Republiek van Athene te gronde richtten [DI, 6/7; VO, 35]

 

In het fragment over de vele bijzondere beschikkingen die de Atheners in hun volksvergadering troffen, dat ik in de vorige paragraaf al uit Du contrat social citeerde, is ook een concrete illustratie waar, naar zijn mening, de Atheners in de fout gingen. Rousseau meent hiervoor een sterk argument te hebben. Volgens hem zou een volksvergadering om de uitvoering van wetten goed te kunnen regelen permanent zitting moeten houden, wat hij voor onmogelijk houdt, of steeds uitvoerende commissies moeten instellen, zoals hij dat in het toenmalige Engelse parlement constateert:

 

waar het Lagerhuis zich bij bepaalde gelegenheden omvormt tot een groot comité om kwesties beter te kunnen bespreken en wordt dus een eenvoudige commissie in plaats van het soevereine hof dat het even daarvoor was; op zo’n manier brengt het vervolgens aan zichzelf als Lagerhuis verslag uit over wat het zojuist als groot comité heeft geregeld en beraadslaagt onder de ene titel opnieuw over wat zij al besloten heeft onder een andere. [CS III.17.6, 122; WU; mv, p. 132]

Eigenlijk beschouwt hij evenals Hobbes (De Cive VII.viii, 1651) de democratie als een primitieve regeringsvorm, die volwassen wordt in een gekozen aristocratie. Aristoteles had democratie al omschreven als een stelsel waarin door het lot gekozen burgers beurtelings regeren en geregeerd worden, zoals dat in Athene van 507 v.Chr.-322 n. Chr. in de praktijk werd gebracht.

Rousseau is van mening dat de regering gevormd moet worden door een gekozen elite, eigenlijk een tautologie, van bekwame bestuurders. Er zijn, volgens hem, nu eenmaal weinig burgers die de vereiste bestuurlijke bekwaamheden bezitten:

Want in de volksregering worden alle burgers als ambtsdragers geboren, maar deze regeringsvorm [aristocratie] beperkt hen tot een klein aantal en zij worden het slechts door verkiezing, een middel waardoor rechtvaardigheid, inzicht en ervaring en alle andere reden van voorkeur en openbare achting evenzovele waarborgen zijn dat men wijs geregeerd zal worden.” [CS III.5.5, 85; MV, 103]

 

De regering contra de Volksvergadering

 

In de regering ziet Rousseau de belangrijkste bedreiging van de politieke macht van het volk. Voortdurend moet de wetgevende macht ervoor oppassen niet door de uitvoerende macht van de troon gestoten te worden. Het volk moet daarom voortdurend waakzaam zijn en zoveel mogelijk bijeenkomen als wetgevend orgaan:

 

Zodra het volk wettig, als soeverein lichaam in vergadering bijeen is, verliest de regering iedere uitvoeringsbevoegdheid, de uitvoerende macht wordt opgeschort en de laagste burger wordt even onschendbaar en onaantastbaar als de voornaamste ambtenaar: in aanwezigheid van een vertegenwoordigde is er immers geen vertegenwoordiger meer. [CS, III.14.1, 113; MV, 125]

 

Deze uitspraak doet, letterlijk genomen, natuurlijk enigszins naïef aan. Beide organen hebben een principieel verschillende functie. Als de uitvoerende macht niets mag ondernemen zolang de volksvergadering in zitting is, zou dat feitelijk betekenen dat het invoeren en handhaven van wetten onnodig vertraging ondervinden. Bovendien zien we in dit fragment dat Rousseau vertegenwoordiging in verband brengt met het delegeren van uitvoerende taken en niet met het kiezen van een parlement van ‘volksvertegenwoordigers’. Rousseau maakt zich, niet zonder reden, grote zorgen, dat de wetgevende macht door de uitvoerende macht op een zijspoor wordt gezet, een zorg die nog steeds en vooral in onze parlementaire stelsel weinig aan betekenis heeft ingeboet, zo lijkt mij.    

