ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > Het participatief budget in Porto Alegre
  december 2003 [4]



BRAZILIE: LAND VAN EXTREME ONGELIJKHEDEN EN PATERNALISME

Schets van de socio-economische en politieke geschiedenis

 

door Roger Jacobs

 

 

Bij het schrijven van dit artikel is, naast de werken waarna verwezen wordt, dankbaar geput uit: Bartolomé Bennassar & Richard Marin, Histoire du Brésil 1500-2000, Fayard, Parijs, 2000

 

 

 

Inleiding: een geografische reus

 

Toen de Portugese zeevaarder Cabral in het jaar 1500 Brazilië voor zijn koning in bezit nam, was hij in eerste instantie wat ontgoocheld. Het reusachtige land leek één groot oerwoud te zijn waar kostbare zaken zoals kruiden en goud op het eerste zicht volledig ontbraken. Wél was het land rijk aan braziel­hout, een soort die toentertijd gebruikt werd als verfstof voor textiel (vgl. de beruchte rasphuizen) en die zijn naam zou geven aan de nieuwe Portugese kolonie. Niet lang daarna kwam men erachter dat bodem en klimaat uitstekend geschikt waren voor de verbouwing van suikerriet. Export van suikerriet werd de belangrijkste inkomstenbron van de nieuwe kolonie.

 

In de eerste decennia werden plaatselijke bewoners, de India­nen, gebruikt als dwangarbeiders om hout naar de kust te slepen en als arbeiders in de suikerrietplantages. Toen zij niet opge­wassen bleken tegen dit leven van zware arbeid en met honderd­duizenden crepeerden, werden ze vanaf 1580 vervangen door Afrikaanse slaven. Tot aan de afschaffing van de slaver­nij in 1888 (!) werden er tussen de 3,5 en 8 miljoen slaven verhandeld. Samen met het hoge percentage dodelijke slachtof­fers van de slavenjachten in Afrika zelf, schat men het aantal Afrikaanse slachtoffers van de slavernij op 10 à 12 miljoen. Vier eeuwen slavernij, onderdrukking en extreem ongelijke machtsverhoudingen zullen hun stempel drukken op de Brazili­aanse samenleving die tot op de dag van vandaag sterk hiërar­chisch functioneert. Indianen en zwarte slaven zullen zich in de loop der jaren onderling en met arme blanken gaan vermengen (mes­tiezen, mulatten en cafuzos) en een belangrijk bestanddeel gaan vormen van de lagere klassen (o povo, het volk): arbei­ders in vast dienstverband (waaronder het talrijke dienstper­soneel); tewerkgestelden in de informele sector (straathandel ...) en de talrijke onderklasse bestaande uit dieven, zakken­rollers, prostituees, spelers, zwerfkinderen, lanterfanters, deserteurs, zigeuners, enzovoort. Dit 'volk' werd door de maat­schappelijke (en veelal stedelijke) elite met veel minach­ting bejegend. De 19de eeuwse republikein Aristide Lobo be­schouwde dat lagere volk als totaal apathisch en 'gebestiali­seerd'. Door repressie en manipulatie werd het eeuwenlang consequent in een positie van machteloosheid gedrongen. De pseudo-filo­soof Quincas Borba uit de gelijknamige roman van Machado de Assis (1839-1908) (zijn boeken liggen afgeprijsd bij De Slegte) huldigt de noodzaak van oorlog en meedogen­loze strijd om het bestaan en zijn zedenles luidt: “Aan de overwon­nene, haat of medelijden; aan de overwinnaar de aardappelen”. Ter­wijl de elite zich liet leiden door de Europese cultuur zullen de overwonnenen sterk doordrongen blijven van de sla­vencul­tuur met zijn animistische religie, sambamuziek en ritmische dan­sen. De 'politiek' wordt overgelaten aan de donos do poder, de eigenaars van de macht. Nog in de jaren '70 van de twintig­ste eeuw ontwikkelde de beroemde Braziliaan­se pedagoog Paolo Freire (1921-1997) een bewustwordingsmetho­diek die analfabeten het inzicht moest bijbrengen dat zij anders waren dan dieren, dat zij zich niet passief aan hun maatschappelijke omgeving hoefden te onderwerpen, maar deze ook konden veranderen en leefbaarder maken! Nog steeds zit het grootste deel van de rijkdom en macht in Brazi­lië geconcen­treerd bij een kleine 5 procent van de bevolking.

 

En die rijkdom en macht zijn niet te onderschatten. Brazilië is geografisch gezien het vijfde grootste land ter wereld (8.500.000 vierkante kilometer) en beslaat daarmee zowat de helft van het Zuid-Amerikaanse continent. Het is bijna even groot als Europa (Rusland inbegrepen), 231 keer Nederland en 278 keer België. Het telt momenteel 170 miljoen inwoners en is de 10de industriële macht van de wereld. Ondanks de uitge­strektheid en de moeilijke toegankelijkheid van sommige regio’s heeft het tamelijk vlakke reliëf ervoor gezorgd dat de eenheid van het land nooit echt in gevaar is gekomen. Dit mag verwondering wekken, omdat Brazilië opgedeeld is in 26 bonds­staten (en één federaal district: Brasilia, de hoofdstad), waarvan de oudsten prat gaan op een eigen (sub)nationale identiteit. Zo beweren de sertanejos (bewoners van droge en weerbarstige binnenlan­den, de sertao) uit het noordoosten dat zij de bakermat vormen van de Braziliaanse identiteit. Rio de Janeiro en Sao Paulo betwisten elkaar sinds de 19de eeuw het politieke en econo­mische leiderschap van het land. Terwijl het kleinere maar eigenzinnige Rio Grande do Sul (met Porto Alegre als hoofd­stad), land van de pampas en onstuimige gauchos, kan uitpakken met [bogen op] een lange dissidente politieke traditie (Getulio Vargas, Joao Goulart, Leonel Brizola ...) waarop we straks zullen terugkomen.

 

Ondanks deze geografisch-politieke eenheid-in-de-verscheiden­heid hebben verschillende waarnemers erop gewezen dat lokale reliëfverschillen, binnen de stedelijke ruimten, wél samenval­len met de uitgesproken sociale stratificatie van de Brazili­aanse maatschappij: de heuvels herbergen de historische en monumentale gebouwen (dikwijls kerken en kloosters), de vlakke delen worden overwegend bewoond door de gegoede middenklassen, terwijl de rivieroevers (overstromingsgevaar) en heuvelflanken (grondverschuivingen en moeilijke toegankelijkheid) de onder­ste segmenten van het volk huisvesten (favelas of slums). Geen onbelangrijk gegeven om het expe­riment met de participa­tieve democratie in Porto Alegre in zijn volle betekenis te begrijpen! Deze groffe sociale tegenstellingen worden op typisch Braziliaanse wijzen verzacht. Op politiek vlak door de opkomst van het cliënte­lisme (in ruil voor stemmen worden er voordelen beloofd) en het populisme (waarbij politici lippen­dienst bewijzen aan de verlangens van het volk). Op cultu­reel vlak door de carnavalvieringen (“koning Momo kent geen rijken of armen, enkel dwazen”), het voetbal als nationale trots (waarbij ster­spelers, dikwijls afkomstig uit de slums, door arm én rijk op handen gedragen worden) en de continue produc­tie van TV-soaps waarin de universele aspecten van het mense­lijk bestaan (hier opnieuw: van rijk én arm) het hele emotio­nele repertorium bestrij­ken: liefde en geluk, dood en het noodlot, materiële armoede en spirituele rijkdom, maar ook kapitalisti­sche waarden als competitie, vooruitkomen en meritocratie (een hoge maatschappelijke positie is te danken aan persoon­lijke inspanningen).

