ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > Het revolutionaire denken van HANNAH ARENDT
  juli 2004 [5]




HANNAH ARENDTS RADENREPUBLIEKEN

 door Ronald de Vries

 

 

 

Dat alle gezag uiteindelijk berust op opinie, is nooit krachtiger aangetoond dan toen, plotseling en onverwacht een algemene weigering om te gehoorzamen de aanzet tot een revolutie vormde.” [Hannah Arendt, On Revolution, 1963]

 

 

 

“De verloren schat”

 

Hoewel Hannah Arendt altijd zeer terughoudend is geweest met het geven van concrete politieke adviezen en het schetsen van de ideale samenleving, wordt het bij het lezen van haar boek On Revolution wel duidelijk, dat zij geporteerd is voor het radenstelsel. Zij beschrijft de opkomst van de volksraden als vormen van zelfbestuur die zich tijdens de revoluties (Frankrijk, 1789; Parijs, 1871, Rusland, 1905 / 1917, München, 1919; Hongarije, 1956) hebben ontwikkeld en noch door de ‘beroepsrevolutionairen’ werden voorzien noch erdoor werden geleid, maar juist door hen en hun partijen werden vernietigd.

 

Vooral in haar boek On Revolution uit 1963 [zie ook mijn vert. v. par. 4 v. hoofdstuk 6: ‘De opkomst van revolutionaire raden’] bespreekt Hannah Arendt de mogelijkheden van de radenrepubliek als alternatief voor het parlementaire stelsel. Zij spreekt over deze spontaan uit het volk voortkomende raden als “oases in de woestijn’’ en ziet in een confederatie van basisrepublieken een bestuursvorm die het burgers mogelijk maakt om werkelijk aan het regeren deel te nemen”. Het stelsel creëert in haar ogen openbare ruimtes waarop veel meer mensen dan de beperkte elite van volksvertegenwoordigers hun politieke ambities kunnen uitleven.

 

Deze ideeën samen met haar verwijzing naar de Atheense polis als domein van politiek handelen en spreken vormen als het ware de elementen van een politieke theorie van de democratie, een term die overigens zeer spaarzaam in haar werken opduikt. Hannah Arendt verwijst evenwel, als zij over de polis spreekt, nergens direct naar de werking van de Atheense politieke instituties. Zij spreekt nergens over de Volksvergadering of de Volksrechtbanken, maar wijst op het stelsel van wijkorganen en radenrepublieken als alternatief voor het parlementaire stelsel. Dit heeft ongetwijfeld mede te maken met het feit dat over de procedures van de Atheense democratie pas de afgelopen 30 jaar een betrouwbaar beeld is ontstaan.

 

De wijk- en arbeidersraden van de afgelopen 200 jaar staan haar echter wel concreet voor ogen. Geďnspireerd door de wards (wijken) van Jefferson, zoals hij die in de nadagen van z’n politieke carričre heeft beschreven en gepropageerd, breekt zij een lans voor deze democratische regeringsvorm. Deze “verloren schatten” van de Europese revoluties, zoals zij de Raden ook noemt in de titel van het laatste hoofdstuk van On Revolution, ziet ze als de publieke ruimtes die de politieke vrijheid in de toekomst zouden moeten scheppen. Weinig politieke denkers hebben dit belangrijke thema uit Arendts oeuvre serieus opgepakt en naar waarde geschat, zo is mijn indruk.

 

In dit artikel wil ik een aantal kerngedachten van Hannah Arendt over de betekenis en de problemen van het (confederatieve) radenstelsel, grotendeels aan de hand van haar uitspraken proberen te verhelderen en de actuele waarde ervan te onderzoeken. Ik zal daarbij in het bijzonder aandacht besteden aan Arendts kritiek op het parlementaire stelsel en de werking van de raden waarbij de zogenaamde publieke opinie en de relatie tussen beleid en uitvoering aan bod komen.

