ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > Het participatief budget in Porto Alegre
  december 2003 [4]



HET PARTICIPATIEVE BUDGET: EEN ORIGINELE VOORZIENING


                           
door Marion Gret & Yves Sintomer

 


Gret is doctor in de politieke wetenschappen en werkt aan het Instituut voor gevorderde Latijns-Amerikaanse studies.
Sintomer is hoogleraar sociologie op de afdeling politieke wetenschappen van de Universiteit van Parijs VIII, onderzoeker aan het Marc Bloch Centrum te Berlin en doctor in de politieke en sociale wetenschappen aan het de UniversitairInstituut Européen van Florence.

 

Dit is een enigszins ingekorte vertaling van ĎLe budget participatif: un dispositif originalí, hoofdstuk 2 uit Porto Alegre, Líespoir díune autre dťmocratie, La Dťcouverte, Parijs, 2002 pp. 29-54 door Roger Jacobs

   

 


Een participatief budget opzetten: de ervaring is origineel en geheel nieuw. Wat houdt zij precies in? In Porto Alegre is zij mťťr dan een edelmoedige gedachte: zij heeft zich neergeslagen in voorzieningen die haar werking bepalen. We zullen deze dus gedetailleerd onder de loupe moeten nemen en hun onderliggende logica analyseren.




Vier dimensies

Het principe van het participerende budget heeft te maken met 4 verschillende dimensies: de uitvoerende macht, de wetge≠vende macht, de civiele maatschappij en de specifieke organen van de participatieve structuur.

1. De uitvoerende macht

Deze bestaat uit de burgemeester en de loco-burgemeester die rechtstreeks gekozen worden door de bewo≠ners. Zij omvat eveneens het geheel van bestuurslichamen, in≠stanties en gemeentelijke diensten, waarvan de directeuren en secretarissen benoemd worden door de burgemeester. Het is diens wettelijke bevoegdheid om het budget uit te werken, voor te stellen en uit te voeren en dit zowel op jaarbasis als wat betreft de planning op wat langere termijn. De uitvoerende macht speelt dus een sleutelrol, al was het alleen maar omdat zij het initiatief genomen heeft om het participatieve proces te institutionaliseren. Alhoewel de participatie niet in tegenspraak is met de Braziliaanse grondwet en de organieke gemeentewet, is zij evenmin een wettelijke verplichting en zou zij, in principe, teruggedraaid kunnen worden als de burge≠meester dit zou beslissen. Met het dubbele doel om haar eigen efficiŽntie te verhogen ťn om beter in te gaan op de eisen die voortkomen uit het participatieve proces, heeft de uitvoe≠rende macht van Porto Alegre zich diepgaand gereorganiseerd sinds de Arbeiderspartij (Partido dos Trabalhadores) aan de macht is gekomen. Dit gebeurde in twee richtingen die complementair zijn. Enerzijds zijn de contacten tussen de bestuurslichamen aanzienlijk ver≠sterkt. Een planningsorgaan (GAPLAN) werd in het leven geroe≠pen dat uitge≠rust is met voldoende personeel en middelen en beschikt over een verregaande bestuurlijke bevoegdheid. Wat zijn haar doel≠stellingen? Het leveren van een bijdrage aan de ontwik≠keling van een totaalvisie op het gemeentelijke beleid en, daarnaast, de coŲrdinatie verzekeren van de uitwerking van de begroting in nauwe samenwerking met de verschillende bestuurslichamen en met de top van de participatieve piramide. De GAPLAN staat symbool voor de wil van de lokale overheid om weer een rol te spelen in de stadsontwikkeling in samenspraak met de bewoners die betrokken worden bij het beheer. Ander≠zijds werd, om het beleid dichter bij de bewoners te brengen, een structuur in het leven geroepen die als taak heeft samen met de bewoners de problemen van de diverse wijken op het spoor te komen: de CoŲrdinatie van de relaties met de gemeen≠schap (CRC). Haar doel is de dialoog te voeren met de woordvoerders van de wijk≠organisaties. Dat kan rechtstreeks gebeu≠ren of met behulp van andere structuren: de 8 bestuurlijke districtscentra (CAR, een soort van gedecentraliseerde filia≠len van het gemeentehuis die instaan voor de verlening van een aantal diensten aan de bewoners ťn hulp bieden bij de lokale inwerkingtreding van de participatieve begroting), de 16 districtscoŲrdinatoren van de participatieve begroting (CROPS, bestuurlijke beambten die als taak hebben, binnen het kader van ťťn stedelijk district, de participatie te bevorderen, steun te bieden bij de organi≠satie van lokale bijeenkomsten en te fungeren als go-between tussen de gemobiliseerde bewo≠ners en de admini≠straties) of de 6 thematische coŲrdinatoren (die de go-between vormen tussen de thematische bijeenkomsten en de bestuurslichamen).