[….] deze volksvergaderingen die het politieke lichaam beschermen en de regering beteugelen, zijn altijd de schrik van de leiders geweest: zij sparen dan ook nooit zorgen, bezwaren, moeilijkheden of beloften om de burgers af te stoten. [CS III.14.2, 114; WU; mv, 126]

 

Hij illustreert dit met een historisch voorbeeld uit de klassieke Romeinse republiek:

 

Zo kwam het dat de decemviri [voor het eerst in 451 v. Chr. gekozen commissie van 10 mannen, belast met het opstellen van wetten] die eerst voor een jaar gekozen werden en later nog een jaar aanbleven hun macht in lengte van dagen probeerden te behouden door de volksvergaderingen niet meer toe te staan bijeen te komen. Met behulp van dit gemakkelijke middel maken alle regeringen ter wereld, wanneer zij eenmaal de openbare macht uitoefenen, zich vroeg of laat meester van het soevereine gezag. [CS III.18.4, 124; WU; MV, 133]

 

Rousseau is wat dit betreft niet bepaald optimistisch over de toekomst en hoewel dit voorbeeld uit een ver verleden stamt, ontleend aan een staatsbestel dat zeker niet democratisch genoemd mag worden en hij niet duidelijk maakt welke specifieke omstandigheden verantwoordelijk voor het euvel zijn, roept het ons toch op tot waakzaamheid.  

 

De actualiteit van deze woorden vinden we bijvoorbeeld gedemonstreerd aan de hand van de recente Engelse parlementaire geschiedenis - die Rousseau in zijn tijd ook meermalen ter illustratie aanvoerde. Calligan trekt in dit verband een belangrijke lering uit de periode Thatcher. Hij meent dat als de regeringspartij een belangrijke meerderheid in het parlement heeft “zij in feite de handelingen van het parlement voor haar eigen doelen kan inzetten” [‘Myth and Reality in the English Constitution’, p. 9]  

 

In de recente parlementaire geschiedenis van Nederland zie je regelmatig een afwachtende en weinig doortastende houding van het parlement, waardoor de regering beleidsinvloed op het haar verovert. Nog onlangs zagen we dat een minister (Verdonck) weigerde  een door een meerderheid van de kamer ingediende motie over het opschorten van uitzetting van uitgeprocedeerde asielzoekers uit te voeren. Parlementariërs schrikken er in zulke situaties - vanwege partij-loyaliteiten - vaak voor terug om hun (algemene) wil door te zetten en de betreffende minister eventueel weg te sturen.

 

Dit gebrek aan checks and balances op de regering is het grootst in het presidentiële stelsel, zoals bijvoorbeeld Frankrijk en de Verenigde Staten dat kennen. De politiek gekozen president beschikt daar grondwettelijk over vergaande ‘discretionaire’ bevoegdheden. Waar dat structureel toe leidt, hebben we onlangs nog kunnen zien in de hopeloze competentiestrijd tussen het Congres (nationale parlement VS) en de president (G.W. Bush) over de financiering van het leger in Irak.

 

Rousseau dacht dat, om machtsmisbruik van de uitvoerende macht te voorkomen, regelmatig bijeenkomende volksvergaderingen zeker betrouwbaarder waren dan vertegenwoordigende lichamen. In zijn ogen vormde de regering de grootste bedreiging van de soevereiniteit van het volk. “Hoe krachtiger de regering is hoe vaker de soeverein zich moet laten zien.” [CS, III.13.3, 112; WU; MV, 124] Hier hanteert hij een, in mijn ogen, belangrijk praktisch argument voor de directe stem van het volk om zo de wetgevende aspiraties van de regering in Rousseau’s visie tot elkaar als communicerende vaten: hoe sterker de één hoe zwakker de ander. Wel bakent hij de uitvoerende bevoegdheden van de twee instituties wel erg star af, zoals ik in een volgende paragraaf hoop te laten zien.