 

 

Het 'keizerlijke' Brazilië (1822-1889)

 

Toen de Napoleontische legers Portugal bezetten, vluchtte koning Joao met hebben en houden en gevolgd door een groot deel van de Portugese adel naar Rio de Janeiro. Daar arriveer­de hij in 1808 en hij zou pas 13 jaar later naar het moeder­land terugkeren. Hij liet zijn zoon Pedro achter die handig de ontkiemende anti-koloniale gevoelens van de Braziliaanse elite wist te kanaliseren en in september 1822 uitgeroepen werd tot keizer van het onafhankelijke Brazilië.

 

Het nieuwe keizerrijk werd gekenmerkt door een goeddeels feodale structuur die aan de basis geschraagd werd door de reeds vernoemde slavenarbeid (eerst in de houtindustrie en de suikerrietplantages, in de 18de eeuw in de goud-en diamantmij­nen en vanaf de 19de eeuw in de koffieplantages). In de loop van de 19de eeuw nam de Europese (Britse) druk toe om een einde te maken aan de slavenhandel. In 1850 verbood de Brazi­li­aanse wet de handel, maar het zou nog tot 1888 duren vooral­eer kroonprinses Isabel (kleindochter van de eerste keizer), tegen het verzet in van de politiek dominante fazendeiros (groot­grondbezitters), de slavernij volledig afschafte. Het lange voortbestaan van de slavernij sloeg diepe wonden in het Brazi­liaanse politieke bewustzijn. De maatschappelijke elite -grootgrondbezitters, handelaars, hoge ambtenaren en militai­ren - beschouwden het volk als potentieel gevaarlijk en onbe­trouwbaar en vonden dat het met harde hand in toom gehouden moest worden. Op andere momenten behandelde ze het als goedgelovige, naïeve en domme lastdieren die met kleine gunsten en een sluwe verdeel-en-heers-politiek (creatie van minieme sociale verschillen waardoor de één al wat meer te verliezen had dan de ander) in het gareel gehouden werden.

 

Actieve weerstand tegen deze politiek ontbrak niet in de Braziliaanse geschiedenis zonder dat deze echter ooit de maatschappelijke status-quo in gevaar bracht. Veel meer ken­merkend voor de 'politiek' van het volk was het passieve of lijdzame verzet: veel ziekteverzuim, slordig werk, lijntrekke­rij, opdrachten werden bewust verkeerd uitgevoerd, er werd met theatrale schijnbewegingen harde arbeid geveinsd, enzovoort. In bepaalde gevallen nam dat passieve verzet ook wanhopige en zelfdestructieve vormen aan. Brazilië-kenner Stols schri­jft :

 

“Niet zelden pleegden slaven zelfmoord door banzo of zich te laten wegkwijnen, of soms door aarde te eten, of scherven aardewerk in te slikken. Daarom droegen enkelen mordaças en açaimos, een soort muilkorven die hen dit moesten beletten (...). Dergelijke zelfmoordenaars hoopten aldus de meester te ruïneren (door de hoge aanschafkosten van een slaaf)” [Eddy Stols, Brazilië. Vijf eeuwen geschiedenis in dribbelpas, Acco, Leuven/Amersfoort, 1996 (nieuwe uitgave in 2002), p. 360].

 

Ook de ontzaglijke Braziliaanse frontier - het grensgebied met het niet-gecultiveerde oerwoud - bood aan verschoppelingen en dissidenten grote kansen om zich aan de heersende produc­tie-, gezags- en morele normen te onttrekken zonder dat de stren­ge maar korte arm der wet hen daarvoor ter verantwoording kon roepen. Gevluchte slaven stichtten hun eigen quilombos en mocambos, bevrijde gebieden in wouden en moerassen. Arme blanken of halfbloeden die lak hadden aan grootgrondbezit­ters, kerk en overheid gingen een arm maar eigenzinnig bestaan leiden in de perifere regio's. Volgens de 18de-eeuwse jezuïet Eder was Brazilië het land waar de Indianen tot menselijke wezens evolueerden, maar waar de Europese afstammelingen daar­entegen tot wildheid en onredelijkheid degenereerden. Hij rapporteert dat één van deze a-socialen hem toesnauwde: “God zij dank die me bracht waar ik vrij zal zijn van misverplich­ting en buiten het bereik van de rechter”. In deze goddeloze en wetteloze regio's groeiden de cangaçeiros (bandieten) uit tot mythische volkshelden bekend om hun vrijgevigheid aan de armen, maar ook omwille van hun moed en onverbiddelijkheid. De Engelse historicus Hobsbawn schreef over hen:

 

“Het zijn niet zozeer mannen die onrecht herstellen, maar wrekers en machthebbers. Hun aantrekkelijkheid is niet die van handhavers van recht, maar van mensen die bewijzen dat zelfs armen en weerlozen verschrikkelijk kunnen zijn.” [Eric Hobsbawn, Bandieten, Wetenschappelijke Uitgeverij, Amsterdam, 1973, p. 62]

 

Over de beroemde bandiet Limpiao, die in 1938 gedood werd door de politie, deden nog in de jaren '70 allerlei verhalen en anekdotes de ronde onder de bewoners van de tussen wolken­krabbers geklemde volkswijken van Sao Paulo.

 

De afschaffing van de slavernij in 1888 bleek slechts een symptoom te zijn van de snel aftakelende feodale instellingen van het land, waarvan ook het keizerdom het slachtoffer zou worden. Door een onnatuurlijk bondgenootschap tussen de faze­ndeiros (die de moderniseringspolitiek van de kroonprinses haatten) en de anti-monarchistische republikeinen (onder wie vele militairen die vreesden dat het archaïsche Brazilië een hopeloze achterstand zou oplopen ten aanzien van het geïndustrialiseer­de Noord-Amerika en West-Europa) werd in het jaar daarop de republiek uitgeroepen. De positivistische lijfspreuk (afkom­stig van Auguste Comte) op de nieuwe vlag van de republiek - 'orde en vooruit­gang' - getuigde van de moderniseringswil van de nieuwe macht­hebbers. Aan deze nationale ordewoorden werd een rechts-liberale interpretatie gegeven. Voor de 'orde' droeg de overheid de zorg via een gedecentraliseerd federaal staatsgezag en een laissez faire-laissez passer-economisch programma. De 'vooruitgang' was de zaak van de maatschappelij­ke elite die het praktisch voor het zeggen had op deel­staatni­veau. Begin 20ste eeuw was er sprake van een 'pact van de oligarchieën' waarbij de federale overheid (het leger) de macht deelde met de plaatselijke elites van de twee machtigste deelstaten Sao Paulo en Minas Gerais (de zogenaamde 'koffie-met-melk'-alliantie).

