ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > Sovjets
  december 2007 [10]

 

DE WEDERGEBOORTE VAN EEN SOVJET

 



door Nikolaj Soechanov

 

 

De schrijver (1882-1939/40), officieel Nikolaj Nikolajevitch Himmer genaamd, nam deel aan de Revolutie van 1905. In de eerste maanden van de Revolutie van 1917 werd hij gekozen tot lid van het Uitvoerend Comité van de Sovjet van Petrograd en speelde een belangrijke rol bij het tot stand komen van de eerste Voorlopige Regering. Als defensist, pleitbezorger van vredesonderhandelingen met Duitsland stond hij lijnrecht tegenover de oorlogspolitiek van Miljoekov en Kerensky. Hij schreef boeken over landbouweconomie en politieke artikelen in de tijdschriften Letopis en Novaja Zjizn, (beide opgericht door Maxim Gorki). Na de Oktoberrevolutie werd Soechanov een felle criticus van het Bolsjevistische regiem. In 1922 publiceerde hij z’n 2700 bladzijden lange ooggetuigenverslag van de gehele periode (febr.-okt.) van de Revolutie van 1917. In 1931 belandde hij (tijdens de processen tegen de Mensjewieken) voor de derde keer in de gevangenis wegens vermeende contrarevolutionaire activiteiten. In 1939 of 1940 werd hij op bevel van Stalin doodgeschoten en raakte lange tijd in de vergetelheid.

 

 

Dit artikel is een vertaling (d. Ronald de Vries) van een groot gedeelte van ‘De First Day of the Revolution’, hoofdstuk 3 uit N. N. Sukhanov, The Russian Revolution 1917: a Personal Record, Princeton, 1984. De oorspronkelijke memoires van Soechanov in 7 delen, (ca. 2700 blzn.), werden in 1922/23 door een Duitse uitgever in het Russisch uitgegeven (in Rusland pas in 1991 een herdruk). In 1955 werden zij voor het eerst vertaald door Joel Carmichael, in een ingekorte Engelse versie (665 blzn.). Israel Getzler schreef in 2002 een biografie over hem: Nikolai Sukhanov: Chronicler of the Russian Revolution.

 

 

De door vertaler toegevoegde koppen staan op plaatsen waar Soechanov asteriksen gebruikt; Joe Carmichael slaat op deze plaatsen soms ook stukken tekst over. Één, tussen asterisken geplaatste, alinea werd vanwege de chronologie naar boven verplaatst.

De [blauwe] opmerkingen zijn, tenzij anders vermeld, voetnoten van Joe Carmichael. Alle cursieven zij van Soechanov.

 

De Doema kiest een Voorlopig Comité

 

De onvergetelijke 27e februari kwam. Door mijn samenzweringsneiging, telefoneerde ik niet vanaf mijn flat, maar haastte mij naar mijn Turkestan-bureau tussen 09.00-10.00 u. om informatie per telefoon en van mensen rondom mij te verzamelen.

 

Zelfs op de korte wandeling van de Karpovka tot het eind van de Kammenno-ostrovsky Prospect kon je zien dat aan de onzekerheid van de troepen uiteindelijk begon te verdwijnen en dat het verlies van de discipline een dieptepunt naderde.

 

Officieren ontbraken volledig bij de patrouilles en detachementen, die een totale demoralisering als Tsaristische gevechtseenheden toonden: het waren ongeordende troepen van grijze lange jassen die zich openlijk mengden onder de massa der arbeiders en zich met hen en toevallige voorbijgangers verbroederden. Grote aantalen soldaten hadden hun eenheden verlaten en kuierden met of zonder wapens alleen of met z’n tweeën rond. Voorbijgangers zeiden dat ze bereid waren hun geweren in te leveren en vele wapens werden al verzameld in de arbeiderswijken.

 

Het personeel van het Turkestan-bureau waarvan er vele van verre kwamen, beschreven min of meer hetzelfde beeld: het uiteenvallen van de verdediging van Petersburg.

 

Ik bleef gekluisterd aan de telefoon en probeerde tien nummers te bereiken. Het uur van de waarheid, waaraan generaties hadden gewerkt, was duidelijk aangebroken. Ingrijpende gebeurtenissen kondigden zich aan.

 

Mijn ongeduld veranderde in razernij toen de matte operator “in gesprek” meldde. Ik kwam echter snel achter het belangrijkste politieke nieuws van de ochtenduren van die onvergetelijke dag. Het besluit om de Doema (Parlement) te ontbinden was gepubliceerd en de Doema had geweigerd uiteen te gaan en koos een Voorlopige Commissie bestaande uit vertegenwoordigers van alle fracties, behalve de Rechtse.

 

Hier moeten we iets vermelden dat goed bekend is bij de progressieve lagen in Rusland, maar mogelijk niet tot degenen die niet in direct contact stonden met de gebeurtenissen in Petersburg [Sint Petersburg kreeg in 1914 de naam Petrograd – opm. R. de V.] was doorgedrongen. Het idee om de Regering over te nemen was volkomen vreemd aan de Voorlopige Comité van de Doema, die op de ochtend van de 27e februari was gekozen. Dit Comité, dat werd voorgezeten door Rodzianko, was met een specifiek doel, dat officieel bekend werd gemaakt, gevormd: “het herstellen van de orde in de hoofdstad en het leggen van contact met publieke organisaties en instellingen”.

 

Deze daad van deze Voorlopige Commissie van de Doema was ontegenzeggelijk een revolutionaire daad van het Progressieve Blok. Het brak zowel met de wetsgetrouwe tradities als met de elementaire verplichtingen van de Doema. Maar betekende het dat de Doema trouw was aan de revolutie? Was het een blijk van solidariteit van het Progressieve Blok met de massa, die het bolwerk van het Tsarisme bestormde?

 

Het antwoord moet een sterk categorisch ‘nee’ zijn; de revolutionaire daad van de bourgeoisie zoals vertegenwoordigd door het Progressieve Blok en de Doema-meerderheid was bedoeld om de dynastie en de plutocratische dictatuur te redden uit handen van de democratische revolutie – met behulp van onbelangrijke, niet fundamentele correcties van de oude orde. In deze uren was de hoop op redding van het regime van de Romanovs nog helemaal niet verdwenen; het Petersburgse garnizoen was het nog trouw.

 

De algemene strategie van de bourgeoisie tot aan dit hoogtepunt kon slechts bestaan uit strijd tegen de revolutie en de verdediging van het Tsarisme tegen “anarchie” en demoralisatie van het leger. Maar in tegenstelling tot de verachtelijke Tsaristische bureaucraten, zagen de leiders van de bourgeoisie duidelijk dat de gebeurtenissen in een stadium gekomen waren, dat het zonder een revolutionaire daad van ongehoorzaamheid onmogelijk was om de achterlijke en vervallen nalatenschap van het Tsarisme te redden.

 

De revolutionaire daad was gesteld. Naast Rodzianko waren de belangrijkste leden van het Voorlopige Comité: Miljoekov, Konovalov, Jefremov, V. N. Lvov, Sjoelgin en Adsjemov. De linkerzijde van de Doema was vertegenwoordigd door Kerenski en Tsjecheïdze.