De GAPLAN heeft de bevoegdheid om bindende voorstellen te formuleren en heeft daarom grote invloed op de besluitvorming. Steunend op de andere structuren kan zij de noden en vragen van de sectoren op de voet volgen en de coŲrdinatie verzekeren van hun behandeling op districts- en stadsniveau in een poging om het corporatisme dat eigen is aan de diverse bestuurslichamen te overstijgen. Haar invloed blijft echter beperkt in vergelijking met het geheel van de gemeentelijke bestuurslichamen. Daarenboven heeft de administratieve decentra≠li≠satie op basis van de CAR's geen grote rijkwijdte in Porto Alegre. In dat opzicht onderscheidt Porto Alegre zich van andere Latijns-Amerikaanse experimenten zoals in Montevi≠deo (Uruguay) of Rosario (ArgentiniŽ) die meer gekozen hebben voor bestuurlijke decentralisatie om de efficiŽntie van de openbare dienstverlening te verbeteren en de communicatie met de bewoners te bevorderen. Eerder dan zich toe te spitsen op een kleinschalige locale interactie tussen bewoners en ambtenaren, laat de hoofdstad van Rio Grande do Sul het dichten van de kloof tussen beleid en bewoners afhangen van de globale in≠vloed die de participatieve piramide kan uitoefenen op de gemeentelijke bestuursstructuur op stadsniveau.

2. De wetgevende gemeente≠raad (C‚mara de Vereadores)
Deze staat tegenover de uitvoerende macht en is samengesteld uit vereado≠res. Ze zijn het koloniale duplicaat van de wethouder, maar vervullen momenteel dezelfde functie als 'afgevaardigden' op gemeentelijk niveau. Zij worden rechtstreeks gekozen door de bewoners volgens een proportioneel systeem. Wanneer de burge≠meester en de gemeenteraad van verschillende politieke kleur zijn, wat thans het geval is in Porto Alegre, dan wordt het lokale bestuur gevormd door de eerste volgens de presidentiŽle logica die bijvoorbeeld ook in de V.S. geldt. De gemeen≠teraad heeft de macht om het budget dat wordt voorgesteld door de uitvoerende macht te amenderen of goed/af te keuren, maar dient zich daarbij aan allerlei voorschriften te houden. Het is hem niet toegestaan het budget in zijn geheel te verwerpen en dus zal hij via amendementen andere voorstellen moeten formuleren (amendements propositionnels). Deze mogen het begrotingstekort niet nog groter maken en elke nieuwe uitgave moet gepaard gaan met besparingen op andere begrotingsposten. De burgemeester beschikt bovendien over een vetorecht voor de wijzigingen die aangenomen worden door de gemeenteraad (maar het veto kan op haar beurt weer verworpen worden door een absolute meerderheid der gekozenen). De gemeenteraad spreekt zich uit over categorieŽn van uitgaven en niet over concrete projecten, wat een relatief belangrijke bewegingsruimte toelaat voor de uitvoerende macht om de grote budgetaire lijnen concretiseren en uit te voeren. Hier vere≠nigt zich de erfenis van het tijdperk van de dictatuur (toen de raden de mond werd gesnoerd) met de lokale politieke machtsverhoudingen om de legitimiteit van de gemeentelijke wetge≠vende macht globaal gezien te verminderen. Deze neemt grote politieke risico's als zij tracht het optreden van de uitvoerende macht te verlammen. Concreet gezien betekent dit, dat een radicale tegenwerking slechts mogelijk is als de uitvoerende macht zich in moeilijkheden bevindt als gevolg van een slecht beheer, van interne ruzies of van een globale legitimiteitscrisis. Sinds de Arbeiderspartij de macht in handen heeft in Porto Alegre heeft de leidende ploeg zich nog nooit in een dergelijke situatie bevonden. Vele projecten werden verworpen door de gemeenteraad: de gekozenen van de oppositie hebben legale middelen ingezet tegen de politiek van het stadhuis, maar het 'samenwonen' (cohabitati≠on) in de hoofdstad van Rio Grande do Sul van een gemeenteraad die door het centrum en rechts beheerst wordt en een linkse uitvoerende macht heeft totnogtoe niet geleid tot een ver≠lamming van deze laatste in de hoofdstad van Rio Grande do Sul.


Binnen het traditionele cliŽntelistische systeem speelden de gemeentelijke afgevaardigden de rol van contactpersoon tussen de bevolking en de uitvoerende macht, waarbij zij via officiŽle of officieuze bemoeienissen opkwamen voor de noden van het volk in ruil voor electo≠rale ondersteuning. Het participa≠tieve budget laat toe om te breken met deze relatie bescherm≠h≠eer/gun≠steling. Bovendien is het zwaartepunt van de budgettaire be≠slissingsmacht verschoven ten voordele van de uitvoerende macht: de burgemeester ziet het als zijn plicht om het investeringsbud≠get zoals het aangenomen werd door de participatieve structuur zonder belangrijke wijzigingen door de gemeenteraad te slui≠zen en daarvoor eventueel gebruik te maken van zijn vetorecht. Dit berooft de wetgevende macht gedeeltelijk van de functie die haar toebedeeld wordt in de klassieke leer van de schei≠ding der machten. De gemeentelijke afgevaardigden kunnen zich natuurlijk sterk maken in de participatieve bijeenkomsten waarbij hun statuut hen een zeker prestige zal geven, maar deze moge≠lijkheid wordt nauwelijks aangegrepen door de gekozenen uit de oppositie en laat in elke geval slechts een indirecte beÔnvloeding toe. Net zoals alle gekozenen en verantwoorde≠lijken van het openbaar bestuur kunnen afgevaardigden geen gekozen functie vervullen binnen de participatieve piramide. Bovendien bestaat er geen enkele rechtstreekse institu≠tionele schakel tussen deze laatste en de gemeente≠raad: de uitvoerende macht speelt in dit opzicht de rol van verplichte bemiddelaar. De acteurs van de wetgevende macht, spelen dus een ondergeschikte rol in dit proces, terwijl de situatie van cohabitatie van een burgemeester en een gemeenteraad van verschillende politieke kleur, onder andere omstandigheden, zou kunnen leiden tot een toename van de macht van de laatste.