 

De liberalisering van het bestuur en de kapitalisering van de economie brachten voor de kleine boeren en de bevrijde slaven sociale ontheemding en materiële onzekerheid met zich mee: zo waren bevrijde slaven in het vervolg 'vrij' om zich naar belie­ven te verplaatsen maar werkgevers waren eveneens 'vrij' om hen al dan niet werk (en dus bestaansmiddelen) te verschaf­fen. In samenhang met klimatologische catastrofes (droogte) leidde dit opnieuw tot een massale vluchtbeweging onder het volk. In de jaren '80 van de 19de eeuw ontstonden messianisti­sche bewegingen die zich probeerden te onttrekken aan het gezag van staat en kerk. De bekendste ‘messias’, Antonio de Raadgever, stichtte het stadje Canudos in de staat Bahia, dat slechts na herhaal­delijke mislukte pogingen van het leger in 1897 definitief veroverd kon worden. Antonio werd gedood, samen met zijn volgelin­gen: hun aantal werd op 15 à 30.000 geschat! Een geromanti­seerde versie van dit verschrikkelijke gebeuren werd nog in 1981 door de Peru­aanse schrijver Mario Vargas Llosa op papier gezet onder de titel De oorlog van het einde van de we­reld [Meulenhoff, Amsterdam, 1984]

 

Typerend genoeg schilderden wetenschappers van de nieuwe repu­bliek sociaal banditisme en religieus fanatisme af als anthro­pologische degeneratieverschijnselen. Geïnspireerd door de populaire Europese racisme-theorieën (Spencer, Lapouge, Gobi­neau) werden ze op rekening geschreven van de 'achterlijkheid' van de sertao-bewoners, zelf een onvermijdelijk gevolg van klimatologische omstandigheden, gecombineerd met rassenvermen­ging. Dit zou geleid hebben tot het ontstaan van een 'verloren mensensoort' in het ruwe en primitieve noordoosten van Brazi­lië, het Brasil submerso (het verzonken Brazilië). Om het land van dit gevaarlijke ras te bevrijden, moest de kwaliteit van het volk verhoogd worden door de invoer van gezonde, blanke Europeanen. De gedachte dat geweld en irrationaliteit wel eens het resultaat konden zijn van maatschappelijke veran­derings­processen die grote bevolkingsgroepen materieel en mentaal ontredderd achterlieten, kwam niet op in het simplis­tische vooruitgangsdenken van de Braziliaanse elite. Anthropo­loge Nina Rodrigues mat de schedels van de gedode bandieten en van de volgelingen van Antonio de Raadgever en besloot dat het 'sentimenteel' en totaal onwetenschappelijk was te denken dat “dergelijke lieden het IQ-peil van de superieure rassen konden bereiken”.

 

 

De oude republiek (1889-1930)

 

De pas geïnstalleerde republiek wendde de positivistische slogan 'Orde en Vooruitgang' aan om een moderniseringsproces op gang te brengen (mechanisering van de landbouw, industria­lisering en verstedelijking, een kapitalistische arbeidsmarkt, een democratisch gelegitimeerd bestuur) dat niet mocht raken aan de belangen van de diverse traditionele machtsgroepen in het land. Dat betekende onder meer dat er geen sprake kon zijn van een landhervorming die de eigendomsrechten van de fazendei­ros zou inperken. Wat tot gevolg had dat de landbouw in het noordoosten stagneerde en gedomineerd ging worden door kleine, zelfvoorzienende boeren die hun grond pachtten van de coro­néis (kolonels)waarmee ze in een paternalistische relatie leefden. De Groot beschrijft deze sociale verhoudingen als volgt:

 

“De fazendeiro, in deze periode aangeduid als coronel, gedroeg zich tegenover de arbeiders en boeren als een be­schermheer, als een 'patroon', iets waar hij natuurlijk zijn redenen voor had. In tijden van nood schonk hij hun allerhande gunsten en hielp hen wanneer ze problemen hadden met de autori­teiten. Deze afhankelijke boeren en arbeiders vormden tesamen zijn achterban van 'cliënten'. In ruil voor zijn paternalisti­sche bescherming kon de coronel altijd op zijn cliënten reke­nen. Wanneer er meer handen nodig waren voor de oogst, waren zij in feite verplicht te helpen. Ook wanneer de coronel in conflict kwam met andere coronéis -en met name in het noord­oosten waren deze conflicten talrijk en gewelddadig- kon hij op hen rekenen. (...) De arbeiders en boeren hadden baat bij dit paternalisme. Voor hen vormde de coronel een soort verze­kering tegen de slagen van het lot. Zij identificeerden zich zelfs volledig met hun coronel, en niet met een abstracte boerenstand. Zo antwoordden zij op de vraag: 'Wie bent U?', gewoonlijk met: 'Ik behoor tot coronel X (sou gente do coronel Fulano)” [Kees de Groot, De Brazilianen - Geschiedenis van 1889 tot nu, Coutinho, Muiderberg, 1991, p. 41-42]

 

Dit paternalisme mag natuurlijk niet geïdealiseerd worden: sommige coronéis waren zeer despotisch en gewelddadig, ook tegenover hun eigen men­sen. Maar het paternalisme beperkte de misbruiken en werd ook handig uitgespeeld in tijden van verkiezingen:

 

“Wanneer er verkiezingen waren, maakten de coronéis complete tournées langs al hun cliënten. Het kwam voor dat ze beladen waren met cadeaus voor de kiezers -rijglaarzen voor de mannen, opzichti­ge katoenen lappen voor hun vrouwen, kleren en speelgoed voor de kleintjes, en daarenboven een envelop waarin zich naast het stembiljet wat geld bevond.” [de Groot, De Brazilianen, 1991, p. 43]

 

Terwijl de machtsverhoudingen ten gevolge van het paternalisme en cliëntelisme ongewijzigd bleven in de traditionele agrari­sche streken, staken in de meer 'verlichte' gebieden waar mechanisering, industrialisering en verstedelijking ingang vonden nieuwe veranderingsgerichte krachten de kop op. In en rond Sao Paulo (600.000 inwoners in 1920 tegen 30.000 een eeuw vroeger) bijvoorbeeld, toenmalig centrum van de exportgerichte koffieteelt, ontstonden de eerste kernen van een (anarcho-syndicalistisch georiënteerde) arbeidersbeweging. Alhoewel deze beweging in de beginfase zwak bleef, slaagde zij er toch in om in 1917 een (regionale) algemene staking uit te roepen die Sao Paulo plat legde en de burgerij de stuipen op het lijf joeg. Meesterbrein achter de staking was een anar­chist van de typografenbond, Edgard Leuenroth (1881-1968), die tot op het einde van zijn lange leven de arbeiderszaak zou dienen en nog steeds geëerd wordt als één van de stamvaders van de Braziliaanse arbeidersbeweging. De relatieve zwakte van de beweging werd door uiteenlopende factoren in de hand ge­werkt: de afwezigheid van een strijdbare traditie, de grote regionale verschillen (vgl. de reeds vernoemde subnationali­teiten), geen contacten tussen plantage-arbeiders en indus­trie-arbeiders, het isolement van de mijnwerkers die geconcen­treerd zaten in perifere gebieden, het stigma dat op zwarte arbei­ders berustte, en de dominerende rol van politiek bewuste buiten­landse arbeiders (vooral Italianen, Portugezen en Span­jaarden, maar ook Duitsers en Russen) die gemakkelijk uitgewe­zen konden worden. Bovendien beschouwden anarchisten en socia­lis­ten zich als propagandisten van de Verlichtingstraditie en wensten geen compromissen te sluiten met de 'irrationele' volkscultuur die weinig raakvlakken vertoonde met Europese rationalis­tische denkwijzen.