 

Toen de Voorlopige Doema Comité officieel zijn bescheiden technische taak bekend had gemaakt, ging zij zich onmiddellijk bezig houden met ‘hoge politiek’ in de hierboven beschreven richting. Nadat Rodzianko zichzelf zeer plechtig op de Tsaristische hoofdkwartieren had gepresenteerd, trad hij telegrafisch in contact met de bevelhebbers van de verschillende fronten om hen te vragen om de Doema tegenover de Tsaar te steunen. Slechts concessies door de nationalistisch-liberale plutocratie zouden de dynasty kunnen redden – dat was de zin van de beoogde gezamenlijke druk van de top van het leger en het progressieve blok van landeigenaren en bourgeoisie op de rampzalige autocraat.

 

Via de telefoon hoorde ik ook de reacties, geïnspireerd door oprechtheid en eerlijkheid die de generaals al gegeven hadden. Enige dagen later zouden deze heren demonstratief met elkaar strijden wie het meest toegewijd was aan de revolutie.

 

Maar gelukkig wachtten de gebeurtenissen niet op de machinaties van deze heren van de oude orde achter de schermen. De revolutie van het volk ging met volle kracht vooruit en veroorzaakte elk uur veranderingen in de hele politieke situatie, terwijl zij steeds wisselende “combinaties” van liberalen, generaals en plutocraten schiep en de Doema als het politiek centrum van de bourgeoisie in z’n kielzog meesleurde.

 

Terwijl de ingenieurs en andere medewerkers, die niet meer aan werken dachten en in de directiekamer samengedromd waren, het door mij verstrekte nieuws met volle teugen tot zich namen, bleef ik aan de telefoon voor meer informatie. Spoedig werd het bekende verhaal over de Volinische en Letse Regimenten door verschillende bronnen onthuld.

 

De affaire begon bij de Pavlovski en sloeg over naar de Volinische, Letse, en Ismajlovski Regimenten. Tegen 13.00 u. waren er al 25.000 man van het Petersburgse garnizoen op de been. De opstandige regimenten trokken op naar de Doema, waar ze geringe tegenstand van een enkele eenheid op de Litejni Prospekt ontmoetten. Maar een deel van de revolutionaire troepen ging met de burgers naar de Kresti- [gevangenis uit 1893 voor meer dan 1000 mensen, naar het model v.d. Amerikaanse gevangenissen voor eenzame opsluiting] en de Detentiegevangenis om de politieke gevangenen te bevrijden.

 

Ik ga zelfs geen algemene beschrijving proberen te geven van de gebeurtenissen tijdens de opstand van het garnizoen op 27 februari. Ook kan ik geen licht werpen – dit vind dit nog teleurstellender – op het interne aspect van het overlopen van deze eenheden, of meer precies individuele soldaten, naar de revolutie. Slechts één ding is zeker: er zaten veel politiek bewuste soldaten en leden van partijen in de eenheden van het Petersburgse garnizoen. Zij waren niet alleen in staat om de beweging op te pakken en in een politiek kader te plaatsen, maar hun actie was ook onvermijdelijk.

 

De Volinische en Letse Regimenten gingen naar de Doema. Er kunnen verschillende redenen voor deze beweging aangevoerd worden. Het kan een louter spontane opwelling zijn geweest of een bewuste poging van de leiders om de “patriottische” bourgeois Doema het politieke centrum van de beweging en van toekomstige gebeurtenissen te maken. Het kan ook louter een demonstratie van solidariteit met het “revolutionaire” parlement, dat net door de Tsaar ontbonden was, zijn geweest. Ik weet het niet.

 

Meer dan eens hoorde ik later van Sokolov [advocaat, sympathisant met de Bolsjewieken] dat hij het zelf was geweest die de eerste opstandige regimenten naar de Doema had geleid. Dat kan werkelijk waar zijn geweest. Maar het werpt echt geen licht op het belangrijke feit dat de Doema, die tot dan toe duidelijk buiten de volksbeweging stond, niet alleen belang als territoriaal centrum, maar nu ook als politieke centrum kreeg.

 

De sociale berg, in de vorm van de Doema, zou niet naar de revolutie komen. Daarom moest de revolutie op een op andere manier naar haar toe komen. (Ik zal op dit zeer belangrijke feit terugkomen, want er werd goed gebruik van gemaakt door een persoonlijkheid die nu het hoofd van de beweging van heel bourgeois Rusland werd, een man die van nu af aan haar hele houding en politiek bepaalde: P. N. Miljoekov)

 

De vertegenwoordigers van Links in de Doema, Kerenski, Tsjeheïdze en Skobelev verwelkomden de eerste soldaten van de revolutie hartelijk. De laatste bracht hen een militaire groet. De revolutie ontwikkelde zich niet louter over de volle breedte, maar haar aard was ook al bepaald; zij nam de belangrijkste peiler van de oude orde in zich op, was natie-breed en omvatte de gehele democratie.

 

Haar afloop stond nog helemaal niet vast. Beslissende interne conflicten konden elk moment ontploffen en waren, gezien de dreigende definitieve afschaffing van het Tsarisme, meer dan waarschijnlijk. Maar haar volledig democratische karakter was niettemin al bepaald. Hoe enorm onwetend waren de goedbedoelende dwazen van de democratie, hoe enorm verachtelijk de kwaadaardige hypocrieten van de bourgeoisie, die niet de grote zaak van de hele democratie een militaire revolte durfden te noemen!

 

Wat het Tsaristische commando in die uren deed, welke “maatregelen” zij bedacht of uitvoerde in de strijd tegen de revolutie, weet of herinner ik mij niet. Wat doet het ertoe? Niemand in Petersburg kon er nog langer aan twijfelen of de Tsaristische autoriteiten de ontwikkelingen nog op een of andere manier hadden kunnen beïnvloeden. Het is waarschijnlijk dat zelfs zij begrepen dat er in die uren nog maar één strijdmethode tegen de revolutie overbleef: een onmiddellijk compromis met de bourgeoisie.

 

De leiders van het Progressieve Blok bleven halsstarrig weigeren om zich aan de kant van de revolutie te scharen; zij wilden niet proberen haar aan te voeren, noch haar te erkennen als een voldongen feit. Dit is onbetwistbaar. Maar wat voor “combinaties” de leidende kringen van de bourgeoisie, het Progressieve Blok en het Comité van de Doema in deze uren wilden vormen, weet ik ook niet en interesseerde me nooit. Dat stond nu ook buiten de ontwikkelingen en kon ze ook helemaal niet beïnvloeden. Deze “combinaties” waren dus louter het gevolg van verwarring en blindheid. Het was te laat ….

 

Een geheel nieuwe speler was verschenen: een almachtige organisatie van de gehele democratie van revolutionair Petersburg, een organisatie klaar voor de strijd, gewijd door een glorieuze traditie [De eerste Petersburgse Sovjet werd in oktober 1905 opgericht en kwam nauwelijks twee maanden later ten val] en klaar om de zaak van de revolutie, haar eigen zaak in eigen handen te nemen.

 

Dit was de Sovjet [Raad] van Arbeidersafgevaardigden.