 

 

Het parlementaire stelsel

 

Volgens Arendt kan er alleen sprake zijn van politieke vrijheid als ieder burger in principe zijn of haar mening in een openbaar debat kan verwoorden, meningen van medeburgers kan wegen en aan de collectieve besluitvorming kan deelnemen. Dit recht is exclusief voorbehouden aan de zogenaamde volksvertegenwoordigers:

 

“Alleen de volksvertegenwoordigers, niet het volk zelf, hadden de gelegenheid zich te wijden aan die activiteiten van ‘voorstellen, bespreken en besluiten’ die in positieve zin de uitingen van vrijheid zijn.” [On Revolution, 1988 p. 235]

 

Het parlementaire stelsel zet het grootste deel van de burgerij buiten spel en stelt slechts een zeer kleine politieke elite in staat aan het openbare politieke debat deel te nemen. De rest van het volk is veroordeeld om zijn geluk en zaligheid in haar privé-leven te zoeken, zo meent zij. Daarom wil zij het politiek systeem in de Verenigde Staten ook niet onverdeeld een democratie noemen:

 

“Het Amerikaanse stelsel kan democratisch genoemd worden in zoverre het welzijn van het volk en privé-geluk van de burgers gewaarborgd zijn, maar moet oligarchisch genoemd worden in de zin dat publiek geluk en publieke vrijheid weer het privilege van enkelen geworden zijn” [On Revolution, p. 269].

 

In de parlementaire democratie is het vrijheidsbegrip negatief geformuleerd in de zin dat de burger beschermd wordt tegen machtsmisbruik door de staat. De rechtsstaat is weliswaar een door Arendt gewaardeerde verworvenheid, maar zij vond dat wij beslist nooit burgerrechten met positieve vrijheid - zoals die in het klassieke Athene en later in de Raden bestond - mochten verwarren:

 

“Want politieke vrijheid kan, in het algemeen gesproken, niets anders betekenen dan het recht om deel te nemen aan het bestuur’’ [On Revolution, p. 218]

 

Volksvertegenwoordigers kunnen onmogelijk iets anders vertegenwoordigen dan de belangen en het welzijn van de kiezers. Zo is het in haar ogen een illusie te denken dat een mening van een individuele burger vertegenwoordigd kan worden. Zij heeft in dit verband het idee van een politieke opinie aan een scherpe analyse onderworpen. Zij meent dat het begrip ‘publieke opinie’ eigenlijk een contradictio in terminis is, omdat alleen individuele personen een opinie kunnen vormen. Hetgeen de ‘politieke opinie’ wordt genoemd, is eigenlijk niet meer dan een groepssentiment dat alle meningen vervlakt tot één mening. Zo wordt alle meningsvorming gedood en conformisme in de hand gewerkt:

 

 

Het beste wat de burger kan hopen, is vertegenwoordigd” te worden, waarbij het duidelijk is dat slechts de belangen of het welzijn van de kiezers vertegenwoordigd en behartigd kunnen worden, maar noch hun daden, noch hun meningen. In dit systeem zijn de meningen van het volk in feite niet te peilen, om de eenvoudige reden dat ze niet bestaan. Meningen worden gevormd in een proces van open discussie en openbaar debat en daar waar geen mogelijkheid bestaat voor de vorming van meningen, daar kunnen misschien stemmingen bestaan - stemmingen van de massa’s en stemmingen van individuen, beide even grillig en onbetrouwbaar - maar geen mening.[On Revolution, p. 268/69]

 

Vandaar ook dat Arendt huiverig is voor de volksstemming (plebisciet) of referendum zoals we het tegenwoordig noemen. Deze vorm van volksraadpleging vervaagt de diversiteit van meningen en stelt een “sterke man” in staat om de massasentimenten tot een unanieme ‘volkswil’ te manipuleren. In de Franse revolutie ziet zij al voorbeelden van dit verschijnsel. Als we de huidige referendumpraktijken in Californië beschouwen, kunnen we de actualiteitswaarde van Arendts visie constateren. We hoeven ‘sterke man’ alleen maar te vervangen door ‘sterke bedrijfslobby’ [zie: Shuchen Tan e.a., Democratie voor gevorderden, mei 2004]. Arendt zag, enigszins opmerkelijk, binnen het Amerikaanse politieke stelsel in de Senaat en het Hooggerechtshof nog wel instituties waarvan de leden in een positie waren dat ze in zekere mate onafhankelijk van allerlei groeps- en partijbelangen konden oordelen.