 

Daarnaast kregen ze af te rekenen met een maat­schappelijke elite die het niet gewoon was dat de alleenheer­schappij van de 'eigenaars van de macht' van onderop werd bekritiseerd. Tot in de twintiger jaren werd de 'sociale kwestie' louter als een zaak van de politie beschouwd en met puur repressieve middelen aangepakt. In 1925 werd in Sao Paulo een Departemento de Ordem Politica e Social (DOPS) opgericht dat militante arbeiders op een verdachtenlijst plaatste en de vreemdelingen onder hen uitwees. Mede onder invloed van deze politiek zou de radicale anarcho-syndicalistische beweging aan invloed verliezen en werd haar rol overgenomen door de in 1922 opgerichte Communis­tische Partij (PCB) die tot op de dag van vandaag (eventueel in coalitie met de Arbeiderspartij (PT)) een niet te onder­schat­ten kracht uitmaakt van de Brazili­aanse arbeidersbe­we­ging.

 

Een andere vernieuwende impuls ging uit van de zogenaamde tenentes, jonge officieren afkomstig uit de middenklasse die zich verbonden voelden met het volk en vol afschuw de ondemo­cratische en corrupte praktijken van de elite aan de kaak stelden: vervalste verkiezingsuitslagen, partijdige recht­spraak, erbarmelijke sociale toestanden, een verbrokkelde nationale identiteit (die de macht in handen speelde van de deelstaat-elites). Tegenover dit rechtse liberalisme stelden zij een 'economisch nationalisme' waarbij zij zich bij voor­keur lieten inspireren door gesimplificeerde ideologische denksystemen: we hebben reeds gewezen op de invloed van Augus­te Comtes positivisme na de eerste wereldoorlog. Na het succes van de bolsjewistische revolutie zochten progressieve jonge officieren hun inspiratie in het marxisme-leninisme. In 1924 ontketenden zij een opstand die echter spoedig neergeslagen werd. In plaats van zich over te geven, trokken ongeveer 1500 versla­gen rebellen onder leiding van Luis Carlos Prestes de Braziliaanse binnenlanden in. Deze Braziliaanse Lange Mars, die plaats vond tussen april 1925 en februari 1927 en waarbij een tra­ject van 24.000 km afgelegd werd, ontpopte zich tot een soort natio­nale ont­dekkings­tocht door het eigen land. Voor het eerst hadden er face-to-face ontmoetingen plaats tussen de stedelij­ke progres­sieve rebellen en de sertajenos en frontier-bewo­ners. Maar ook de bandietenlegers (onder meer van de beruchte Limpi­ao die door de overheid (!) tevergeefs aangemaand werd de Prestes-Kolonne te overvallen in ruil voor amnestie) en het religieuze messianis­me (de gemeenschap van pater Cicero) leerde men van dichtbij kennen. Leden van de Prestes-Kolonne zouden een belangrijke rol spelen in de sociale en politieke geschie­denis van Brazi­lië. Luis Prestes zelf accepteerde, niet lang na de mars, het voorzitterschap van de Communistische Partij.

 

In het kielzog van de eerste wereldoorlog ontwikkelde zich in Brazilië een modernistische intelligentsia en artistieke avant-garde die zich sterk anti-imperialistisch en nationa­listisch opstelde. Zij zette zich af tegen de Europese imita­tiezucht van de elite en de middenklassen en stelde zich tot taak de Braziliaanse afhankelijkheid van Europa te beëindigen en Brazilië te 'brazilianiseren'. Trots werd er gezegd dat Brazi­lië het geluk reeds had ontdekt nog voor de Portuge­zen Brazi­lië ontdekt hadden, nu moesten de Brazilianen Brazi­lië nog ontdekken. Dit leidde tot een herwaardering van 'het volk': in tegenstelling tot de bezittende en de middenklasse was het volk immers niet besmet door de Europese cultuur. Zo gingen modernistische dichters rebelleren tegen het Algemeen Be­schaafd Portugees en ijverden voor een erkenning van de volks­taal die doorspekt was met Indiaanse en Afrikaanse woor­den. De Groot schrijft:

 

“De modernistas bekritiseerden de denigrerende en vaak racistische houding waarmee de elites naar het volk keken. Ze herzagen ook de oude visies op de rassenvermenging. Vroegere generaties hadden die vermenging beschouwd als oor­zaak van de degeneratie van het volk, maar de modernistas zagen haar juist als iets positiefs. Zo immers was een heel nieuw volk ontstaan, het Braziliaanse volk. Wat vroeger een bron van schaamte was, werd een bron van trots”. [K. de Groot, De Brazilianen - Geschiedenis van 1889 tot nu, 1991, p. 70]

 

Dit nationalistisch reveil en de ontdekking van een Brazili­aanse volksaard zouden later in extreem-rechts vaarwater terecht­komen en als ideologische legitimatie voor de 'sterke staat' (estado novo) gebruikt worden.

 

 

Estado novo en Koude Oorlog (1930-1954)

 

Economische crisis (koffie-export) en toenemende sociale spanningen vormden de voedingsbodem voor een conservatieve alliantie die in oktober 1930 de macht greep en een einde maakte aan het corrupte en sociaal-economisch passieve repu­bli­keinse regime. Het voortouw werd in handen genomen door een flamboyante politicus uit Rio Grande do Sul, Getulio Vargas (1883-1954), die de strijd aanging tegen het 'excessie­ve liberalisme' van de oude republiek en zowel een andere aanpak van de 'sociale kwestie' als een nieuwe economische filosofie voorstond. Hij versterkte het centrale gezag (wat ten koste ging van de autonomie van de deelstaten) en vergrootte de presi­dentiële (zijn eigen (!)) bevoegdheden, pleitte voor over­heids­bemoeienis met de economische ontwikkeling en toonde zich een warme verdediger van een arbeidswetgeving. Om die doelstel­lingen te realiseren schipperde hij voortdurend tussen het fascistische integralistische blok (met sympathisanten in de midden­klassen, leger en kerk) en het door de communisten gedomineer­de Volks­front. In 1937 hakte hij de knoop door: hij koos voor het rechtse kamp, ontbond het parlement, zette dui­zenden commu­nisten tezamen met hun voorzitter Prestes gevangen en kondigde de 'sterke staat' (estado novo), geïnspireerd door Mussolini's fascisme, aan. Vargas was echter sluw genoeg om de macht niet in handen te geven van de 'integralisten', over­tuigde fas­cis­ten. Hierdoor werd zijn politieke manoeuvreerruimte niet aan banden gelegd door ideologische dogma's of partijpo­litie­ke imperatieven. Met autoritaire middelen wilde hij een eigen Braziliaanse industrie ontwikkelen, waarbij hij er wél zorg voor droeg de belangen van Braziliës machtigste sociale klasse, de koffieplanters, niet te schaden. De positie van de Braziliaanse industrie werd enerzijds versterkt door protectionistische maatregelen die buitenlandse concurrenten ontmoedigden en anderzijds door de plattelandsvlucht van boeren te stimuleren, wat de lonen in de industriële sectoren aanzienlijk drukte. Wel richtte hij een 'ministerie van de arbeid' op (door hem minzaam 'mijn revolutionair ministerie' genoemd) dat een aantal ar­beids­verworvenheden wettelijk vastlegde, maar tegelijkertijd ook de 'klassenstrijd' verbood. Vakbonden werden slechts toege­laten voor zoverre ze de bevordering van de sociale harmo­nie in hun statuten schreven. Dit soort 'behulpzame' vakbonds­leiders (die ook de naoorlogse arbeidersbe­weging zullen be­heersen) werden in de volksmond pelegos (paardende­kens) genoemd: bemiddelaars die de roerige arbei­dersklasse 'berijd­baar' moesten houden. Typerend was ook de oprichting van een Pers- en Propaganda-departement dat instond voor het stimule­ren van de Braziliaanse 'nationale identi­teit'. Wat was die identiteit? “De Brazilianen zijn een hartelijk en levenslustig volk, compromisbereid en dus afkerig van klassen­strijd (geïmporteerd door extremisten uit Europa), raciaal gemixt en dus immuun voor rassenvooroordelen.” Het is in deze jaren ook dat het op Europa geënte (statige) elite-carnaval plaatsmaakt voor het door ons gekende Afro-Braziliaanse carna­val op samba-ritme!