Oprichting van de Petersburgse Sovjet

 

De opstandige troepen hadden samen met de volksmenigten een heleboel Socialistische arbeiders uit de Petersburgse gevangenissen bevrijd. In het bijzonder hadden zij de Arbeidersgroep van het Centrale Oorlogsindustrie Comité (C.O.C.) met voorzitter K. A. Gvosdev bevrijd. De leiders van deze groep gingen onmiddellijk samen met de troepen en de menigten op weg naar het Taurische paleis, waar vele publieke figuren uit verschillende lagen, rangen, standen en beroepen al aan het vergaderen waren.

 

Tegen 14.00 u. verschenen enige nogal vooraanstaande vertegenwoordigers van de vakbond en de coöperatieve bewegingen. De Arbeidersgroep v.h. C.O.C. vormde met hen en de Linkse afgevaardigden “Het Voorlopige Uitvoerend Comité van de Sovjet van Arbeidersafgevaardigden”, dat als organiserend comité in wezen één opdracht had: de Petersburgse Sovjet van Arbeidersafgevaardigden bijeenroepen. Dat deed ze prima. Razendsnel werd een oproep in de hoofdstad onder de arbeiders verspreid, waarin zij die dag om 19.00 u. in het Taurische Paleis uitgenodigd werden voor de eerste bijeenkomst.

 

Verkiezingen voor de Sovjet hadden al eerder plaats gevonden, maar illegaal en incidenteel met het doel om op eventualiteiten voorbereid te zijn. Nu moest in een paar uur geheel werkend Petersburg gemobiliseerd en daaruit een almachtig orgaan gecreëerd worden met als taak het lot van de revolutie in handen te nemen.

 

Het Voorl. Uitv. Com. van de Sovjet van Arbeidersafgevaardigden regelde daarnaast ook noodvoorraden voor de opstandige, verspreide en ontheemde militaire eenheden die hun barakken hadden verlaten. Het koos direct een “voorlopige voorraadcommissie” (Groman, Frankorusski e.a.) die allereerst een noodvoorraad voor de soldaten in het Taurische Paleis aanlegden en vervolgens de hulp inschakelden van de stadsbewoners.

 

Het Voorl. Uitv. Com. ontstond zogezegd uit de technische noden van het moment, maar loste door deze maatregelen feitelijk ook een zeer belangrijk politiek probleem op.

 

De gewapende, hongerige, dakloze, geterroriseerde en onwetende massa der soldaten vormden immers minstens zo’n gevaar voor de zaak van de revolutie als de georganiseerde milities van het Tsarisme, als die al bestonden.

  

 

Natuurlijk nam het Uitv. Com. ook alle mogelijke maatregelen om de revolutie te verdedigen tegen vernietiging door Tsaristische troepen. Het begon direct met het vormen van een militaire staf voor de revolutie in het Taurische Paleis. Maar wat voor staf, strijdmacht en organisatie! Men belde een aantal officieren die als democraten bekend stonden; dit handjevol officieren, dat rustig aan een tafel zat, werkte een strategie uit.

 

Later verenigde Kerenski deze groep officieren van het Uitv. Com. met een soortgelijke groep die was gevormd in het Militaire Comité van de Doema en zo werd de basis gelegd voor een Militaire Commissie, een instituut dat we verderop nog zullen tegenkomen.

 

à Hier verlaten we de tekst halverwege blz. 40 om hem halverwege blz. 57 weer te vervolgen.


De afgevaardigden verzamelen zich in het Taurische Paleis

 

De rechter gang van het Paleis was al volgepakt met lawaaierig en geanimeerd volk. Bij de deur van kamer 41, waar de Militaire Commissie in vergadering was, klonk het geroezemoes van een menigte burgers en nog meer militairen. Hele rijen gearresteerde leden van de politie en Geheime Politie werden door de gang geleid door soldaten, mariniers en gewapende arbeiders. In het voorvertrek van de Catherina Hal was een gedrang dat erger werd naarmate je dichter bij de linker vleugel, waar de Sovjet vergaderde, kwam.

 

Behalve zomaar rondhangende soldaten, zag je de geconcentreerde, ernstige soldateske gezichten van de officiële vertegenwoordigers en afgevaardigden van de opstandige eenheden; volledig bewapend met hun geloofsbrieven in de hand, vroegen zij hoe en waar ze moesten “rapporteren” aan de Sovjet.

 

Bij elke stap ving je een glimp op van bekende gezichten van elke denkbare partij en organisatie. Iedereen die je wel eens tegenkwam bij een publieke activiteit, was er.

 

Ik ontmoette een oude mede-banneling, M. A. Braunstein, een Mensjewiek. Hij was net aangekomen en had een heel stuk door de stad gelopen, nog geschokt van wat hij had gezien. “Er ontstaat complete anarchie in de stad”, zei hij. “Soldaten plunderen en vernietigen. Zij worden geleid door de Zwarte Honderd [terroristische, Tsaargezinde club, v. overwegend gedeclasseerden en kleinburgers, opgericht in 1905 m.m.v. de politie, waarmee zij pogroms tegen joden en liberale intellectuelen organiseerde], de Geheime Politie en de politie. Geen gezag, geen organisatie, geen beperking. De politie, de militaire cadetten, de totale kracht van de oude orde wordt gemobiliseerd. Zij schieten uit zolderkamers en ramen om de menigte te provoceren. De Sovjet moet terstond de verdediging van de stad organiseren en de anarchie onderdrukken. We hebben direct een arbeidersmilitie en energieke Commissarissen, verantwoordelijk voor de stadswijken nodig. Dit vraagstuk moet vooraan op de agenda, anders zal de beweging vernietigd worden”.

 

Dokter Vechelov rende langs, een oude Mensjewiek, Linkse internationalist in oorlogstijd en een bekwame arts die over niets anders dan politiek praatte (tenminste met mij), zelfs als hij naar je hart luisterde of je difterie-injecties gaf. “Troepen bewegen naar Peterburg”, zei hij hijgend, “van het front naar de provincies. We worden verpletterd. Is er enige verdediging georganiseerd? Wat doet de Militaire Commissie? We moeten de zitting onmiddellijk openen en de vraag naar de verdediging van de revolutie opwerpen!”

 

De dokter rende verder. Ik baande me een weg door de menigte van de Catharina Hal naar de kamers die door de Sovjet werden bezet.

 

De hal liep vol. Sokolov rende heen en weer, terwijl hij orders gaf en de afgevaardigden hun plaatsen aanwees. Autoritair, zonder gegronde redenen te geven, legde hij de aanwezigen uit wat voor soort stem zij hadden: adviserend, beslissend of geen stem. Hij zei dat ik een stem had, wat voor een herinner ik me niet meer. Maar natuurlijk hadden deze rechterlijke besluiten van de toekomstige senator niet de minste praktische betekenis.

 

Ik rende naar Tichonov en we gingen aan de tafel zitten op respectvolle afstand van de officiële personages, de afgevaardigden Tsjecheïdze en Skobelev, leden van het zelfbenoemde Uitv. Com., Gvozdev, Kapelinski van de Coöperatieve beweging [een brede democratische, onafhankelijke beweging, die de “consumentenbonden” organiseerde om de tussenhandel uit te schakelen en de prijzen te verlagen; ontstond in de jaren 60 van de 19e eeuw; had grote aanhang onder boeren, arbeiders en liberalen; telde 2 miljoen leden voor WOI] en Grinevitch, een van de leiders van de Petersburgse Mensjewieken.