 

In onderstaand schema vat ik de taakverdeling tussen de wetgevende macht (soeverein) en de uitvoerende macht (regering) zoals Rousseau die zich als ideaal voorstelde samen:

 

Wetgevende macht

Uitvoerende macht

soeverein

vorst

volksvergadering - parlement

regering

wil

kracht

ziel

lichaam

hart

hersens

burgers

bestuurders (ambtenaren)

bekrachtigt wetsvoorstellen

doet wetsvoorstellen

kiest bestuurders

nomineert bestuurders

autonoom

instrument (van de soeverein)

geen wetsuitvoering

geen medewetgever

bevelhebber van de regering

intermediair tussen burgers en onderdanen

 

Hoe de omkoping van parlementariërs te voorkomen

 

Hij acht het een reëel gevaar dat vertegenwoordigers weinig weerstand zouden kunnen bieden aan pogingen hen om te kopen, iets wat van burgers in een volksvergadering daarentegen niet te verwachten is: 

 

 

De Wetgever als lichaam kan onmogelijk omgekocht worden, maar is makkelijk om de tuin te leiden. Haar vertegenwoordigers zijn moeilijk om de tuin te leiden, maar makkelijk om te kopen. [CgP 7, 29; CGP-E, 7.12, 201]

 

Hij werd daarin waarschijnlijk bevestigd door de praktijken in het Engeland van zijn tijd, waar “omkoping van parlementariërs door het hof aan de orde van de dag was” [Hilail Gildin, Rousseau’s ‘Social Contract’, 1983, p. 143].

 

Deze kritiek van Rousseau op het parlementaire stelsel is nog steeds actueel. Niet alleen blijkt de politieke betrokkenheid bij ons lager te zijn dan in Zwitserland, waar referenda de bevolking politiek actief en wakker houden. Maar ook zien we de gevolgen van de partijpolitiek waarin oneigenlijk belangen, zoals het coûte que coûte overeind willen houden van een regeringscoalitie of de gevoeligheid voor de lobbies van economische pressiegroepen, zicht op het algemeen belang belemmeren.

 

Rousseau meent echter dat onder bepaalde omstandigheden vertegenwoordiging toch onontkoombaar is:

 

Een van de grootste ongemakken in grote staten, die het vooral moeilijk maakt om daarin vrijheid te waarborgen, is dat daarin de wetgevende macht zich niet als zodanig kan tonen en alleen via delegatie werkzaam kan zijn. [CgP 7, 29; CGP-E, 7.12, 200/01]

 

Zelfs als landen met een omvangrijke bevolking zich zouden opsplitsen in een aantal kleinere politieke eenheden en een confederatief verband zouden vormen, ontkomt men volgens hem niet aan delegatie van de soevereine macht.

 

Hij werkt het idee van confederatie overigens nergens verder uit. Als hij de Polen adviseert om hun confederatieve structuur in stand te houden en zelfs uit te bouwen, schijnt hij toch eerder te denken aan de voordelen van een centraal leger (federatie) dan aan de autonomie van de deelstaten.

 

Rousseau wil ook wel aan een gecontroleerd parlementair stelsel denken. Hij stelt voor om “vertegenwoordigers te binden aan strikte mandaten en hun kiezers nauwkeurig verslag te doen van hun stemgedrag in het parlement” [CgP 7, 29; CGP-E, 7.15, 201]. Ook hier laat Rousseau zich kennelijk weer inspireren door het negatieve voorbeeld van het  toenmalige Engelse parlement:

 

In dit opzicht kan ik me alleen maar verbazen over de nalatigheid, de slordigheid en ik waag zelfs te zeggen de stomheid van de Engelse natie die na haar afgevaardigden toegerust te hebben met enorme macht geen rem heeft ingebouwd om het gebruik van die macht te reguleren gedurende de zeven jaar van hun mandaat. [CgP 7, 29; CGP-E, 7.15, 201]

 

Hij wil dat de instructies voor de afgevaardigden opgesteld worden door een gekozen commissie (wetgevend initiatief) die ze ter discussie en goedkeuring voorlegt aan de provinciale landdagen. Bij in gebreke blijven moeten de afgevaardigden streng tot de orde geroepen worden, berispt en in het uiterste geval teruggeroepen worden.