3. De civiele maatschappij
Deze vormt de derde factor die het partici≠patieve budget mede bepaalt. Alle bewoners die dit wensen kunnen deelnemen aan de volksvergaderingen. Dit kan recht≠streeks gebeuren of door informele groepen op te richten die gelegenheidscreaties zijn zonder band met een wijkvereniging of een straatcomitť. Verenigingsstructuren hebben als zodanig geen streepje voor en blijven bovendien institutioneel onafhan≠kelijk van zowel de uitvoerende macht als van de participatie≠ve piramide. Nochtans spelen de wijkverenigingen en hun woordvoerders in feite de rol van motor, zelfs als hun gewicht van plaats tot plaats erg verschilt. Afhankelijk van hun ge≠schie≠denis dragen de wijkverenigingen uiteenlopende namen: volks≠vergaderingen (Conselhos Populares), districtsverenigin≠gen (ArticulaÁaoes Regionais), wijkunies (Unioes de Vilas), buurtbewegingen (Moradores), ... Sommige structuren staan voor iedereen open, terwijl andere veel geslotener functioneren. Sommige hebben een cliŽntelistisch verleden en hebben zich pas laat tot een andere logica bekeerd, terwijl andere altijd deel hebben uitgemaakt van de 'strijdbare' en onafhan≠kelijke fractie van de stedelijke beweging. Sommige staan politiek dichtbij de Arbeiderspartij en de gemeentelijke ploeg, terwijl andere geanimeerd worden door militanten uit de oppositie. Beroepsverenigingen en andere organisaties van de civiele maatschappij zijn eveneens betrokken bij het proces via hun deelname aan de thematische volksvergaderingen (of, wat zeldzamer is, via hun invloed binnen de wijken).

 

4. De participatieve piramide
Tenslotte vormt deze het wezen zelf van de participatieve structuur. Zij neemt een sleutelpositie in tussen de uitvoerende macht en de civiele maatschappij, terwijl de grenzen die haar afscheiden van de civiele maatschappij heel poreus zijn. Het participatieve apparaat is volgens een dubbele dynamiek georganiseerd: de geografische en de themati≠sche. De geografische dynamiek drukt zich uit op 3 niveaus; het eerste is microlokaal; het tweede wordt gevormd door de districten waarin de stad verdeeld is: concrete projecten (zoals de bouw van een school, watervoorziening, openbare verlichting) die door de bewoners op microlokaal niveau werden voorgesteld worden samengeteld en geklasseerd om prioriteiten vast te stellen op districtniveau; het derde niveau, tenslot≠te, wordt vertegen≠woordigd door de participatieve budgetraad (Concelho do OrÁa≠mento Participativo, COP) die de prioriteiten van de stadsdis≠tricten verzamelt om de gemeentelijke investeringen te verde≠len. De thematische dynamiek vertoont dezelfde kenmerken, maar de discussies hebben daar betrekking op specifieke probleem≠velden (zoals gezondheid, hulp aan adolescenten, milieu) op gemeentelijke schaal.

 

 

De participatieve piramide

 

Het microlokale niveau

Op dit niveau maken open vergaderingen het moge≠lijk dat kleine groepjes georganiseerd op het niveau van de buurt, de straat of het huizenblok problemen uit hun onmiddel≠lijke omgeving bediscussiŽren die hen nauw aan het hart lig≠gen. Het biedt hun ook de mogelijkheid om concrete projecten en beleidsthema's voor te stellen aan het openbare bestuur door hun voorstellen in een rangorde op te stellen. Die vergaderingen worden georganiseerd door de bewoners die dit wensen, door de verenigingen of door de afgevaardigden van het participatieve budget, zonder controle vanuit de gemeente. De woordvoerders worden na afloop van de debatten aangewezen om de voorstellen van de groep naar voren te brengen op het hogere niveau. In zeker opzicht lijken zij op de vergaderingen die wijkverenigingen in Franse steden zouden kunnen organiseren als zij de bevolking trachten te mobiliseren rond een specifiek probleem om vervolgens een afvaardiging naar de gekozenen te sturen. Maar het is eenvoudigweg zo, dat het bestaan van het participatieve budget de manier van discussiŽren over microlokale noden wijzigt, omdat er voorstellen met bindende kracht geformuleerd kunnen worden wat de mensen ook stimuleert om mee te doen. De voorstellen die door de basis geformuleerd worden, hebben een redelijke kans om opgenomen te worden in een institutioneel geregeld kader. Dat vormt een sterke motivatie voor de mensen die bij de dynamiek betrokken voelen.