 

B. O. Bogdanov, het meest actieve lid van het Uitv. Com. was er om een of ander reden niet bij; Ik denk dat hij slechts een dag later kwam. Vlakbij de tafel torende de massieve figuur van Steklov (Nachamkes) [1873-1937, actief revolutionair vanaf het begin van de 90er jaren; werd na de oktoberopstand Bolsjewiek; was lange tijd redacteur van de Iswestia (Nieuws), het orgaan van de Peterburgse Sovjet] uit, meer herinnerend aan een bebaarde centraal-Russische kleine boer dan een jood uit Odessa.

 

aan de hoofd van de tafel zat ook Chroestalev-Nosar, de voormalige voorzitter en leider  van de Sovjet in 1905 (samen met Trotski), die iedereen lastig viel met van alles en nog wat. Sokolov rende daar ook heen en weer; Om 21.00 u. precies opende hij de zitting van de Sovjet met een voorstel om een Presidium te kiezen …. Kerenski verscheen even.

 

Ik voelde niet langer enig verlangen om tot de centra van de beweging te behoren; ik had niet het gevoel dat ik afgesneden was van het levende proces. Ik zat midden in de smeltkroes van de grote gebeurtenissen, het laboratorium van de revolutie.

 

De eerste zitting van de Sovjet wordt geopend

 

Toen de zitting werd geopend waren er circa 250 afgevaardigden aanwezig. Nieuwe groepen bleven in de hal echter stromen, God weet met welke mandaten of bedoelingen.

 

Hoe moet de agenda van deze almachtige vergadering van de vertegenwoordigers van de democratie in dit beslissende uur van de revolutie er uit zien? Het was ten ene male onmogelijk om het politieke probleem tot het eerste onderwerp te maken en het vormen van een revolutionaire Regering af te dwingen. Gezien de onbestemde situatie en de stemming in de rechter vleugel van het Taurische Paleis [waar het Doema Comité vergaderde] kon dit probleem slechts op de agenda gezet worden door de Sovjet tot de hoogste staatsmacht uit te roepen. Onder deze omstandigheden was het aan anderen om de kwestie van de macht op de agenda te zetten: aan de voorstanders van een onmiddellijke dictatuur van de Sovjet, bijvoorbeeld de Bolsjewieken onder aanvoering van Sjliapnikov of de Socialisten-Revolutionairen onder leiding van Alexandrovitch.

 

In ieder geval waren deze groepen zwak, onvoorbereid, initiatiefloos en niet in staat om hun positie te bepalen. Geen van beiden stelde het probleem. De omstandigheden zelf verdroegen intussen absoluut geen uitstel betreffende de techniek van de revolutie zelf.

 

De mensen waarmee ik zo af en toe over de agenda sprak, hadden natuurlijk gelijk. De beweging zou worden vernietigd als er geen economische noodmaatregelen: organisatie van de bevoorrading van de hoofdstad. Ook moesten er direct strategische stappen gezet worden om de revolutie militair te verdedigen en anarchie te voorkomen: mobilisatie van de strijdkrachten van het plaatselijk garnizoen en de arbeiders om een mogelijke aanval op Petersburg te weerstaan. Wat de uiteindelijke regeringsvorm ook mocht zijn, alleen de Sovjet zou deze “techniek" van de revolutie tot een goed einde kunnen brengen.

 

De strategische maatregelen, defensief en offensief, moesten door de Militaire Commissie, waarvan de kern en de meerderheid op dat moment was samengesteld uit Sovjetleden uitgevoerd worden. De strategie in de voltallige zitting bespreken, zou absurd zijn. Het was echter van vitaal belang om de activiteiten van Militaire Commissie, die in de rechtervleugel van het Paleis vergaderde, onder supervisie van de Sovjet te brengen.

 

Natuurlijk werden de Doema Afgevaardigden, Tsjecheïdze, Kerenski en Skobelev genomineerd voor het Presidium en onmiddellijk zonder oppositie gekozen. Behalve de voorzitter en zijn twee collega’s werden er vier secretarissen gekozen, Gvozdev, Skobelev Grinevitch en de arbeider Pankov, een Linkse Mensjewiek. Als ik mij niet vergis declameerde Kerenski enkele holle frasen, als een lofrede op de revolutie van het volk en verdween onmiddellijk naar de rechter vleugel om niet meer in de Sovjet te verschijnen.

 

Ik herinner me niet welke taak de toekomstige vaste voorzitter van de Sovjet Tsjecheïdze had. Skobelev was voorzitter, maar kon geen methode vinden om de rumoerige zitting en de opwinding in goede banen te leiden, zodat de bijeenkomst lawaaierig en zeer chaotisch verliep. Dit verhinderde de Sovjet echter niet om op haar eerste zitting haar voornaamste taak, wezenlijk voor de revolutie, te vervullen: het binnen één centrum concentreren van alle ideologische en organisatorische kracht van de Petersburgse democratie vanuit onweersproken gezag en met een vermogen tot snelle en besluitvaardige actie.

 

Onmiddellijk na de vorming van het Presidium klonken van verschillende kanten de gebruikelijke roep om “orde” luid. De voorzitter, die de formaliteiten wilde afsluiten, stelde voor het al functionerende Geloofsbrieven Comité, dat door Gvozdev werd voorgezeten, te beëdigen, maar nu begonnen de soldaten spreektijd te eisen om te rapporteren. Dat werd geestdriftig gesteund en de zitting ging in een enthousiaste stemming verder.

 

Staande op de stoelen, geweren in de hand, opgewonden, hakkelend, alle krachten verzamelend en geconcentreerd om de boodschap die hen was toevertrouwd in een samenhangend verhaal te presenteren, in een onbekende en enigszins onwezenlijke omgeving, zonder na te denken en wellicht geheel onbewust van de betekenis van de feiten die zij meldden, deden zij verslag in eenvoudige ruwe taal waardoor het extra opviel dat ze zonder stembuigingen spraken; Één voor één vertelden de soldaten-afgevaardigden wat er was gebeurd in hun compagnieën:

 

“Wij zijn van het Volinski Regiment …. het Pavlovski …. het Letse …. het Keksholm …. de Genie …. de Torpedojagers …. Het Finland …. De Grenadiers ….”

 

De namen van alle geweldige regimenten die de revolutie hadden ontketend, werden met een stormachtig applaus begroet.

 

“Wij hadden een bijeenkomst ….”. “Wij moesten jullie melden ….”. “De officieren verborgen zich ….” “Om ons aan te sluiten bij de Sovjet van Arbeidersafgevaardigden ….”. “Zij droegen ons op te zeggen, dat wij weigeren om nog langer tegen het volk te dienen, wij gaan hand in hand met onze arbeidersbroeders de zaak van het volk verdedigen …. Wij zijn bereid daar onze levens voor te geven”. “Onze algemene bijeenkomst vroeg ons jullie te groeten ….”. “Lang leve de revolutie!” zou de afgevaardigde er nog aan toe voegen, een zin die al volledig teloor was gegaan in het oorverdovende tumult van de zitting.

 

Vreselijke geweren, weerzinwekkende overjassen, vreemde woorden! Theoretisch was dit alles bekend, goed bekend, bekend sinds die morgen. Maar in de praktijk had niemand de gebeurtenissen begrepen of verwerkt die alles op z’n kop hadden gezet ….