 

Met de nederlaag van het fascisme op het einde van de tweede wereldoorlog was de positie van Vargas als leider van een autoritaire staat niet meer houdbaar. De estado novo had echter nooit volledig de banden met de anti-fascistische geallieerden verbroken: de Amerikanen bezaten een belangrijke marinebasis op de Braziliaanse kust en een Braziliaans leger­korps vocht aan de zijde van de Amerikanen bij de bevrij­ding van Italië. Vargas trad dus af, echter niet vooraleer zijn brede schaar van aanhangers te organiseren in twee nieuwe democrati­sche partijen: de centrum-rechtse Partido Social Democratico (PSD) en de centrum-linkse Partido Trabhalista Brasiliera (PTB). En het was met hun steun dat Vargas in 1951 opnieuw tot president werd gekozen! Binnen het herstelde democratische kader (dat echter nogal wat autoritaire trekjes behouden had, onder anderen op het vlak van de arbeidswetgeving en het verbod op de commu­nistische partij) zette Vargas zich opnieuw in voor een actie­ve overheid die moest optreden als stuurman van de economische ontwikkeling. Maar dit keer positioneerde hij zich niet langer als rechts-autoritair, maar eerder als een linkse populist. In de naoorlogse periode was het 'klas­sen­bewustzijn' van de arbei­ders en lagere middenklassen immers snel toegenomen en ze voelden aan dat ze als 'volk' tekort werden gedaan. Vargas, ter linkerzijde gesteund door zijn streekgenoot en minister van Arbeid Joao Goulart, presenteerde zich als anti-politicus die enkel begaan was met het welzijn van het volk. Beiden legden de nadruk op hun persoonlijke betrokkenheid bij het wel en wee van het volk en beloofden voortdurend om het te zullen helpen. Tegelijkertijd probeerden ze echter de heersende klas­sen te sparen: zorgvuldig lieten ze het na om de positie van de kapitaalbezitters en de groot­grondbezitters (waaruit ze zelf afkomstig waren) te bekritise­ren. Vooral Goulart, net als Vargas afkomstig uit Rio Grande do Sul, ging ver in zijn verbale engagementen: om de vakbonden te behagen en aldus een eigen electorale machtsbasis uit te bouwen, sprak hij zijn voornemen uit om de minimumlonen te verdubbelen. Legergene­raals (die in dit tijdperk van de Koude Oorlog overal het spook van het communisme zagen rondwaren) en kapitalisten (die hun winsten bedreigd wisten) schreeuwden moord en brand en noemden Goulart de Braziliaanse Peron, die streefde naar een syndicalistische republiek. Het volk was opgetogen, maar Vargas voelde zich in de tang genomen tussen de hoge verwach­tingen van het volk en de banvloeken van de in hun privileges bedreigde heer­sende groepen. Vargas weigerde een duidelijke keuze te maken, maar koos voor een heroïsch einde: in augustus 1954 pleegde hij zelfmoord. In het volksgeheugen zal hij blijven voortleven als 'Vader der Armen'!

 

 

Het ontwikkelingsdecennium (1955-1964)

 

De nieuw verkozen president Juscelino Kubitschek vatte zijn ambtstermijn aan met het ambitieuze plan om '50 jaar ontwikke­ling in 5 jaar' te realiseren: Brazilië moest in 5 jaar net zo hard groeien als de Europese landen in 50 jaar gedaan hadden. Hij was een exponent van de conservatieve PDS, die er echter wel op lette niet op de tere teentjes van de arbeiders­gerichte PTB-politici te trappen. Daarom stelde hij Joao Goulart van de PTB, held van de arbeidersklasse, aan als vice-president. Kubitschek ontpopte zich als een liberale techno­craat, die rotsvast geloofde in de weldaden van een geplande industriali­sering en zich daartoe omringde met planningstech­nocraten die alle heil verwachtten van het privé-initiatief. Buitenlandse ondernemingen werden aangetrokken met beloften van belastings­vrijstellingen, onbelemmerde winstoverdrachten naar het moe­derland en infrastructurele faciliteiten. De economische groei nam geweldige proporties aan met een jaarlijks gemiddelde van 6% (apart genomen bedroeg de industriële groei zelfs 11%). De output van de machine-industrie steeg met 125%, die van de elektrische uitrustingsgoederen met 300%, die van het trans­portmateriaal met 600%. Het nieuwe land van belofte oefende een bijzondere aantrekkingskracht uit op multinationals van de automobielsector die het land in een minimum van tijd met een netwerk van autowegen overspanden. Om deze openlegging van het land te bezegelen, werd in het geografische centrum van het land, temidden van het oerwoud, een nieuwe, ultramoderne hoofdstad gebouwd: Brasilia.

 

Deze koortsachtige bedrijvigheden slorpten echter enorme hoeveelheden belastingsgelden op. Gecombineerd met de verwaar­lozing van de landbouw - wat leidde tot een schaarste en dus prijsstijging van de voedingsgewassen - wakkerde dit de infla­tie tot ongekende hoogten aan. Kubitschek raakte klem tussen de eisen van de multinationals, om via een stabilisatieprogram­ma uitgewerkt door het IMF (wat neerkwam op minder staatsuit­gaven) de inflatie terug te dringen en de vraag van het volk naar méér sociale voorzieningen. Uiteindelijk zou hij weigeren op de IMF-eisen in te gaan, wat neerkwam op een breuk waardoor het land op een economische crisis afstevende.