 

Het districtsniveau (regioes)

Het tweede niveau is dat van de districten, 16 in totaal. Voor het functioneren van het participatieve budget is de stad opgedeeld in zones die niet samenvallen met de 84 bestaande bestuurlijke arrondissementen. In de loop van het laatste decennium werden deze 16 districten pragmatisch afgebakend op basis van uiteenlopende criteria die zowel sociodemografisch als politiek van aard waren. Zij vallen meestal samen met eenheden die elk een eigen verenigingstra≠ditie en specifieke stedelijke problemen kennen, maar zij hebben niet allemaal een eigen bijzondere identiteit die als zodanig door de bewoners herkend wordt. Zowel wat geografi≠sche oppervlakte als wat demografisch gewicht betreft, lopen ze ver uiteen: de dunst bevolkte telt 23 000 inwoners, de dichtst bevolkte 271 000. In dit laatste geval is het duidelijk dat de problemen van de wijken in binnen hetzelfde district niet echt samen≠vallen. Hoe het ook zij, het is op het niveau van de dis≠tricten dat de locale plenaire vergaderingen plaatsvinden, die tegenwoordig 100 tot 2000 bewoners samenbrengen. Terwijl het microlokale niveau geschikt is om de deelnemers vertrouwd te maken met de bediscussieerde problemen, die weinig juridische of technische kennis vereisen, is de toegankelijkheidsdrempel op het districtsniveau hoger. Het vereist enige kennis van lokaal beheer en het betekent discussies tussen bewoners van eenzelfde district om de mogelijkheden en moeilijkheden van elke wijk in te schatten en deze te vergelijken met de andere wijken om aldus globale prioriteiten vast te leggen. Deze volksvergaderingen maken het mogelijk om afgevaardigden te kiezen voor de 16 districtsfora, die gedurende het ganse jaar de gesprekspartners zullen zijn van de gemeente, evenals de raadsleden voor de Raad van het participatieve budget, die debatteert over de uitvoering van de grote budgettaire lijnen en hun uiteindelijke realisatie. Tenslotte is het ook op het districtsniveau dat de Fora van afgevaardigden formeel een prioriteitenlijst van interventies vastleggen, gerangschikt per district en per thema.

De thematische vergaderingen
Parallel met deze districtsvergaderingen hebben er thematische vergaderingen plaats die, naar het voorbeeld van de distric≠ten, groepjes van verenigingsvertegenwoordigers of van functi≠onarissen bijeenbrengen in mini-vergaderingen die uitmonden in plenaire bijeenkomsten op stadsniveau (in 1999 en 2000, verza≠melden zij telkens tussen de 100 en 800 personen). Er bestaan 6 thematische commissies: verkeer en transport; gezond≠heid en sociale hulpverlening; cultuur; educatie en vrije tijd; economische ontwikkeling en belastingen; stadsorganisa≠tie; stedelijke en sociale ontwikkeling. De plenaire themati≠sche volksvergaderingen kiezen eveneens hun afgevaardigden voor de thematische Fora en hun raadsleden voor de Raad van het participatieve budget (COP).

Het gemeentelijk niveau
De Raad van het participatieve budget vormt het hoogste niveau van de piramide. Elk van de 16 districten en elk van de thema≠tische volksvergaderingen kiezen 2 effectieve raadsleden en 2 vervangers. Een proportionele stemming staat borg voor een vertegenwoordiging van de diverse gevoeligheden. De Vakbond van gemeentelijke bedienden van Porto Alegre (SIMPA) wijst 2 raadsleden aan (ťťn effectieve en een vervanger), net zoals de Unie van buurtverenigingen van Porto Alegre (UAMPA). De ge≠meentelijke uitvoerende macht van haar kant duidt 4 vertegen≠woordigers aan (2 effectieve en 2 vervangers): 2 voor het GAPLAN en 2 voor de CoŲrdinatie van relaties met de gemeen≠schap (CRC). Deze vertegenwoordigers van de uitvoerende macht hebben een spreekrecht, maar nemen niet deel aan de stemming. Net zoals de afgevaardigden van de districtsfora of themati≠sche fora, worden de afgevaardigden voor de Raad van het participatieve budget voor ťťn jaar verkozen. De afgevaardig≠den en raadsleden mogen geen positie bekleden binnen een commissie van de gemeentelijke administratie, geen drager zijn van een politiek mandaat in de wetgevende of uitvoerende macht en ze mogen ook geen leidinggevende juridische of administra≠tieve functie vervullen; ze mogen evenmin meerdere mandaten tegelijk vervullen in de participatieve structuur.

De COP komt over het algemeen 4 keer per maand samen. Haar rol bestaat erin om het proces van participatie gedurende het gehele jaar te controleren, om de functioneringsregels van het proces vast te leggen op basis van de discussies die op de lagere niveaus gevoerd werden (de districts- en thematische volksvergaderingen, de criteria om de beschikbare hulpbronnen te verdelen en om afgevaardigden te kiezen, enzovoort), om steun te verlenen aan de projecten van het lopende budget of van budgetten op langere termijn die voorgelegd zullen worden aan de gemeenteraad, om een evaluatie door te voeren van het budget van het voorbije jaar en om de afgevaardigden aan te wijzen voor de permanente commissies die het budget coŲrdine≠ren. De Raad van het participatieve budget is de dus de be≠langrijkste dialoogstructuur tussen het gemeentelijk bestuursapparaat en de participatieve piramide, maar hij is in grote meerderheid samengesteld uit vertegenwoordigers van deze laatste (88 van de 96 leden zijn afkomstig uit de participa≠tieve structuur). Om het functioneren van de COP mogelijk te maken stelt de gemeente de vereiste infrastructuur en middelen ter beschikking: een vergaderzaal, telefoon, enzovoort. Bovendien organiseert de gemeente vormingscursussen over het gemeente≠lijk budget en stelt de raadsleden via een computerterminal alle informatie ter be≠schikking die betrekking heeft op het budget, het verloop van het investeringsplan en de evolutie van de vraag naar diensten.