 

Daar werd voorgesteld het revolutionaire leger te verenigen met het hoofdstedelijke proletariaat in één organisatie die Sovjet van Arbeiders- en Soldatenafgevaardigden werd genoemd; dit voorstel werd [2 dagen later] met een stormachtig applaus goedgekeurd ….

 

Maar vele regimenten stonden nog niet aan onze kant. Aarzelden zij, waren zij bewust neutraal, of klaar om de “vijand van binnenuit” te bevechten?

 

De situatie was nog kritiek. Er bestond kans op bloedige schermutselingen tussen de georganiseerde regimenten en hun officieren. De revolutie moest wellicht nog met blote handen bevochten worden.

 

De Commissies van Bevoorrading en van Publiciteit worden gekozen

 

Frankorusski, de “Bevoorradingsman”, gaf een korte schets van de toestand van de voedselvoorraden in de stad en alle mogelijke gevolgen van honger onder de massa; hij stelde voor een Commissie Bevoorrading met voldoende bevoegdheden te kiezen met de opdracht direct aan het werk te gaan. Hier was natuurlijk geen debat over. De Commissie werd meteen gekozen uit Socialistische bevoorradingspecialisten en ging aan het werk onder leiding van V.G. Groman [1873-?; pleitbezorger v.d. planeconomie; na 1917 lid v. belangrijke planningsbureaus; na 1929 tegen de industrialisatiepolitiek; in 1931 veroordeeld tot 10 jr. gevangenis].

 

Ondertussen kwam M. A. Braunstein, die overtuigend was gekozen in de Commissie Bevoorrading, naar me toe en drong erop aan, dat ik meteen een voorstel ter verdediging van de stad zou indienen. Ik zag het nut van een dergelijke actie niet in en zei dat ik zijn voorstel wel zou steunen. Hij betrad het sprekersgestoelte en beschreef de toestand voor een zeer aandachtig publiek dat de sympathie van de vergadering kreeg.

 

Braunstein stelde voor dat de aanwezige afgevaardigden van de fabrieken ervoor zouden zorgen, dat er milities (100 man per elke 1000) en wijkcomités gevormd werden en dat er almachtige Commissarissen benoemd werden om de orde te herstellen en de strijd tegen anarchie en pogroms aan te binden. [Braunstein was de eerste die de term Commissaris, die later zo nodeloos werd misbruikt, hanteerde] Nadat ik de vergadering geïnformeerd had over de activiteiten van de Militaire Commissie en gewaarschuwd had tegen het gevaar van vermenging van functies en bevoegdheden, sprak ik mijn steun uit voor deze resolutie. Hij werd in principe aangenomen, maar er was nog geen apparaat dat kon uitvoeren; er waren geen grenzen tussen de wijken (moesten het de toekomstige Sovjet- en gemeentelijke wijken of de oude politierayons zijn?), geen vergaderplaatsen en geen vrijwillige Commissarissen ….

 

Met oog daarop werd natuurlijk ook een oproep aan de bevolking in naam van de Sovjet opgesteld om de hoofdstad, voor zover mogelijk de provincie, te informeren en om richtlijnen te geven aan de bevolking; dit was echter een relatief simpele klus voor de vergadering. Een van mijn buurmannen stelde voor een Commissie Publiciteit te kiezen die de oproep moest schrijven en ter goedkeuring aan de Sovjet voorleggen.

 

Dit organisatorische werk, dat al een uur had geduurd, werd echter weer verstoord. Een jonge soldaat wrong zich naar het midden van de hal. Zonder het woord te vragen of te wachten op toestemming om te spreken, zwaaide hij met zijn geweer boven zijn hoofd, terwijl hij hijgend en naar adem snakkend het vreugdevolle nieuws uitschreeuwde:

 

“Kameraden en broeders, ik breng jullie de broederlijke groeten van alle lagere rangen van het hele Semenovski Regiment van Lijfwachten. Wij zijn allen, tot de laatste man, vastberaden om het volk bij te staan tegen de vervloekte autocratie en we zweren om de zaak van het volk te dienen tot onze laatste druppel bloed!”

 

In deze uitzinnige stemming, bracht de jeugdige afgevaardigde van de opstandige Semenovki-soldaten - die duidelijk geschoold was door partijpropaganda - in deze banale en stereotype bewoordingen echt zijn ziel naar buiten, vol van de verheven indrukken van die dag en in het besef dat de zo verlangde overwinning was behaald. Door de zitting, middenin haar werkzaamheden gestoord, ging weer een golf van romantisch enthousiasme. Niemand stopte de lange redevoering van de Semenovski-soldaat, die begeleid werd door oorverdovend applaus. Het belang van dit nieuws was voor iedereen duidelijk: het Semenovski Regiment was een van de meest trouwe steunpilaren van het Tsarisme geweest. Er was geen man in de zaal die niet bekend was met de “glorieuze” tradities van ‘Semenovski-jongens’ en zich hun Moskouse wapenfeiten in 1905 niet herinnerde. [De Semenovki-soldaten waren berucht om hun aandeel in de brute onderdrukking van de Moskouse opstand in 1905] Dat was allemaal voorbij. In een flits was de vieze mist opgetrokken door het licht van deze nieuwe en verblindende zon.

 

Het bleek dat er afgevaardigden van nieuwe opstandige regimenten in de hal waren. Zij hadden niet om spreektijd durven vragen, maar kwamen nu nadat het Semenovski Regiment het pad voor hen geëffend had, naar voren. Wederom hoorde de vergadering de verhalen van een hele rij legereenheden aan, één van de Kozakkenregimenten. Ik denk een gewapende divisie, een elektro-technisch bataljon, een machinegeweer-regiment, kort tevoren nog enorme vijanden van het volk en van nu af aan een hechte vriendengroep van de revolutie. De revolutie groeide en nam elk moment in kracht toe.

 

Er werden nu verkiezingen voor de Commissie Publiciteit gehouden. Sokolov, Pesjechanov, Steklov, Grinevitch en ik werden gekozen. Er werden geen bezwaren ingebracht: er waren geen fractiegevechten of partij-kandidaten. Bovendien werden er in het geheel geen richtlijnen aan de Commissie gegeven en het was voor iedereen duidelijk dat de proclamatie zou worden gepubliceerd in de vorm waarin de Commissie hem zou voorleggen. Zo was de eerste daad, van enige politiek belang, van de Sovjet volbracht.

 

Het opstellen van een oproep

 

Wij verlieten direct de bijeenkomst en zochten een plek waar we de oproep konden opstellen. Behalve Grinevitch kenden de leden van de Commissie elkaar zeer goed en het was duidelijk dat we, gezien onze grote politieke verscheidenheid van Rechts tot Links, enige fundamentele onenigheid konden verwachten en ons veel werk te wachten stond.

 

Één voor één zochten we onze weg door de dichte mensenmassa, zelfs nog meer opeengepakt dan in de Catharina Hal bij de deuren van Kamer 11. Tien duizenden mensen van alle leeftijden en uit alle lagen van de bevolking wilden in het hart van de revolutie zijn.