 

Na maandenlang politiek geharrewar, waarbij de nieuwe zwakke president Janio Quadros reeds bij de aanvang van zijn ambts­termijn aftrad, werd vice-president Goulart tot opvolger gekozen. Dat was slechts mogelijk nadat deze eerst een aantal van zijn presidentiële bevoegdheden afgestaan had aan het congres. Door zijn politiek verleden en ook door een aantal toevalligheden (zijn aantreden viel samen met de Cu­baanse revolutie) stond hij immers geboekstaafd als een gevaarlijk radicaal. Dat imago had hij als Vargas' minister van Arbeid verworven, maar later als vice-president had hij zich steeds heel gematigd opgesteld. Bovendien was hij geen sterke per­soonlijkheid: hij kon moeilijk gezag afdwingen en voelde zich erg onzeker. Bij zijn aantreden in 1961 zag hij zich gecon­fronteerd met de overgeërfde economische crisis: het groeiper­centage daalde tussen 1961 en 1963 van 10 % naar 1,50 %; de inflatie bedroeg in 1962 50 % terwijl de betalings­ba­lans in 1963 een rekord-tekort van meer dan 600 miljoen dollar ver­toonde. Eerst trachtte Goulart de crisis te bedwin­gen met een economisch orthodox stabilisatie-programma, maar toen dit niet lukte stuurde hij aan op een linkse koersveran­dering op basis van structuurveranderingen. Deze ommezwaai had alles te maken met de druk die begon uit te gaan van een groeiende volksbe­weging. In januari 1963 had Goulart via een directe volksstem­ming zijn afgestane presidentiële bevoegdheden terug­gekregen. In 1962 organiseerden radicale vakbondsleiders, tegen de geest van de arbeidswetgeving in, een koepelorganisa­tie Comando General dos Trabalhadores (CGT) die bindingen had met de ille­gale PCB en het verbod op 'klassenstrijd' aan hun laars lap­ten. In het arme, landelijke noordoosten ijverde de 'Boerenli­ga' van advocaat Francisco Juliao voor betere werk­voorwaarden en een verregaande landhervorming. In Belo Hori­zonte bracht een nationale boerenbijeenkomst de radicale eis 'Landhervor­ming door de wet of met geweld' naar voor. Sectoren van de katholieke ‘Volksaktie’ begonnen openlijk te sympatiseren met marxistische ideeën. Deze stedelijke en landelijke bewe­gingen vonden elkaar in de eis voor een aantal basishervormingen zoals een serieuze landhervorming, een progressief belastings­systeem, stemrecht voor analfabeten en legalisatie van de Communistische Partij. Goulart nam deze eisen over, maar botste tegen een systematisch 'njet' van het door de conservatieven gedomineerde congres. De Groot schrijft:

 

“Geconfronteerd met deze categorische tegenwerking begon Goulart te twijfelen aan het bestaande politieke systeem. Blijkbaar waren de elites in staat om via het congres alles tegen te houden wat hen niet zinde, zelfs wanneer het om zaken ging die volgens Goulart door de overgrote meerderheid van de Braziliaanse bevolking werden gesteund”. [de Groot, De Brazilianen, 1991, p. 125-26]

 

Hij begon eraan te denken het congres te omzeilen en te regeren per decreet. Daarvoor ging hij een samenwerking aan met zijn streekgenoot, de linkse populist Leonel Brizola (die het nog zou brengen tot gouver­neur van Rio Grande do Sul) die een massabeweging op gang bracht die als onderstroom moest dienen voor een bestuur dat bij decreet regeerde en er fundamentele basisher­vormin­gen doordrukte. Op een massabijeenkomst in Rio de Janeiro op 13 maart 1964 kondigde Goulart aan dat het decreet voor de basis­hervor­mingen reeds ondertekend klaarlag op zijn bureau. Ook verkon­digde hij dat “het congres het volk niets te bieden heeft, want het vertegenwoordigt niet de aspiraties van het volk”. Conservatieve tegendemonstraties, een mislukte algemene sta­king en een opstand van pro-Goulart mariniers (die reeds voorafgegaan was door een korte revolte van sergeanten in Brasilia het jaar daarvoor) vormden de voorbodes van een militaire coup die einde maart 1964 plaatsvond. De hogere militairen zagen de maatschappelijke polarisatie met lede ogen aan en toen het virus van de klassenstrijd ook de lagere legeréchelons begon aan te tasten, was voor hen de maat vol. De 'communisten' vlogen de gevangenis in, progressieve politici kregen een beroepsverbod opgelegd en het bestuur van het land werd overgedragen aan een kabinet van technocraten.

 

“Dit besluit was symptomatisch voor de denkwijze van de militairen. In hun ogen lagen niet politieke, maar bestuurlij­ke problemen aan de basis van de stagnerende economie. Dat betekende een volledige ommekeer van het uitgangspunt van Goulart. Goulart meende dat structurele hervormingen nodig waren wat politieke stellingnames impliceerde. De militairen daarentegen wilden geen hervormingen doorvoeren. Zij wilden de werking van het systeem verbeteren met instandhouding van de bestaande structuren, en deze taak konden zij het best overla­ten aan technocraten”. [K. de Groot, De Brazilianen, 1991, p. 131]

 

 

Dictatuur, het economische 'mirakel' en de abertura (1964-1984)

 

De sociale klassen die Goulart uit het zadel lichtten, hadden een welomschreven doelstelling: het investeringsklimaat moest verbeterd worden door een vermindering van de inflatie en een reële loonstop. Daarnaast moesten de bedreigde privileges van de landelijke oligarchie weer in ere hersteld worden.

 

De politieke teugels werden eerst overgenomen door de ‘sorbon­nistische' fractie binnen het leger, die prat ging op zijn intellectuele cultuur en zijn handen niet graag met bloed bevlekte. In 1967 kreeg echter de harde lijn de overhand en de generaals, vertegenwoordigd door president Costa e Silva, gingen er van dan af met de grove borstel door. De recht­streekse presidentsverkiezingen werden afgeschaft en de poli­tieke partijen ontbonden: enkel nog één regeringspartij (ARE­NA) en één oppositiepartij (MDB) waren toegelaten. Terwijl men in eerste instantie de economie weer gezond probeerde te maken met een monetaristische economische politiek, ging men in een volgende fase van een tegengestelde filosofie uit: de oorzaak van de inflatie is niet de te hoge vraag, maar eerder een achterblijvende vraag en té hoge prijzen (veroorzaakt door de producenten die hun dure kredieten doorrekenen in de prij­zen). De remedie werd gezocht in goedkope leningen, een door de overheid gereguleerde prijs-en loonontwikkeling, stimule­ring van het staatskapitalisme (staatsbedrijven als motor voor de privé-bedrijven), het aantrekken van buitenland­se investe­ringen en het aanmoedigen van export. De landbouw werd geme­chaniseerd waardoor de productie (soja, suikerriet) zodanig werd opge­voerd dat zij het grootste deel ging uitma­ken van de export. Net zoals in andere Zuid-Amerikaanse dictaturen zou de afwezig­heid van legale oppositiekanalen gecombineerd met de wereld­wijde radicalisering van het jongerenprotest een gunstige voedingsbodem creëren voor allerlei guerilla-bewegingen, onder andere de Açao Libertadora Nacional van Carlos Marighela. De Brazili­aanse militairen veegden deze echter met een nietsontziende efficiëntie en vastberadenheid van de kaart: enkele honderden guerilleros vonden de dood (of 'verdwenen') in confrontaties met het leger, duizenden verdachten werden als politieke gevan­genen geïnterneerd en nog eens 10.000 Brazilianen zochten als poli­tieke ballingen hun toevlucht in het buitenland.

 

Het sterkste wapen tegen deze politieke onrust was echter niet de repressie, maar wél het economische succes. De periode 1968-1974 wordt wel eens de periode van het Braziliaanse economische wonder genoemd. De gemiddelde jaarlijkse groei van het BNP bedroeg 10% en Brazilië werd als een economische succesformule voorgehouden aan de andere landen van de toenma­lige 'Derde Wereld'. De afwezigheid van politieke democratie en moorddadige repressie werd gecamoufleerd door tot de ver­beelding sprekende economische statistieken. De belangrijkste profiteur van dit wonder was de snel groeiende middenklasse - ingenieurs, dokters, economen, leraren, ambtenaren - die pronkten met de producten van de prille consumptie-econo­mie. De auto's van deze middengroepen bepaalden het uitzicht van de Braziliaanse steden in deze periode. Op menige achterruit zaten stickers met agressieve nationalis­tische slogans in de trant van: “Brasil, love it or leave it” (“Brazilië, koester het of verlaat het”) en ook: “Niemand houdt dit land nog tegen”.