Op dit niveau stellen de deelnemers zich niet enkel tevreden met beslissingen over de investeringen die gedaan moeten worden. Zij debatteren eveneens over de andere posten van het budget (lonen, functioneringskosten, enzovoort). Hier moet opgemerkt worden dat het type van openbaar bestuur dat een Braziliaanse gemeente zoals Porto Alegre in de praktijk kan brengen toch wel aanmerkelijk verschilt van dat van Franse steden van dezelfde omvang. Naast een stedelijke context die gekenmerkt wordt door problemen die specifiek zijn voor de Derde Wereld (zoals het bestaan van sloppenwijken - favela's), bestaat het voornaamste verschil erin, dat er geen sociale huisvesting in beheer van maatschap≠pijen die onder gemeentelijke controle staan, bestaat. Het gemeente≠lijke optreden op het vlak van urbanisatie en huisves≠ting richt zich in de allereerste plaats op het leefbaar maken van terreinen om hun 'favelisatie' te vermijden, om stromend water en rioolafvoer te installeren, om wegen te asfalteren, om bij te dragen tot de verfraaiing van vervallen gebouwen, om eigendomsaanspraken te regulariseren en eigendomstitels uit te reiken. Daartegenover staat dat de watervoorziening een ge≠meentelijke voorziening is, alhoewel de huidige regering in het hele land een algemene privatisering probeert door te voeren (in 2001 werd er door de gemeenteraad met quasi-unanimiteit voor een amende≠ment op de organieke wet van Porto Alegre die erop gericht was om de wateruitbating in handen te houden van gemeentelijke openbare onderneming gestemd).

De cycli van het participatieve budget
De participatieve uitwerking van het budget vormt een continu proces, dat zich over het hele jaar uitstrekt.

Een eerste cyclus speelt zich af in maart-april. De uitvoeren≠de macht legt rekenschap af over de uitvoering van het budget in het voorafgaande jaar en stelt het budget van het lopende jaar voor tijdens de eerste zitting van de plenaire bijeenkom≠sten (regionale en thematische). Een deel van de afgevaardig≠den worden gekozen in de loop van deze eerste zitting. Hun verkiezingscampagne krijgt veel publiciteit en de verkiezing vormt de aanleiding voor nogal wat discussies. Het aantal afgevaardigden per district en per thema is afhankelijk van het aantal ingeschrevenen voor de eerste volksvergaderingen op districts- of thematisch niveau. De deelnemers zijn verplicht aan te geven van welke gemeenschap, wijk of vereniging zij lid zijn. Deze reeks bijeenkomsten worden georganiseerd door de gemeente in samenwerking met de paticipatieve Fora.


Een tweede cyclus, de tussenliggende, heeft plaats tussen maart en juni, en wordt voornamelijk beheerd door de participatieve structuur. In deze fase vinden de talrijke wijkvergaderingen plaats waar de deelnemende bewoners hun wensen kenbaar kunnen maken, deze wensen tegen elkaar afgewogen en gerangschikt worden binnen de Fora en voorgesteld aan de gemeente en de Raad van het participa≠tieve budget (COP). Gelijklopend daarmee kiezen de plenaire vergaderingen nieuwe afgevaardigden voor de Fora indien het aantal ingeschrevenen is toegenomen. Binnen het kader van deze cyclus bereikt de participatie van de bewoners zijn hoogtepunt. Deze fase maakt inderdaad de rangschikking van de bediscussieerde prioriteiten binnen de structuur mogelijk en bakent een harde kern van voorstellen af die vervolgens door de uitvoeren≠de macht verdedigd zullen worden tegenover de gemeen≠teraad. Deze harde kern komt overeen met een minimaal 'sociaal contract' dat de basis voor de legitimiteit van het hele proces vormt.


De derde cyclus, die doorgaat in juni-juli, is ongetwijfeld formeler dan de vorige en trekt daarom ook minder publiek (haar samensmelting met de eerste cyclus is ťťn van de moge≠lijke hervormingen die tegenwoordig overwogen wordt). Een tweede zitting van de plenaire vergaderingen kiest de raadsleden voor de COP, terwijl de Fora en de uitvoerende macht een lijst van de gerangschikte eisen op districts- en thematisch niveau en van de grote lijnen van het komende budget presenteren. Gedurende deze drie cycli, waarin de betrok≠kenheid van de gewone burgers het grootst is, worden de volks≠vergaderingen opgefleurd met allerlei culturele en theatrale voorstellingen die het hele proces moeten populariseren en de belangstelling van de deelnemers bevorderen. Gelijktijdig daarmee wordt een feestbus ter beschikking gesteld van de kinderen die door hun ouders meegebracht worden naar de verga≠deringen, omdat ze geen kinderoppas vonden.