 

We konden geen plek vinden om te werken en we liepen door het drukke voorvertrek naar de rechtervleugel, hopend dat we in één van de bureaus van de Doema terecht konden. Weer passeerden ons rijen gearresteerde politiemannen en andere “politieke gevangenen” van een geheel onbekend soort. Sommige werden naar het ministeriële bijgebouw, ingericht als een kamer voor hogere Tsaristische functionarissen, gestuurd. De kleine braadschotels die twee of drie vertrekken van de Doema vulden, werden in de gangen van de grote Witte Hal gezet waar ze ook de volgende dagen bleven staan.

 

In de Catharina Hal en het voorvertrek stonden soldaten met wapens in de hand in rijen, ordelijk maar niet strak, opgesteld. Sommigen hadden hun wapens neergezet en zaten op de grond brood, haring en thee te verorberen. Anderen sliepen languit op de grond, zoals passagiers 3e klasse op het treinstation bijeenkruipen om warm te blijven.

 

Terwijl we naar de rechter gang liepen, zagen we vermoeide soldaten, die zich schreeuwend en dringend een weg door de menigte baanden, binnenkomen. Zij gooiden een deel van hun bepakking, vooral granaten, geweren, revolvers en gordels voor machinegeweren bij de ingang neer en liepen naar het voorvertrek en naastgelegen kamers. De machinegeweren zelf, beschermd door bewakers, waren ook hier en daar zichtbaar.

 

Zakken meel lagen twee stappen van de ingang opgestapeld. Er stonden twee gehoorzame bewakers bij, als Tsaristische officieren opgesteld, die allerminst leken te begrijpen wat er gebeurde. “Wie gehoorzamen ze en waarom precies?” schoot door mijn hoofd ….

 

“Hier is het eindelijk, het beste meel!” schreeuwde een soldaat vrolijk uit, terwijl hij me een krachtige duw met zijn tas gaf.

 

Je glibbberde over de vloer, waar modder en sneeuw zich vermengden. Chaos alom. Er stond een hevige tocht op de deur en het stonk naar soldatenschoenen en overjassen.

 

Wij liepen op zoek naar een werkplek door en kwamen in de kamer van de voorzitter van de Doema, waar ik drie uur eerder met Konalov en Miljoekov had gesproken. Hij was bijna leeg en we gingen aan de schrijftafel met telefoon en schrijfgerei, zitten. Ik besloot, in afwachting van de anderen, om de tegenoverliggende kamer, waar de Militaire Commissie vergaderde, binnen te gaan om de situatie te peilen. De Commissie was naar de kamer ernaast gegaan (om de menigte die daar niets te zoeken had, te ontlopen). Ik vernam dat het werk, onder inspiratie van Kerenski, opschoot. Maar anderen beweerden, met een sceptische glimlach of een hopeloos schouderophalen, het tegenovergestelde.

 

Ik was meer opzoek naar nieuws uit de stad. De Peter en Paul Vesting, het eeuwenoude fort van de Tsaren, was gevallen, wat algemeen als een vreedzame overwinning van de revolutie werd beschouwd. De staf had zich, zonder dat er een schot werd gelost, overgegeven. Maar pas, nadat het Doema Comité zich bij de revolutie aangesloten had.

 

De Tsaristische regering had zichzelf verschanst in de Admiraliteit en werd daar beschermd met artillerie van enkele nog loyale troepen; revolutionaire troepen bestormden de Admiraliteit ook met artillerie op bevel van de Militaire Commissie. Het bericht hierover was vals: de “loyale” troepen waren de volgende dag weggevlucht en de Tsaristische ministers werden voor korte tijd elders ondergebracht. Het bericht over de aanwezigheid van actieve Tsaristische troepen was echter zeer alarmerend.

 

Een derde bericht overschaduwde alles: heel Kronstadt [mariniersstad] had zich aangesloten bij de revolutie. Niemand kon hieraan twijfelen, gezien haar terechte reputatie.

 

Dit vreugdevolle bericht verbleekte echter bij een ander bericht: troepen waren onderweg naar Petersburg. Het regeringsgetrouwe 171ste infanterie-regiment was al gearriveerd en had het Nikolaas-Station bezet. Een deel ervan was in gevecht met een eenheid van de revolutionaire troepen op Znamenski-Plein.

 

Later beseften we dat het zinloos was om troepen te zenden voor de pacificatie van Petersburg. Alle “loyale” troepen bleven hun bevelhebbers gehoorzamen tot aan de spoorwegstations en liepen dan onmiddellijk met hun bevelhebbers over naar de revolutie.

 

Maanden later, tijdens de Kornilov-opstand [eind augustus 1917], herinnerde ik mijn vrienden hieraan. Ik geloofde namelijk geen seconde dat Kornilov Petersburg ter “pacificatie” zou kunnen bereiken. In deze kritieke momenten verscheen alles echter in een geheel ander licht. Het laatste bericht van een schotenwisseling op het Znamenski-Plein was, gezien de wanorde en technische hulpeloosheid van de revolutionaire krachten tegen de - door officieren aangevoerde - troepen, zeer bedreigend. Het was iedereen duidelijk welke enorme kloof er gaapte tussen de bereidheid tot een bloedige vrijheidsstrijd en het vermogen om de strijd tegen geregelde en wellicht frontlinie-troepen te winnen.

 

“Het is afgelopen met ons, afgelopen!” schreeuwde Grinevitch, die naar dit alles had geluisterd, terwijl hij naar zijn hoofd greep. Ik sprak hem in de gang aan en trok hem in het kantoor van de Doemavoorzitter om de Sovjet-oproep op te stellen.

 

In de kamer waar wij werkten, was het zo druk geworden, dat wij naar een andere ruimte moesten uitzien. We gingen de rechter gang in en voltooiden onze oproep in een kantoor vol met typemachines. De meeste Commissieleden keerden terug naar de Sovjet.  Ook ik spoedde me daarheen, Grinevich, die de oproep uittypte, achterlatend in een leeg kantoor met één brandende lamp. Vanuit het raam konden we het plein voor het Taurische Paleis zien. De menigte was uitgedund en het plein leek meer op een legerplaats. Er waren kampvuren waaromheen soldaten in groepen stonden. Bewapende wagens met rode vlaggen sputterden tussen de kanonnen en machinegeweren.

 

Al deze berichten over de actuele gebeurtenissen gingen over de techniek, de strategie van de revolutie. Wat was er intussen gebeurd in de sfeer van de “hoge politiek”?

 

Het Voorlopig Doema Comité wil de macht overnemen

 

Aangekomen bij het kantoor van de Doemavoorzitter, hoorde ik dat Rodzianko al veilig van zijn missie om nog eens te waarschuwen en een verenigd front van Tsarism en bourgeoisie tegen de revolutie van het volk te vormen, weliswaar te laat, teruggekeerd was.

 

In de eerste plaats zou de revolutie niet wachten op de mobilisatie van vijandelijke krachten en was al zover gevorderd, dat zelfs een blinde de onbenulligheid van de contrarevolutionaire “combinaties” van de Kabinet-kliek kon zien. In de tweede plaats kon het laatste Tsaristische “Kabinet” Rodzianko niet helpen: zij zaten nog in de Admiraliteit en dachten niet aan “combinaties”, maar aan hun eigen huid. Ik weet niet wie Rodzianko in naam van de Doema en de bezittende klassen raadpleegde, maar in ieder geval was het in die uren duidelijk geworden, dat het verstandiger was te proberen de democratische beweging over te nemen en voor eigen doelen te gebruiken dan te pogen de revolutie te verslaan door een verenigd front met het Tsaristisch leger.