 

 

Het politiek oordeel

 

Meningen kunnen alleen gevormd worden in een publiek debat waarin de eigen mening wordt getoetst aan de meningen van anderen. Ook als volksvertegenwoordigers een beperkt mandaat van hun kiezers mee zouden krijgen, zijn ze niet in staat de veelheid (pluraliteit) van meningen van hun achterban door te laten klinken. Als zij zich gaan gedragen als politieke experts die in staat zijn om beleidsplannen op hun wetenschappelijke merites te beoordelen, verwarren zij kennis (waarheid) met opinie.

 

“De vormen van denken en communicatie die zich met de waarheid bezig houden, zijn uit politiek oogpunt noodzakelijkerwijs autoritair; ze houden geen rekening met de mening van anderen en dat is precies het kenmerk van elk strikt politiek denken.” [Hannah Arendt, Tussen verleden en toekomst, 1994, p. 139]

 

Hier volgt Arendt de wijsheid van de Griekse filosoof Protagoras, die stelde dat alle mensen begiftigd zijn met het vermogen om een politiek oordeel te vellen. Dit wil volgens haar echter geenszins zeggen dat alle opinies even juist zijn of gelijkwaardig zijn. Als we een politiek oordeel vellen, moeten we proberen ons partijdig, op eigenbelang gericht perspectief te overstijgen en zoveel mogelijk standpunten van anderen bij onze meningsvorming te betrekken. Hoe meer verschillende invalshoeken iemand bij zijn meningsvorming kan betrekken, hoe meer geldigheid zijn oordeel krijgt.

 

“Van hoe meer verschillende standpunten ik mij bewust ben, terwijl ik een bepaalde kwestie overdenk en hoe beter ik mij kan voorstellen hoe ik zou voelen en denken indien ik in de plaats van anderen innam, des te sterker zal mijn vermogen tot representatief denken zijn en des te steekhoudender mijn uiteindelijke conclusies, mijn mening.” [Tussen verleden en toekomst, p. 139]

 

Deze zogenaamde ‘verruimde denkwijze’ (erweiterte Denkungsart), een term die zij aan Kants Kritik der Urteilskraft ontleende, heeft zij op het eind van haar leven nog verder willen onderzoeken in een studie naar ons oordeelsvermogen, dat zij als de “politieke competentie bij uitstek” beschouwde. Helaas heeft haar plotselinge dood in 1975 dat niet meer mogelijk gemaakt en moeten wij het op dit terrein voornamelijk met haar Kantlezingen uit 1970 doen. [zie: Hannah Arendt, Oordelen, 1996; Beiner en Nedelsky, Judgement, Imagination and Politics, 2001]. Deze belangrijke thematiek wil ik hier verder laten rusten, maar er graag in een latere publicatie op terug komen.

 

Arendt wijst hier terecht op het grote belang dat in een (directe) democratie burgers in staat zijn politieke standpunten te ontwikkelen op basis van een zekere onpartijdige, onbevooroordeelde opstelling. Daarbij is het, dunkt me, een goede zaak om zich in de positie van anderen te verplaatsen, om tegenargumenten van anderen serieus te overwegen en het is zelfs nastrevenswaardig, om de bereidheid te ontwikkelen om onszelf te laten overtuigen in plaats van alleen maar anderen te willen overtuigen.

 

 

Het radenstelsel

 

Arendt meent dat juist in wijk- en arbeidersraden die in de loop van de moderne Europese geschiedenis ontstonden, de echte parels van de revoluties gevonden kan worden. Tijdens de Franse revolutie ontstonden de secties (wijkraden) en de volksgenootschappen, aanvankelijk bejubeld door de Jacobijnse voormannen, maar later vervloekt en genadeloos door hen en hun partijgenoten vernietigd. Hetzelfde lot ondergingen de raden van arbeiders, boeren en soldaten tijdens de Russische Revolutie, toen de Bolsjevistische partijbonzen Lenin en Trostky op geweldadige wijze de Sovjets, ondanks hun eerdere leuze: “alle macht aan de sovjets”, om zeep hielpen. Zij beschouwde deze Raden als spontane erupties van het verlangen van grote delen van de bevolking om te discussiëren over politiek, zichzelf direct te besturen en te confedereren.