Een vierde cyclus gaat van start vanaf juli en gaat door tot begin september. In deze fase wordt er een intense dia≠loog gevoerd tussen de gemeentelijke administratie, voornamelijk via het GAPLAN, en het nieuwe COP. Op basis van de prioriteiten die vastgelegd werden door de Fora en de eisen die geformuleerd werden door de administraties, brengt het GAPLAN een synthese tot stand die voorgesteld wordt aan het COP, nadat zij eerst goedgekeurd werd door de andere geledingen van de uitvoerende macht. De keuzecriteria en de concrete evaluatie van de voorstellen worden bediscussieerd door de COP: dit gebeurt in openbare zittingen die een reŽle controle vanuit de basis mogelijk maken. Afhankelijk van de resultaten van dit overleg en van de onderhandelingen met het gemeentebestuur, doet het GAPLAN het budgetplan toekomen aan de burgemeester die het op zijn beurt weer voorlegt aan de gemeenteraad (waarvoor de wettelijke limietdatum is vastgelegd op 30 september).

Dan begint de laatste cyclus: het gaat om de klassieke fase waarin het budget bediscussieerd wordt door de gemeente≠raad (die haar werkzaamheden uiterlijk 30 november moet beŽindigen). Deze cyclus speelt zich hoofdzakelijk af buiten de participatieve structuur, die van haar kant de criteria en procedures bespreekt die het komende jaar van kracht zullen zijn en ook het verloop daarvan voorbereidt. Alles welbeschouwd kan men zeggen, dat de eerste drie cycli voornamelijk de zaak zijn van de eerste twee niveaus (het microlokale en het districts- en thematische niveau), terwijl de laatste twee vooral de zaak zijn van de top van de piramide (COP).


De drie toetsingscriteria van de budgettaire keuzes

 

De toetsingscriteria voor de budgettaire verdeling vormen het hart van de participatieve dynamiek die ontwikkeld is in Porto Alegre. Hoewel ze niet altijd expliciet geformuleerd worden, kan men ze onderbrengen in drie categorieŽn. De eerste berust op een democratische meerderheidslogica, waarbij het aantal aanwezigen en hun 'subjectieve' oriŽntaties doorslagge≠vend zijn. De tweede vestigt een logica van verdelende recht≠vaardigheid, door een bonus toe te kennen aan de minst bevolk≠te en meest achtergestelde wijken. Als deze bonus voor het komende jaar door de Raad van het participatieve budget na discussies aan de basis eenmaal is vastgelegd, vormt hij een 'objec≠tief' gegeven voor de deelnemers aan de volksvergaderingen en de afgevaardigden in de Fora, die niet meer veranderd kan worden. Hetzelfde geldt trouwens voor een derde categorie van criteria die uitgewerkt worden door de gemeentelijke diensten en goedgekeurd door de COP en die vanuit een technische logica de tekorten aan basisuitrusting en basisinfrastructuur en de projecten van de bewoners evalueren.

De logica van de democratische meerderheid
Het democratische meerderheidscriterium speelt op verschillen≠de niveaus. Eerst en vooral, en ook heel duidelijk, op het niveau van de wijken en van het microlokale. Er wordt op dat niveau heel duidelijk een bonus toegekend aan de deelname, omdat het aantal afgevaardigden in het districtsforum bepaald wordt aan de hand van het aantal ingeschreven deelnemers aan de plenaire volksvergaderingen (ťťn afgevaardigde voor 10 aanwe≠zigen voor de eerste 100 deelnemers, ťťn afgevaardigde voor 15 aanwezigen voor de volgende 100 deelnemers, enzovoort). Dit betekent dat de best gemobiliseerde wijken, die de meeste deelnemers trekken, beter vertegenwoordigd zullen zijn in de Fora dan de anderen en ook beter de beslissingen zullen kunnen beÔnvloeden betreffende de geografische en thematische priori≠teiten die binnen hun schoot genomen worden. Natuurlijk is het niet vanzelfsprekend dat wijkafgevaardigden zich egoÔstisch zouden moeten gedragen en slechts diť projecten ondersteunen die direct in hun belang zijn. Maar zelfs, indien er een serieuze gerichtheid bestaat op het algemeen belang, dan nog zullen zij meer gewicht in de schaal werpen bij de invulling van dit algemeen belang dan de andere wijken. Op het microlokale niveau vormt deze democratische meerderheidslogica een sterke stimulans voor participatie.

Deze logica wordt daarentegen grotendeels geneutraliseerd wanneer we ons op het niveau van de stad begeven: elke wijk kiest hetzelfde aantal vertegenwoordigers in de COP, wat ook het aantal aanwezigen geweest mag zijn in de volksvergade≠ringen. Men kan zich zeker voorstellen, dat een goed gemobili≠seerde wijk haar visies meer gewicht zal kunnen geven in de onderhandelingen met de uitvoerende macht die plaatshebben in de derde fase van het proces. Die invloed speelt echter slechts indirect en is 'extra-procedureel' - zij vloeit niet voort uit de geÔnstitutionaliseerde voorzieningen van het participatieve budget en heeft in ieder geval plaats in een ander systeem. Tenslotte speelt de meerderheidslogica ook mee binnen de COP, als het erom gaat de functioneringsregels en de budgettaire verdelingscriteria vast te leggen, wat gebeurt bij eenvoudige meerderheid. Op dat niveau functioneert de meerderheidsregel echter niet ten gunste van een grote participatie door de basis en evenmin van het demografische gewicht van de wijken, omdat de dunst bevolkte districten hetzelfde aantal vertegenwoordigers hebben als de dichtst bevolkte. Zoals dikwijls het geval is met de hoge kamers (senaat) van landen met een federale structuur, worden kleine eenheden beter vertegenwoordigd dan de grote, rekening hou≠dend met hun demografisch gewicht.