 

In feite zijn vertegenwoordigers dan óf totaal overbodig indien “zij zichzelf zien als veredelde boodschappenjongens” óf geheel oncontroleerbaar indien “zij zichzelf zien als ingehuurde experts die, zoals advocaten, specialisten in het behartigen van de belangen van hun cliënten zijn” [Hannah Arendt, On Revolution, 1963; Over revolutie, 2004, p. 280].

 

De Jacobijnse grondwet van 1793 heeft Rousseau’s probleem met grote staten op even simpele als charmante wijze opgelost, door een landelijke wetsvoorstel aan alle plaatselijke volksvergaderingen voor te leggen en bij enkelvoudige meerderheid te besluiten. Helaas is deze grondwet nooit in werking getreden, zodat we een historisch leermoment verloren hebben.

 

Tenslotte beveelt hij het frequent wisselen van vertegenwoordigers aan wat betekent dat er veel vaker parlementsverkiezingen gehouden moeten worden. Met dit argument geeft Rousseau er in ieder geval blijk van dat hij parlementariërs niet ziet als een beroep dat specifieke expertise, scholing en ervaring vraagt.

 

Samenvattend

 

1.      Het belangrijkste argument dat Rousseau aanvoert tegen vertegenwoordiging van de soeverein is zijn overtuiging “dat het gebruik van vertegenwoordigers de volkswil verwatert en hem dus krachteloos tegenover de regering maakt”. [Rousseau and Representation, p. 100] Hij geeft hiervoor verder geen principiële argumenten.

 

2.      De activiteiten van de burgers in de volksvergadering moeten bij voorkeur beperkt blijven tot het bekrachtigen van wetsvoorstellen (referendum), die door leden van de regering worden opgesteld.

 

3.      Ook moet de volksvergadering niet op de stoel van de regering gaan zitten en zich gaan bemoeien met de uitvoering van wetten (beschikkingen), omdat er dan particuliere belangen in het spel komen. Dat zou de staat serieus in gevaar brengen.

 

4.      In de volksvergadering hebben de burgers wel het recht van spreken, maar het is niet wenselijk als er te fel gedebatteerd en gepolariseerd wordt, omdat de algemene wil zo vertroebeld kan worden.

 

5.      Hij is wel bereid een aantal concessies te doen als het om grote staten gaat. Zo mag daar een parlement functioneren als de gedelegeerden van het volk aan strikte mandaten worden gehouden.   

  

Werken van Rousseau, vertaald in het Nederlands

 

Vertoog over de ongelijkheid, vert. v. Discours sur l’origine et les fondements de l’inégalité parmi les hommes (1755) d. Wilfried Uitterhoeve, Meppel/Amsterdam, 1983/89/2003

 

Vertoog over de politieke economie, vert. v. De l’Economie Politique (1755) d. Luciënne Tomesen, Parijs, 2002

 

Over het maatschappelijk verdrag of grondbeginselen van staats-recht, vert. v. Du contrat social ou Principes du droit politique (april 1762), Dordrecht, 1793 (eerste Nederlandse vertaling)

 

Het maatschappelijk verdrag of beginselen van staatsrecht, d. René van Westervoort, Amsterdam/Antwerpen, 1947

 

Het maatschappelijk verdrag of beginselen der staatsinrichting, vert. d. S. van den Braak en G. van Roermund, Amsterdam, 1995/2000/02

 