 

Veel minder aandacht ging uit naar de keerzijde van de medail­le. Heeft vooruitgang niet altijd een prijs, vroeg een toen­malig regeringswoordvoerder zich terecht af. Die prijs werd wel betaald door de landelijke en stedelijke onderlaag: ter­wijl de armste helft van de Brazilianen in 1960 nog 16% van het nationale inkomen ontving was dat 10 jaar later gedaald tot 10%, terwijl de rijkste 10 % aan de haal ging met 51% van dat nationale inkomen (tegen 41% 10 jaar eerder).

 

Vooral op het platteland was de toestand catastrofaal. De doorgedreven mechanisering van de landbouw en de evolutie naar een exportge­richte economie (agrobusiness) en veeteelt werd miljoenen keuterboertjes en landarbeiders fataal. Zij proleta­riseerden (werden precaire dagloners die in permanente be­staans­onzeker­heid leefden), verpauperden (het drama van de landlo­ze boeren) of zochten hun toevlucht in de kolonisering van nieuwe gebieden (Amazone) of de stadsvlucht. Deze sociale ontwrichting van het platteland was een bewuste politiek van de militairen, omdat de aldus gecreëerde 'arbeidsreserve' een gunstige neerwaartse druk uitoefende op de loonontwikkeling.

 

De explosieve groei van de Braziliaanse steden (die in 1970 bijna 60% van de totale bevolking huisvestten, tegen 30% bij het begin van de tweede wereldoorlog) leidde tot een chaoti­sche urbanisatie: slechte woonomstandigheden (geen geasfal­teerde wegen, geen stromend water, geen riolering, geen vuilnis­ophaal), transportproblemen (grote afstand tussen woonwijken en arbeidscentra) en onveilige bouwplaatsen (aan rivieroevers – overstromingen - en steile heuvelflanken - grondverschuivin­gen). In 1991 telde Brazilië officieel 3.471 stedelijke sloppenwijken (favelas). De gelukkigsten onder deze nieuwe stedelingen vonden werk in de zich snel uitbreidende industrie van de ABC-regio in de staat Sao Paulo. De meesten kwamen echter terecht in de laaggeschoolde en slecht betaalde dien­stensector (als verko­per, conciërge, liftbediende, vuilnisop­haler, enzovoort) of de informele sector (straathandelaar, schoenpoetser, krantenver­koper, autowasser, enzovoort). De minst fortuinlijken stapten uit de gevestigde maatschappij en overleefden op straat, dikwijls in constante staat van oorlog met de (corrupte) orde­handhavers (straatkinderen, bedelaars, prostituées, crimine­len). Maar ook de 'fatsoenlijke' kleine lieden konden tijdens de militaire dictatuur slechts met moeite de eindjes aan elkaar knopen: dikwijls zagen ze zich genoodzaakt om 2 of 3 baantjes te combineren (“de moed hebben om te werken” was een veel gebruikte uitdruk­king in de lagere volksklassen)

 

De achillespees van het 'Braziliaanse wonder' werd gevormd door de afhankelijkheid van goedkope olieproducten waarzonder de ganse industriële- en transportinfrastructuur niet kon functioneren. De fikse verhoging van de olieprijzen en de daarop volgende crisis van de Westerse economie betekende een fikse streep door de rekening van de Braziliaanse planningstechnocraten. De verviervoudiging van de olieprijzen zorgde voor een tekort op de betalingsbalans die gedekt werd met leningen van goedkope ‘petro-dollars’. Ook meende men het nade­rende onheil te kunnen bezweren door de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen (alcohol als brandstof voor moto­ren) en het opzetten van een kernenergieprogramma. Een andere stok werd in de spaken van de Braziliaanse vooruitgangsideologie gestoken door de razendsnelle stijging van de voedsel­prijzen in de steden. Doordat de fazendeiros overgeschakeld waren op de cultivering van industriële exportgewassen daalde het aanbod van voedingsgewassen op 8 jaar tijd met 30 % per stadsbewoner. Deze schaarste dreef de prijzen scherp de hoogte in en dit terwijl de lonen de inflatie niet konden bijhouden en dus in reële termen achteruitgingen. De steun voor de militairen begon af te kalven en de dictatuur kwam in een kritieke fase terecht.

 

“Na 1977 begon op politiek terrein een belangrijke verschuiving op te treden. Brazilië kwam in een fase die de schrik vormt van elk autoritair regime dat meer vrijheid toestaat en minder repressie toepast. Het is de fase waarin de angst onder de bevolking verdwijnt en zij volledige vrijheid opeist in plaats van een beetje vrijheid, en een volledig einde van de repressie in plaats van een beetje repressie. In zo'n situatie wordt het voor het regime moeilij­ker zijn eigen agenda te bepalen”. [de Groot, De Brazilianen, 1991, p. 172]

 

De militairen opteerden dus voor een 'gecontroleerde ontspan­ning' met de bedoeling de bestuurstaken die ze anderhalf decennium eerder hadden geüsurpeerd weer over te dragen aan burgerlijke politici. Het laatste militaire staatshoofd, Joao Figueredo, omschreef dit proces als een aberturo waarbij de tot dan toe sterk gekluisterde politici stap voor stap weer mochten meedoen aan het bestuur. Tegelijkertijd echter kwam de Braziliaanse economie in een sukkelstraatje terecht: in het Amerika van Reagan kregen monetaristische economen het voor het zeggen en met hun krap geld-politiek joegen ze de afbeta­lingen op de buitenlandse leningen (afgesloten met een flexi­bele rente) fors de hoogte in. In 1982 werd 83% van de Brazi­li­aanse exportopbrengsten gebruikt om de uit de pan geschoten betalingsverplichtingen na te komen. In de jaren daarop werd het land onderworpen aan een hard aanpassingspro­gramma van het Internationaal Monetair Fonds: besnoeiing van de overheidsuit­gaven, daling van de lonen en massale sluiting van bedrijven.