Met de democratische meerderheidsregel die tot uiting komt in de districten wordt rekening gehouden in de geformaliseerde criteria voor budgettaire verdeling die elke jaar vastgelegd worden door de COP na discussies aan de basis en in samen≠spraak met de gemeente. Die criteria zijn aan verandering onderhevig, zelfs al stelt men er sterke constanten in vast. Ze worden gebruikt om na te gaan op welke vragen, die geformu≠leerd werden in de verschillende districten en thematische commissies, men in kan gaan. Het is in die hoedanigheid dat ze een rol spelen in het vastleggen van de 'matrix' van het participatieve budget. Voor het budget van 2001-2002 zijn er drie van die geformaliseerde criteria: de prioriteiten die door de bewoners werden genoemd, de tekorten aan basisdien≠sten en basisuitrusting en het aantal inwoners. Slechts het eerste criterium is gebaseerd op de democratische meerder≠heidsregel, omdat hij overeenkomt met de keuzes die de burgers maken op basis van een eenvoudige meerderheid bij monde van hun vertegenwoordigers. Elk district moet vier prioriteiten selecteren uit een geheel van dertien mogelijke beleidsdomei≠nen. Die dertien domeinen zijn de volgende: watervoorziening, huisvesting, vuilnisophaaldienst, educatie, sociale hulpverlening, gezondheid, vervoer en verkeer, parken en speelpleinen, sport en vrije tijd, openbare verlichting, economische ontwikkeling, cultuur en gezondmaking van de omgeving.

Op microlokaal niveau maakt elke vereniging, elk straatcomitť een overzicht van zijn behoeften: de bussen bereiken onze wijk niet omdat er geen verharde wegen zijn, de weg laten asfalte≠ren is dus een prioriteit; de meest nabije medische voorzie≠ning is op 10 kilometer afstand, wat te doen als ik een pro≠bleem heb en niet over een bus of een auto beschik? De riolen liggen open in onze wijk waardoor er zich een enorme stank verspreidt en de gezondheid in gevaar is; ik wil mijn woonomstandigheden in overeenstemming laten brengen met de voorschriften, ik wil dat het huis dat ik ge≠bouwd heb en het terrein waarop het gebouwd is mij toebehoren; we moeten een kleuterschool hebben, want er zijn hier veel kinderen; ik wil leren lezen en ik ben niet de enige, er moet dus een voorziening komen voor volwasseneneducatie ... Ver≠enigd in hun microdistrict discussiŽren de bewoners over hun noden, classificeren ze onder thema's en brengen er een rang≠orde in aan: voordat men een medische voorzieningkrijgt, moet men vragen om afvoerriolen en buizen te installeren. In de geciteerde voorbeelden dringen zich vooral de thema's van het ophalen van vuilnis, de gezondheid, de gezondmaking van de omgeving, de huisvesting en de educatie op. Hetzelfde proces doet zich voor in de thematische bijeen≠komsten, maar speelt zich deze keer af op het niveau van de vakbonden, de NGO's, de verenigingen en de verschillende ambtenaren.

De volgende fase is de plenaire vergadering van alle bewoners≠groepen van een bepaald district. Deze groepen zijn nu verza≠meld rond hun eisen en elke ingeschreven persoon noemt de naam van zijn groep bij het begin van de plenaire districtsver≠gadering. In de loop van die bijeenkomst wordt er een synthese gemaakt van de eisen op basis van de thematische prioriteiten die de microdistricten hebben vastgelegd. Als de prioriteiten onmiddellijk in het oog springen via een optelsom van de punten die de microdistricten aan de thema's gegeven hebben, dan worden ze geselecteerd. In betwistbare gevallen gaat men na een debat dat erop gericht is de knoop door te hakken over het algemeen over tot een stemming. Elk district legt aldus zijn globale thematische prioriteiten vast door hun met de cijfers van 1 tot 4 te quoteren. De voorgedragen themaís zonder prioriteit worden met 0 gequoteerd.

Het komt er nu op aan deze toegekende punten op te tellen op stadsniveau, zodat het mogelijk wordt globaal de thematische prioriteiten vast te stellen. Dat is het onderwerp van de eerste budgettaire 'matrix'. Deze omvat thema's als watervoor≠ziening, huisvesting of educatie en deelt ze op in deelthe≠ma's: de watervoorziening impliceert de waterleiding, de riolering, de opvang van regenwater, de waterafvoer en het uitbaggeren van waterlopen; de huisvesting omvat het legaliseren van grondeigendom, verplaatsing van nederzettingen, enzovoort. Elk thema krijgt nu een puntenquotering op het niveau van de stad: het kan bijvoorbeeld 4 punten krijgen van het Centro-district, 1 punt van het Norte-district, enzovoort. Het totaal bepaalt zijn relatieve prioriteit op het niveau van de stad. In deze fase is die eerste matrix dus uitsluitend samengesteld op basis van een democratisch meerderheidscrite≠rium: deze registreert enkel de keuzes die gemaakt werden door de burgers zonder er inhoudelijke correcties aan toe te voe≠gen. Dat heeft tot gevolg dat er proportioneel meer gewicht wordt toegekend aan de bewoners van dun bevolkte districten: het district Centro, met zijn 270.000 in woners, weegt niet zwaarder dan het district Extremo Sul dat er slechts 23.000 telt. De overgang van het algemeen belang op districtsniveau naar het algemeen belang op stadsniveau heeft dus plaats op een zuiver cumulatieve basis: eerder vanuit een rekenkundig perspectief dan vanuit geargumenteerde overwegingen.