Emile of Verhandeling over de opvoeding, vert. v. Émile ou de l’éducation (mei 1762), Campen, 1790/93

 

Emile of over de opvoeding, vert. en bew. d. Joh. H. Huijts, Rotterdam, 1912/23

 

Emile, Groningen, 1924

 

Emile of over de opvoeding d. Anneke Brassinga, Amsterdam/Meppel, 1980/83/89

 

Twee brieven over kennis en geluk, vert. v.  d.  Leo Van Maris, Leiden, 1998

 

Overpeinzingen van een eenzaam wandelaar, vert. v. Les rêveries du promeneur solitaire (1782) d. Jan A. van den Bosch en Ans de Greef, Utrecht/Antwerpen, 1981

 

Overpeinzingen van een eenzaam wandelaar d. Leo van Maris, Amsterdam, 1994/2006

 

Bekentenissen (I:1782-II:1789), vert. v. Les Confessions d. Leo van Maris, Amsterdam, Arbeiderspers, 1996 / Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2008


Teksten over Rousseau in het Nederlands


BEERLING, R. Het cultuurprotest van Jean-Jacques Rousseau:Studies over het thema pathos en nostalgie, Deventer, 1977

------------ Voltaire, Rousseau en de Verlichting in: Tijdschrift voor Filosofie 40, 1978, pp. 609-35

BROEKMAN, J. Rousseau's semiologie van de cultuur in: Wijsgerig Perspectief op Maatschappij en Wetenschap 18, 1977-78, pp. 89-92

DAUDT, H. Rousseau en de staat in: Wijsgerig Perspectief op Maatschappij en Wetenschap 18, 1977-78, pp. 82-86

DIGGELEN, P. van Hoofdlijnen in het denken van Jean-Jacques Rousseau, Amsterdam, 2007

HOLLAK, J. Macht en recht in: Wijsgerig Perspectief op Maatschappij en Wetenschap 11, 1970-71, pp. 312-24

---------- Rousseau en de huidige maatschappijkritiek in: Wijsgerig Perspectief 10, 1969-70, pp. 195-212

HUIZINGA, J.H. Jean Jacques Rousseau: De mens de schrijver en de mythe, Nieuwkoop, 1978

LEMAIRE, T. Het vertoog over de ongelijkheid van Jean Jacques Rousseau Of de ambivalentie van de vooruitgang, Baarn, 1980


LOCK, G. e.a. Sterke posities in de filosofie, Leiden, 1989

OERLEMANS, J.W. Rousseau en de privatisering van het bewustzijn: Carrierisme en cultuur in de achtiende eeuw, Groningen, 1988

ROERMUND, Bert van & J. Wieland Rousseau's Du Contrat Social of de staat als cultuurkritiek in: Ontwikkelingen in het sociale denken, Baarn, 1978, pp. 127-44

ROERMUND, Bert van De algemeenheid van de wet en de singulariteit van het individu in: Rechtsfilosofie en rechtstheorie,18, 1989, pp. 19-34

--------------------
Jean Jacques Rousseau en zijn politieke filosfie; Inleiding bij Het maatschappelijk verdrag, Amsterdam, 2000

-------------------- Volksvertegenwoordiging Rousseau's "Maatschappelijk Verdrag" in de spiegel van de rechtsstaat
, Leende, 2000

ROLAND HOLST Henriette Jean Jacques Rousseau Een beeld van zijn leven en werken, Amsterdan, 1918

THOMSON David Rousseau en de gezamenlijke wil in:Gedachten over politiek en samenleving, Alphen a/d Rijn, 1970 pp 91-101

WITTEVEEN, W.
Rousseau en de persoon van de wetgever in: RegelMaat, kwartaalblad voor wetgevingsvraagstukken 1, 1997 pp 28-31

WYLLEMAN, A. Vrijheid en gelijkheid volgens J.-J. Rousseau in: Tijdschrift voor Filosofie 40, 1978, pp. 559-77