 

“In de secties en genootschappen ontwikkelde zich een enorm verlangen naar debat, informatie en wederzijds onderricht (…..) en geheel onverwacht kwam het federale beginsel op (…..) alleen in de spontane organisatiepoging van het volk zelf, dat het ontdekte zonder dat het zelfs de naam ervan kende”. [On Revolution, p. 246]

 

Ook valt zij Thomas Jefferson van harte bij als die in een brief uit 1828 er indirect zijn spijt over betuigt dat hij in de Amerikaanse grondwet geen systeem van regionale autonomie heeft opgenomen. Met zijn idee van de wards (wijken) had hij in z’n politieke nadagen een stelsel van onafhankelijke basisrepublieken geschetst dat de revolutionaire geest van de Founding Fathers levend moest houden en moest verhinderen dat het volk in politieke lethargie zou wegzakken.

 

"Het uitgangspunt van wijkradensysteem was, of Jefferson dit nu wist of niet, (…..) dat niemand gelukkig of vrij genoemd kon worden zonder te participeren en een aandeel in de macht te hebben." [On Revolution, p. 255]

 

Hannah Arendt beschrijft het (ideale) radenstelsel als een stelsel waarin op wijk- of bedrijfsniveau “zelfbenoemde”, actieve, aan de publieke zaak toegewijde burgers debatteren en politieke besluiten nemen. Deze basiseenheden kiezen in een confederaal verband uit hun midden vertegenwoordigers in overkoepelende raden. Deze vertegenwoordigers zijn niet aan enig mandaat van hun kiezers gebonden. Evenmin worden zij op basis van hun loyaliteit aan partijprogramma’s benoemd of gekozen. Zij worden gekozen, omdat zij eenvoudigweg het vertrouwen genieten van hun electoraat op basis van aan hun toegeschreven politieke competenties.

 

“De keuze van de kiezer wordt niet ingegeven door een programma, een platform of een ideologie, maar geheel en al door de beoordeling van de man in wiens persoonlijke integriteit, moed en oordeelsvermogen hij voldoende vertrouwen heeft om zich te laten vertegenwoordigen.” [The Origins of Totalitarianism, 1958 p. 499]

 

Zowel de basisraden als de overkoepelende raden zijn op hun niveau autonoom. In zo’n systeem zijn politieke partijen en het daarmee verbonden kiesstelsel in haar ogen geheel overbodig geworden. Op deze wijze kunnen in principe een zeer groot aantal politiek geďnteresseerde en betrokken burgers direct aan het besluitvormingsproces deelnemen. Zij spreekt hier, denk ik, terecht van een politieke elite of een “aristocratie in de ware betekenis van het woord”. Over organisatievormen vinden we verder bij haar (bewust) geen praktische voorstellen.

 

 

Beleid en uitvoering

 

Arendt wijst verder op het gevaar dat de leden van de raden uitvoerende functionarissen kiezen op basis van politieke competenties in plaats van op grond van technische competenties. Dit verschijnsel zou, volgens haar de Russische sovjets parten hebben gespeeld en hen aan hun slechte naam hebben geholpen.

 

“Mannen, volkomen politiek competent, moesten wel te kort schieten als hun de leiding van een fabriek of andere beheerstaken werden toevertrouwd. Want de kwaliteiten van de staatsman of de homo politicus en de kwaliteiten van de manager of beheerder zijn niet alleen verschillend, maar zij komen bijna nooit samen in één persoon; de ene moet om kunnen gaan met mensen op het terrein van menselijke verhoudingen, waar het gaat om vrijheid en de ander moet mensen en dingen kunnen hanteren in een levenssfeer van behoeftes.” [Over revolutie, 2004, p. 321]

 

Haar argumentatie lijkt hier aanvankelijk te verwijzen naar scheiding tussen beleidscompetentie en uitvoeringscompetentie. Later echter brengt zij  de strikte scheiding die zij (zoals in The Human Condition) maakt tussen het politieke domein, waar debat, overreding en besluitvorming  regeren (rijk van de vrijheid) en het sociaal-economische domein, waar menselijke behoeften regeren (rijk van de noodzaak) in verband met deze competenties.