 

Rodzianko’s vruchteloze missie en wat er twee stappen van zijn kantoor in de Sovjet plaats vond, bracht de berg uiteindelijk naar Mohammed en stelde de kwestie van verandering van tactiek direct aan de orde. Vanaf dat moment bepaalden de duiven en niet de haviken de politieke strategie van de bourgeoisie in het verloop van de revolutie.

 

Een radicale en mysterieuze afgevaardigde met vlammende ogen stormde ons kantoor binnen met politiek nieuws: Rodzianko had zichzelf, na overleg met het Doema Comité, in zijn kantoor (in de kamer naast ons) opgesloten en enige bedenktijd gevraagd.

 

Wij hadden geen tijd. Onze oproep kon niet wachten en wij waren hard aan het werk. Mensen bleven, schreeuwend en ons aanstotend, binnenkomen. Wij waren op vreemd terrein, maar we konden nergens anders heen. Het werk verliep nogal moeizaam. We hadden besloten om niets over de politiek te schrijven en gewoon te verhelderen wat er was gebeurd, bekend te maken dat er een centrum van revolutionaire democratie, in de vorm van een Sovjet, was gecreëerd en op te roepen tot organisatie en handhaving van de orde. Alleen aan het eind spraken we van een Grondwetgevende Vergadering als de belichaming van de democratische maatschappij als het doel van de revolutie.

 

Wij werkten zo’n kwartier. Het was rond middernacht. De telefoon ging; ik nam hem op.

 

“Doema? Kun je me iemand van het Voorlopig Comité geven, misschien Miljoekov?”

 

Ongetwijfeld één of andere “intellectueel” met een dwingende, doordringende stem. Hoe konden we Miljoekov of de Doema-leiders nu te pakken krijgen, wanneer elke minuut kostbaar voor ons was? Ik legde mijn probleem uit en vroeg z’n telefoonnummer.

 

“Zeg hem dan alsjeblieft, dat het Preobrazenski-regiment heeft gebeld. Het hele Regiment sluit zich aan bij het volk, staat ter beschikking van de Doema en wacht op orders van het Voorlopig Comité ….”

 

Miljoekov liep net de kamer binnen uit het kantoor van Rodzianko. Toen hij onze groep zag, kwam hij recht op onze tafel af. Met een triomfantelijke blik en een onderdrukte lach op zijn gezicht zei hij: “Er is een besluit genomen, we gaan de macht overnemen ….”

 

Ik vroeg alleen niet wie deze “we” waren. Maar in heel mijn wezen, zoals ze dat zeggen, voelde ik de nieuwe en gunstige positie van de revolutie en de nieuwe democratische taken die nu aan de orde waren. Ik voelde dat het schip van de revolutie, voortgedreven door een windstoot, in de macht van de elementen, met volle zeilen, stabiliteit had gekregen en gebeukt door de vreselijke storm, tussen de klippen en riffen door, haar uiteindelijke koers had gevonden naar een punt, dat onzichtbaar in nevelen gehuld, met zekerheid bekend was. De stuurinrichting was helemaal in orde, de machines begonnen te draaien; alleen bekwame navigatie was nog nodig.

 

De makkelijke en pijnloze opheffing van de oude orde door het gehele land, was onstuitbaar. Alle pogingen van de plutocratie, de frontlinie-generaals of enige Tsaristische macht om de omverwerping te weerstaan, waren bij voorbaat gedoemd te mislukken.

 

Een nieuw programma moest nu aan de democratie gepresenteerd worden: voorkomen dat de revolutie, na voltooiing, een basis van een bourgeoisie-dictatuur zou worden en verzekeren dat zij het begin van een reële overwinning van de democratie zou vormen.

 

Ik gaf de hoorn aan Miljoekov. De leider van de toekomstige regering paste zich snel aan aan z’n nieuwe rol en antwoordde de Preobrazenski-officier plotseling:

 

“Zeer goed, Kolonel Engelhardt zal onmiddellijk naar u toe komen in naam van het Voorlopig Comité van de Doema en het commando van het regiment overnemen”.

 

In feite kreeg deze Kolonel Engelhardt, een Doema-afgevaardigde en vermoedelijk een Oktobrist, een andere taak: hij werd het hoofd van de Militaire Commissie waarop het Voorlopig Comité van de Doema snel officieel de hand wilde leggen.

 

Het was allereerst belangrijk voor de Doema-bourgoisie om te laten zien, dat de revolutie de drijvende kracht achter de Doema was en dat die bezig was een nieuwe sociale orde aan het Tsarsme te ontworstelen; ten tweede was het belangrijk voor de “rechter’ helft“ van het Taurische Paleis om de facto het militaire apparaat als geheel te controleren.

 

Op dit punt nu werd de politiek van de eerste revolutionaire Regering vastgelegd en werd haar koers in relatie tot de democratie, zoals die belichaamd was in de Sovjet, bepaald.

 

Het probleem van de persvrijheid

 

Het algemene vraagstuk van de pers kwam nu aan de orde in de Sovjet. De korte vluchtige debatten daarover waren zeer kenmerkend. Ik herinner me twee tegenover elkaar staande redes. Steklov bepleitte het sluiten van de pers voor de komende paar dagen, wijzend op het gevaar van agitatie door de pers van de Zwarte Honderd. Sokolov deed een beroep de persvrijheid, terwijl hij stelde dat het onmiddellijk herstel van normale levensomstandigheden de revolutie alleen maar kon versterken.

 

Ik was het van harte met de laatste eens en ijverde tijdens de gehele revolutie en haar meest kritieke momenten voor totale en onbeperkte persvrijheid - alleen rechtbanken komt een rol toe - zowel op principiële als praktische gronden. Hierbij behoorde ik meestal tot een minderheid of stond alleen. In dit geval echter, wist ik heel zeker, dat geen orgaan zich zou durven uitspreken tegen de revolutie ten gunste van de oude orde.

 

In de nacht van 27 op 28 februari werd een compromis in deze kwestie bereikt. Kranten mochten uitkomen onder verantwoordelijkheid van de uitgever. Ondanks alle twijfels over dit besluit zelf, twijfelde niemand eraan dat over deze kwestie moest worden besloten door de Sovjet, de enige reële macht hierin, vooral doordat zij het hele leger van typografische arbeiders controleerde. De Sovjet was ook, los van de houding van de bourgoisie in deze, geïnteresseerd in de afloop van de revolutie en zij aarzelde niet om op eigen gezag te beslissen. Dit was dus uiterst kenmerkend voor de positie van de “rechter” en “linker” vleugel van het Taurische Paleis en de betrekkingen die zich tussen de Sovjet en de eerste revolutionaire Regering ontwikkelden.