 

In deze economische context nam de sociale onrust toe. Een belangrijke impuls daartoe werd gegeven door de katholieke 'basisgemeenschappen' (CEB's: Communidades Eclesiais de Base), die na de uitroeiing van de radicale linkerzijde nog als enige actieve oppositiekracht overeind bleef. In 1964 had de kerke­lijke hiërarchie de militaire coup nog volmondig gesteund, maar de Latijnsamerikaanse Bisschoppenconferentie van Medellin (1968), waar de 'optie voor de armen' werd uitgesproken, bracht een radicale koerswijziging met zich mee. Met haar bijna 60.000 priesters en nonnen en een netwerk van volksorga­nisaties met vertakkingen tot in de kleinste dorpjes, vormde zij een (morele) kracht waar de militairen weinig tegenin konden brengen. Met de uitwerking van de 'bevrijdingstheologie' kreeg de beweging een openlijk politieke oriëntatie en zelfs trekjes van een Messiaanse beweging die de 'vestiging van het Rijk Gods' op aarde nastreefde. Het was ook in deze periode dat er in de industriële regio van Sao Paulo een nieuwe

str­ijd­vaardi­ge vakbeweging ontstond met als woordvoerder de jonge charismatische Luiz Inàcio Lula da Silva. Basisgemeen­schappen, het nieuwe strijdvaardige syndicalisme en restanten van linkse en commu­nistische groepen zouden in 1980 de handen in elkaar slaan om een nieuwe, onorthodoxe, links-socialisti­sche partij boven de doop­vont te houden: de Arbeiderspartij. Het was ook deze partij die een massale campagne op gang zette om op­nieuw directe presi­dentsverkiezingen te organiseren (diretas - ). De campagne had niet het gehoopte resultaat, maar leidde wel tot het uiteenvallen van de loyale regerings­partij PDS (de opvolger van de pro-dictatuur partij ARENA) en hielp de oppositiekandidaat Tancredo Neves in het zadel (janu­ari 1985). Neves was echter dodelijk ziek en stierf in april van hetzelf­de jaar waarna zijn plaats werd ingenomen door de vice-president, de conserva­tieve liberaal José Sarney. De door hem geïnaugureerde 'Nieuwe Republiek' brak met 20 jaar autori­tair-militair be­stuur.

 

 

Neo-liberalisme en daarna

 

Door de kracht van de volksbewegingen die de militaire dicta­tuur deden wankelen en een steeds verdergaande abertura mogelijk maakten, was het voor de conservatief Sarney niet mogelijk om de door een hyperinflatie lamgeslagen economie te lijf te gaan met de neo-liberale receptendoos die toendertijd door de meeste regeringen klakkeloos aanvaard werd. Hij toonde zich voorstander van een vaag en ambigu hervormingsprogramma: zo steunde hij een landhervorming die evenwel niet mocht raken aan de belangen van de grootgrondbezitters! Toen zijn anti-inflatoire maatregelen in laatste instantie niet de verhoopte resultaten opleverden, sloeg de sfeer van hoop en verwachting om in één van teleurstelling en cynisme. Sarneys partij ver­viel in de cliëntelistische praktijken van vroeger: politici kwamen op voor een zeer gevarieerde cliëntèle (waartoe zowel een baas als zijn arbeiders konden behoren), wat er in de praktijk op neerkwam dat bijna uitsluitend de belangen van de machtigste cliënten behartigd werden. Sociaal-economische belangenconflicten werden niet uitgevochten in het parlement, maar dikwijls letterlijk op straat. Dat had tot gevolg, dat de tijdelijke een­dracht die ontstaan was ten tijde van het verzet tegen de dictatuur in de volgende jaren, moest plaatsmaken voor groeien­de sociale spanningen, zowel in de stad als op het platteland. Op het platteland richtten boeren en hun politieke medestan­ders de Beweging van Landloze Boeren (MST) op die door directe acties (tentenkampen op bezette gronden en 'lange marsen') een militante groepsgeest wisten te creëren en de druk verhoogden om nu eindelijk eens werk te maken van de reeds zo lang be­loofde landhervorming. De grootgrondbezitters stuurden huur­moordenaars om het enthousiasme van de landbezetters te bekoe­len. Einde 1988 had de moord plaats op de bekende vakbondsleider der rubbertappers, Chico Mendes, die met zijn acties voor een ecologische exploitatie van oerwoud de woede van de groot­grondbezitters gewekt had.

 

In de steden had er een dubbele ideologische evolutie plaa­ts. Enerzijds nam het politieke bewustzijn van de lagere klassen door de steeds kapitalistischer wordende omgeving met rasse schreden toe. Zo ontstond onder meer in de sloppenwijken (favelas) een netwerk van gepolitiseerde wijkorganisaties sterk beïnvloed door militanten van de Arbeiderspartij en de Communistische Partij. Anderzijds zette zich ook een depolitiseringtendens door omdat veel jongeren, geconfronteerd met hun uitzichtloze economische situatie, hun toevlucht zochten tot criminele activiteiten die steeds openlijker gewelddadig werden. De bevolking voelde zich aan haar lot overgelaten: de overheid beschikte niet meer over de middelen om een minimaal sociaal vangnet uit te spreiden; de onderbetaalde politie was hopeloos corrupt (vgl. de doodsbrigades die in opdracht straatkinderen vermoorden) terwijl het in diskrediet geraakte leger zich gedwongen op de achtergrond moest houden.

 

In 1989 won de rechtse populist Collor de Mello nipt de presi­dentsverkiezingen voor de Arbeiderspartij-kandidaat Lula (die een - voor links - historische score van 35 miljoen stemmen (48%) behaalde). Collor profileerde zich met een uitgesproken neo-liberaal hervormingsprogramma: het 'openbreken' van de economie (binnen het kader van de mondiale globalisering), privatisering van de belangrijke staatsbedrijven, 'ontvetting' van de staat en deregulering van de arbeid. Maar Collors medewerkers (waaronder zijn eigen vrouw) konden hun hebzuchti­ge handen niet uit de ruif van de uitverkochte staatseigendom­men houden en zijn regering kreeg de naam een 'plunderende' ploeg te zijn. In 1992 werd Collor op beschuldiging van cor­ruptie afgezet. In de daaropvolgende jaren werd het president­schap waargenomen door de (voormalige linkse maar daarna tot het neo-liberalisme bekeerde) socioloog Fernando Cardoso. Deze gebruikte het neo-liberale instrumentarium (vooral de beper­king van de staatsuitgaven) om de hollende inflatie onder controle te krijgen. Daarin slaagde hij vrij goed, wat hem een tweede ambtstermijn opleverde, maar hij diende daarvoor wel heel diep in het maatschappelijke vlees te snijden. Zo liepen de uitgaven voor het onderwijs in de periode 1995-2000 terug van 20% tot 9% van alle staatsuitgaven, terwijl de terugbeta­lin­gen van de buitenlandse leningen in dezelfde periode toena­men van 25 tot 55%! Tegelijkertijd werden de 'verworven rech­ten' van de werknemers teruggeschroefd wat resulteerde in een en deregularisering van de arbeidsmarkt. Terwijl in 1991 nog 54% van de tewerkgestelden actief waren in het 'witte' economische circuit, was dat aantal in 2000 teruggelo­pen tot 45%. Het was op de golfslag van de diepe maatschappe­lijke ontevredenheid over de sociale ravage die de neo-libera­le politiek aanrichtte dat in oktober 2002, voor het eerst in de Braziliaanse geschiedenis, een uitgesproken linkse presi­dents­kandidaat ('Lula') 's lands roer in handen mocht nemen. Van hem verwachtten zijn kiezers dat hij een rechtvaardiger en democratischer Brazilië tot stand zal brengen. Het internatio­nale belang van deze verkiezing werd door Ignacio Ramonet (hoofdredacteur van Le Monde diplomatique) aldus verwoord:

 

“Voor de eerste keer maakt het ontzaglijke Brazilië -170 miljoen inwoners en tiende industriële macht van de wereld - zich op om op democratische basis bestuurd te worden door een leider afkomstig uit de radicale linkerzijde die de liberale globalisering verwerpt. Dat is een gebeurtenis van de eerste orde. In een sterk verschillende context doet dit ons denken aan de verkiezing van de socialist Salvator Allende in 1970 ...”. [Le Monde diplomatique, januari 2003].