 

Critici hebben er herhaaldelijk gewezen op de onhoudbaarheid van deze opvatting, omdat ten gevolge daarvan een groot aantal belangrijke kwesties volkomen ten onrechte buiten het politieke debat zouden blijven. Ik ben echter van mening, dat het eerste deel van bovenstaand citaat ook heel goed geďnterpreteerd kan worden in het verlengde van het hierboven genoemde onderscheid dat ze maakt tussen kennis (waarheid) en mening.

 

Dan laat het zich lezen als een waarschuwing, dat we het politieke domein van de raden niet moeten laten domineren door allerlei vakspecialisten die hun mening van een quasi-wetenschappelijke legitimering proberen te voorzien. En dat we er omgekeerd ook voor moeten oppassen, dat we bestuurders (ambtenaren) niet louter op grond van (partij)politieke kwalificaties benoemen of kiezen.

 

Wellicht had zij wel te weinig oog voor het politieke moment in de beleidsuitvoering (en -voorbereiding), althans zij zegt niets over de politieke controle van functionarissen die belast zijn met de beleidsuitvoering. Hiervoor kunnen we gelukkig te rade gaan bij de Atheners die een aantal werkzame procedures voor het ter verantwoording roepen van ambtenaren hadden bedacht. Recente ideeën om ambtsdragers ter verantwoording te roepen bij burgerjuries op basis van uitvoeringsbeleidsplannen, beschouw ik als een positieve bijdrage aan het moderne debat over tastbare vormen van directe democratie. [zie: Pieter Hilhorst, De wraak van de publieke zaak, 2001]

 

 

Conclusies

 

Als een van de belangrijkste punten die in Arendts beschouwingen over de Raden naar voren komen, beschouw ik haar stelling van onvertegenwoordigbaarheid van individuele meningen. In haar visie doen burgers om deze reden in het parlementaire stelsel weinig echte politieke ervaring op.

 

Het 4-jaarlijks kiezen van 150 geselecteerde burgers die de regering moet controleren op basis van in partijprogramma’s vastgelegde algemene richtlijnen geeft deze parlementariërs een blanco volmacht als het gaat om besluitvorming over de talrijke actuele onderwerpen waarover niets in de partijprogramma’s te vinden is.

 

Hiervan is Arendt zich maar al te goed bewust bij haar kritiek op het parlementaire stelsel. Daarom juicht ze pogingen om politieke ruimtes te creëren waarin meningen worden uitgewisseld kunnen worden toe. Dat zijn immers de enige plaatsen, zo is haar overtuiging, waar die meningen ook gevormd kunnen worden.

 

Nu wordt er tegenwoordig voortdurend gesproken over het politieke debat en je ziet dat politieke debatten gelukkig niet alleen gevoerd worden onder beroepspolitici, academici en andere zogenaamde opinieleiders. In cafés, op het werk in opinierubrieken van periodieken en op de fora van het internet wordt door een breed publiek heel wat afgediscussieerd en niet altijd op een laag niveau.

 

Het ontbreekt echter aan politieke instellingen, en daar heeft Arendt de achilleshiel van het parlementaire stelsel in het vizier, die deze discussies via fatsoenlijke procedures in besluitvorming kunnen laten uitmonden.

 

Natuurlijk zijn massale volksvergaderingen en raden waar iedereen zijn zegje mag doen, zonder reglementering en spelregels, onwerkbaar. Maar is er tussen de massale volksvergadering en een parlement van enkele honderden beroepspolitici geen begaanbare weg? Arendt heeft verwezen naar een scala van historische praktijken, maar heeft zich niet met de concrete vormgeving van het radenstelsel bezig gehouden.