 

De Sovjet kiest een Uitvoerend Comité

 

Het was nu belangrijk om een Uitvoerend Comité te kiezen. Men wilde 8 leden laten kiezen. De niet-partij-kandidaten, Steklov, Kapelinski en ikzelf kregen de meeste stemmen, de Bolsjewiek Sjliapnikov en de Socialist-Revolutionair Alexandrovitch de minste. Besloten werd om ook de leden van het Presidium (de voorzitter, twee vicevoorzitters en vier secretarissen) en vertegenwoordigers van centrale en lokale organisaties van de Socialistische partijen in het Uitv. Com. op te nemen.

 

Er moest nog één belangrijke zaak besproken worden: het bepalen van onze relatie met de Militaire Commissie. Er werd besloten om te eisen dat alle leden van het Uitv. Com toegelaten zouden worden tot de Militaire Commissie en we ontvingen direct een antwoord met een uitnodiging om de vergadering bij te wonen.

 

Ik ging naar de Militaire Commissie en sloot me met de andere leden van het Uitv. Com. aan bij een groep die rond de schrijftafel waaraan Kolonel Engelhardt zat, stond. De kaart van Petersburg lag voor hem uitgevouwen. Leunend op zijn elleboog bestudeerde hij deze kaart met grote aandacht, terwijl hij een terloops een opmerking maakte en op iets wees. Zijn houding was duidelijk: hij had geen idee wat hij moest doen met deze kaart of wat er verder gedaan kon of moest worden. Officieren die, zich een weg door een haag van bewakers banend, terugkwamen in de kamer, wendden zich met “nood” kwesties, berichten en verzoeken tot hem. Deze “nood”- en “urgente” kwesties en “buitengewone berichten”, een wrede kwelling voor iemand die systematisch werk gewend is, werden door het hoofd van de Commissie duidelijk zonder ergernis, zelfs met voldoening aangehoord. Het was duidelijke dat er, behalve deze improvisaties, niets werd gedaan of gedaan kon worden. Ondertussen moest het Uitv. Com. het Sovjet-besluit om de verdediging van de stad te organiseren, snel uitvoeren.

 

We keerden terug naar de Sovjet. Het was rond 04.00 u. De zitting van de Sovjet was net gesloten; de volgende was morgenmiddag gepland. De afgevaardigden verlieten de zaal, maar in de hal debatteerden nog groepen arbeiders. Wij spraken de districtsvertegenwoordigers aan voor technische ondersteuning; een ambtelijk apparaat ontbrak.

 

Het Uitv. Com. had nog geen ambtelijk apparaat en miste ook een beschutte plaats om te werken. In de Catharina-hal stonden, in de tijd van de Doema, halfronde tafels met armstoelen. In de halfdonkere en vrijwel lege hal hingen vermoeide soldaten en arbeiders, sommige slapend in deze stoelen. Zij maakten meteen plaats voor ons en we gingen aan één van de tafels zitten. Dat zootje ongeregeld hing echter zo dicht op ons dat we niet konden werken. Zeer geërgerd door deze absurde obstakels, probeerden we neer te strijken in de galerijen van de grote hal. De galerijen en gangen waren echter bezet door gevangenen: de wachtposten lieten ons er niet door en we moesten terugkeren.

 

Uiteindelijk vonden we een plek in de enorme, donkere Doemakamer zelf. Nauwelijks zichtbare figuren bevonden zich overal in het amfitheater. Sommige sliepen, anderen converseerden rustig in tweetallen. Wij gingen naar de Persgalerij tegenover het Doema “Links” en hier nu werd de eerste zitting van het Uitv. Com. gehouden.

 

Sombere figuren begonnen vanuit de hele kamer stil naar onze galerij te bewegen. Zij stonden dichtbij en luisterden. Wij besteedden er geen aandacht aan. In ongeveer een uur hadden we instructies uitgewerkt voor de stadsdistricten betreffende milities, de vergaderplaatsen en de voordracht van Commissarissen. We instrueerden vervolgens de districtsvertegenwoordigers, die onmiddellijk vertrokken.

 

We beperkten de agenda van de eerste zitting van het Uitv. Com. tot dit punt. Gezien het werk dat nog voor ons lag, moesten we aan rust denken, al was het maar voor twee of drie uur. De leden van het Uitv. Com. die dichtbij woonden kwamen in bonte jassen en mutsen opdagen …. Wij moesten alleen weer de Militaire Commissie bellen.

 

Er was iets daar nu iets meer ruimte. Maar we troffen ongeveer dezelfde situatie aan, hoewel er minder officieren ronddribbelden, in velduniform met een krijgshaftige blik, minder schreeuwend, bevelend, lawaaierig en opgewonden. Het leek even stil. Er was zichtbaar niets nieuws gebeurd. Het late uur, vermoeidheid en een gevoel van hulpeloosheid scheen alle energie opgeslorpt te hebben. Het Taurische Paleis, de hersens en hart van de revolutie, omsingeld door dreigende, onbewaakte geweren en povere kleine groepen soldaten zonder officieren of discipline, wachtte op de wil van God ….

 

Een aangename verrassing trof ons, drie of vier “bezoekende” Uitv. Com. leden bij de Militaire Commissie. Midden in de kamer stond een enorme tinnen schaal op een bank, halfvol met vlees. Er werd al van gegeten. Een stuk brood en een enorm roestig mes lagen naast de schaal. Wij vroegen niet wie al dit lekkers had meegebracht of voor wie.

 

Bedtijd voor een revolutionair

 

Zij die dichtbij woonden of een slaapplek hadden, gingen terug naar de stad om de volgende morgen voor werk terug te keren. Ik kon natuurlijk zelfs niet dromen van mijn eigen Peterburgswijk. Nadat ik alles uit de Militaire Commissie had geperst wat ik maar kon, ging ik op zoek naar een vrije sofa, armstoel of bank. In de halfdonkere hallen, waren vrijwel alleen nog soldaten. De rustig converserende groepjes die op de vloer zaten en een luid bevel af en toe accentueerden slechts de relatieve stilte die nu heerste. Ik maakte tevergeefs de ronde langs alle toegankelijke ruimtes. De bekende kantoren van de rechter vleugel waren gesloten door behoedzame en ijverige dienaren, grijs geworden in de “goede samenleving” en geschokt door de ongekende invasie van de sans-culottes.

 

Ik ging naar de Catharinahal, maar slapen of doezelen in het midden van dat kamp was ondenkbaar. Ik ging naar de Witte Hal om me in een van de armstoelen van de afgevaardigden weg te laten zakken. Ik liep voorbij de rijen tot aan de galerij van de Staatsraad in de hoek. [Leden van de Staatsraad hadden een galerij in de Staatsdoema, om de zittingen van de Doema comfortabel te kunnen bijwonen, zonder het recht van spreken] De stoelen waren zeer oncomfortabel. In een hoek van de galerij zag ik een lege ruimte, wierp mijn bontjas en muts op de vloer en ging er languit op liggen.

 

Het was 05.00 uur geweest. Door het glazen dak (dat ooit naar beneden gevallen was) scheen een rustig melkachtig licht. Af en toe wandelden soldaten, met elkaar pratend, door de hal en keken mijn galerij in …. Ik moest slapen en draaide me naar de muur. Vanuit de Cathariahal klonk een regelmatig stampend geluid en zo nu en dan luide bevelen …. Vulde het Paleis zich alweer? Konden georganiseerde eenheden rondmarcheren?

 

Ik viel in slaap of doezelde aardig weg.

 

Dat was de eerste dag van de revolutie.