 

De kritiek op haar is veelal dat zij een romantisch of naďef idee van de raden had. In zekere zin schetst zij inderdaad een utopie in de positieve zin van het woord. Systemen gebaseerd op directe participatie van burgers hebben, daarvan ben ik overtuigd, een regulerend orgaan nodig dat, net als de Boulč (Raad van 500 die de Volksvergaderingen voorbereidde) van de klassieke Atheners, de raadsvergaderingen goed voorbereid en de discussies in ordelijke banen leidt. Historische ‘experimenten’ met directe democratie zouden met name daarop zo gedetailleerd mogelijk onderzocht dienen te worden.

 

Arendts bijdrage aan het denken over directe democratie ligt, in mijn ogen, enerzijds in haar kritiek op het parlementaire stelsel, dat door haar zorgvuldig werd gewogen en te licht bevonden. Anderzijds door erop te wijzen dat de raden, een historisch alternatief, voornamelijk gestrand zijn door vijandige politieke krachten ‘van buiten’ (zoals ook de Atheense democratie) en niet door het systeem zelf. Zij hebben zich daardoor nauwelijks kunnen ontwikkelen, maar ons gelukkig wel kunnen tonen welke potenties en beloften erin opgesloten liggen.

 

Hannah Arendt komt de verdienste toe ons daarvan op indringende wijze bewust gemaakt te hebben.

 

 

Bronnen

 

Alle titels zijn te vinden in de Mediatheek voor Directe Democratie;

 

ARENDT, Hannah: ‘Filosofie en Politiek’ (vert. v. ‘Philosophy and Politics’ d. R. Peeters en D. de Schutter, 1990) in Politiek in donkere tijden, essays over vrijheid en vriendschap, Boom, Amsterdam, 1999 pp. 117-151 – Oorspr. lezing uit 1954

 

-------------:  ‘Wat is gezag?’ (vert. d. J. Masschelein en R. Peters v. ‘What is Authority’, Between Past and Future Eight Exercises in Political Thought; Penguin Books, New York enz., 1980/1961) in Tussen verleden en toekomst - Vier oefeningen in politiek denken, Garant, Leuven/Apeldoorn, 1994 pp 73-100; oorspr. ‘Was ist Autorität’, 1957

 

-------------: The Human Condition, The Un. of Chicago Pr, Chicago/Londen, 1988 – Oorspr. 1958 (Ned. vert. d. C. Houwaard: De mens, 1968 en Vita Activa, 1994)

 

-------------: ‘Epilogue: Reflections on the Hungarian Revolution’ in: The Origins of Totalitarianism, The World Publishing Company, Cleveland/New York, 1962 pp 480-510 (Hoofdstuk 14) – oorspr. in: Journal of Politics 20/1, febr. 1958 pp 5-43

-------------: 'Wat is vrijheid?' (vert. d. Geert Beheydt v. 'What is freedom?', Between Past and Future Eight Exercises in Political Thought; Penguin Books, New York enz., 1980/1961) in Tussen verleden en toekomst - Vier oefeningen in politiek denken Garant, Leuven/Apeldoorn, 1994 pp 73-100; oorspr. 'Freedom and Politics - A Lecture', Chicago Review 1, 1960 pp 28-46

 

-------------: On Revolution, Pelican Books, USA, 1977/88 – Oorspr. 1963 (Ned. vert. d. E.C. Visser, De Revolutie, Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1965; d. Rob van Essen Over Revolutie, Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2004; d. R. de Vries, 'De opkomst van revolutionaire raden' v. van paragraaf 4 van Hoofdstuk 6: 'The Revolutionary Tradition and Its Lost Treasure', 2004)

 

-------------: Waarheid en politiek’ (vert. v. ‘Wahrheit und Lüge in der Politik’ d. Bert Schreurs, 1972) in Tussen verleden en toekomst, 1994 - oorspr. ‘Truth and Politics’, 1967

-------------: ‘On Violence’ (Ned. vert. d. Rob van Essen Over Revolutie, Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2004) in: Crises of the Republic, Harcourt Brace Jovanovich, New York/Londen, 1972 – Oorspr. 1970

 

-------------: Oordelen, lezingen over Kants politieke filosofie (vert. v. Lectures on Kant’s Political Philosophy d. van den Boorn, van Gulik en Thomassen, 1982), Krisis/Parrčsia, Amsterdam, 1996 – Oorspr. lezingencyclus, gehouden in 1970

 

-------------: ‘Civil Disobedience’ in: Crises of the Republic, Harcourt Brace Jovanovich, New York/Londen, 1972 – Oorspr. 1970 pp 49-102

-------------: 'Thoughts on Politics and Revolution - A Commentary' in Crises of the Republic, New York: Harcourt Brace Jovanovich, 1972 pp 201-233; oorspr. interview in het Duits uit 1970

 

-------------: ‘On Hannah Arendt’ in: Melvyn A. Hill (red.), Hannah Arendt: The Recovery of the Public World, St. Martins Pr., New York, 1979 pp 301-339  - oorspr. rondetafelgespek met o.a. C.B. Macpherson, Hans Jonas, Hans Morganthau, Mary McCarthy en Albrecht Wellmer, 1972

-------------: Was ist Politik? - Fragmente aus dem Nachlass Piper, München/Zurich, 2003/1993

 

BEINER, Ronald en Nedelsky, Jennifer (red.): Judgement, Imagination and Politics. Themes from Kant and Arendt, Rowman & Littlefield, Lanham enz., 2001

 

BORTOLINI Matteo: 'Hannah Arendt, Council Democracy and (Far) Beyond - A Radical View', 2003

 

CANOVAN, Margaret: ‘The Contradictions in Hannah Arendts Political Thought’ in Political Theory vol. 6, nr. 1, febr. 1978 pp. 5-26

 

HILHORST, Pieter: De wraak van de publieke zaak, De Balie, Amsterdam, 2001

 

HOBSBAWN, E. R. Revolutionairies, Quartet Books, Londen, 1977/73 > Hoofdstuk 20: Hannah Arendt on Revolution, pp. 201-208

ISAAC, Jeffrey C.: Oases in de woestijn: Hannah Arendt over democratische politiek (vert. d. R. de Vries v. ‘Oases in the desert: Hannah Arendt on Democratic Politics’ in American Political Science Review 88/1, 1994, 156-67 ) in ATHENE, nr 5, juli 2004

 

KATEB, George: ‘Arendt on Representative Democracy’ in: Salmagundi 60, 1983 pp. 20-59

 

-------------: Hannah Arendt: Politics, Conscience, Evil, Rowman & Allanheld, Totowa, 1984 > Met name hoofdstuk 4: Modern Democracy pp. 115-148

MILLER, James: ‘The Pathos of Novelty: Hannah Arendt’s Image of Freedom in the Modern World’ in: Hill (red.) Hannah Arendt: The Recovery of the Public World, 1979

 

SITTON, John: 'Hannah Arendts pleidooi voor radendemocratie' (vert. d. R. de Vries v. ‘Hannah Arendt’s argument for council democracy’ in: Hinchman & Hinchman (ed.) Hannah Arendt: Critical Essays, SUNY, 1994 - voor het eerst in: Polity 20, 1987 pp. 80-100) in ATHENE nr. 5, juli 2004

 

STERNBERGER, Dolf: ‘The sunken city: Hannah Arendt’s idea of politics’ Social research 44, 1977, pp. 132-46

 

TAN, Shuchen e.a.: Democratie voor gevorderden: de haperende democratie in Amerika (dossier democratie, dl. 2) in Tegenlicht (VPRO), mei 2004

 

WELLMER, Albrecht: ‘Arendt on revolution’ in: Dana Villa (red.), The Cambridge Companion to Hannah Arendt Cambridge Un. Pr., Cambridge, 2000 pp. 220-241

WOLIN, Sheldon: ‘Hannah Arendt: Democracy and the Political’ in Salmagundi 60, 1983 pp. 3-19.

.

YOUNG-BRUEHL, Elisabeth: Hannah Arendt: For Love of the World, Yale Un. Pr., New Haven/ Londen, 1982 - Deze veelgeprezen biografie bevat een uitgebreide chronologische bibliografie van werken door Hannah Arendt.