Uitgaande van deze matrix zal het GAPLAN de grote budgetaire lijnen van de stad vastleggen, waarbij eveneens rekening wordt gehouden met de aanwijzingen die de thematische vergaderingen geven (waarin de functionarissen van de verschillende gemeen≠telijke diensten een flinke vinger in de pap hebben), de investeringen waartoe besloten werd in het kader van de lange-termijn-planning en de institutionele behoeften die erop gericht zijn de continuÔteit van de openbare diensten op de verschillende domeinen te verzekeren (inbegrepen diegene die als niet-prioritair uit de puntentoekenning van de districten zijn voortgekomen). De integratie van die uiteenlopende eisen laat een nuancering toe van de rekenkundige logica van de voor≠gaande fase. De uitkomst van het gehele proces is de uitwerking van een eerste matrix die de uitgaven verdeelt over de ver≠schillende gemeentelijke diensten. Nadat ze is voorge≠legd aan de financiŽle diensten en het kabinet van de burge≠meester wordt ze voorgesteld binnen het COP om er, na eventuele amendementen over te stemmen.

 

De logica van de verdelende rechtvaardigheid
Wanneer het erop aankomt om de beschikbare hulpbronnen te verdelen over de verschillende geografische districten dan treden twee andere logica's in werking: de technische criteria en de verdelende rechtvaardigheid. Deze laatste drukt zwaar zijn stempel op het tweede geformaliseerde criterium van de budgettaire verdeling die gebaseerd is op de tekorten aan diensten en infrastructuur in de verschillende districten. In functie van een indicator die opgesteld wordt door de techni≠sche diensten van de gemeente krijgen de districten een quotum toegekend lopend van 1 tot 4 afhankelijk van de grootte van de tekorten. Voor het budget van 2001 werd aan dit criterium de coŽfficiŽnt 4 toegevoegd in de globale matrix voor de verdeling van de hulpbronnen. Het derde geformaliseerde criterium is erop gericht de demografisch onevenwichtigheid tussen de verschillende districten te beperken. In 2001 kregen ze een quotum van 1 tot 4 toegekend afhankelijk van hun bevolking: 1 voor een district met minder dan 25 000 inwoners, 2 tussen 25 en 45 000 inwo≠ners, 3 tussen 45 000 en 90 000 inwoners en 4 boven de 90 000 inwoners. Aan dit quotum werd dan weer een coŽfficiŽnt 2 toegevoegd. Hetzelfde jaar werd aan het eerste geformaliseerde criterium, dat van de door de bewoners gerangschikte priori≠teiten (die zich ook vertaalde in een toekenning van quota van 1 tot 4), een coŽfficiŽnt 5 toegevoegd. Door de toegekende quota, afhankelijk van de 3 geformaliseerde criteria, op te tellen en daarna te vermenigvuldigen met hun respectievelijke coŽffici≠Žnten, komt men uit op een tweede verdelingsmatrix, die de wensen van de verschillende districten met elkaar in evenwicht brengt, afhankelijk van de bevolking en het tekort aan diensten en infrastructuur. Geen enkele berekening wordt echter gemaakt door rechtstreeks uit te gaan van deze tweede matrix.

 

De concrete toekenning van de beschikbare hulpbronnen gebeurt door middel van een derde matrix, die het mogelijk maakt de sommen te berekenen die effectief toegekend zullen worden aan elk dis≠trict per gegeven categorie investeringen. Nemen we het voor≠beeld van de asfaltering. De middelen die besteed zullen worden aan het asfalteren van de straten werden vastgesteld in de eerste matrix, die het mogelijk maakte om deze categorie van investe≠ringen te rangschikken in vergelijking met de andere catego≠rieŽn en dit in functie van de prioriteiten die verwoord werden door de actieve burgers. Laat ons aannemen dat, uit≠gaande van de eerste matrix, 20 kilometer wegen geas≠falteerd kunnen worden gedurende het lopende budgettaire jaar. Om te weten te komen, hoeveel kilometer aan elk district toekomt, moeten we te werk gaan in verschillende fasen. De eerste fase bestaat erin het totaal aantal 'punten' die verdeeld worden over de verschillende districten te berekenen. Het district Centro ziet zich 12 punten toegekend: 8 omwille van zijn bevolking (quotum 4 want het is heel dicht bevolkt met daaraan toegevoegd de coŽfficiŽnt 2); 4 omwille van zijn tekorten (quotum 1 want er zijn op dat vlak geen tekorten in Centro met daaraan toegevoegd de coŽfficiŽnt 4); 0 omwille van zijn prioriteiten (quotum 0 want asfaltering komt niet voor in zijn prioriteiten met daaraan toegevoegd de coŽfficiŽnt 5). Het district Nordeste op zijn beurt krijgt 20 punten toegekend: 2 omwille van zijn bevolking (quotum 1 want het is weinig be≠volkt met daaraan toegevoegd de coŽfficiŽnt 2); 8 omwille van zijn tekorten (quotum 2 want Nordeste is relatief goed voor≠zien van geasfalteerde wegen met daaraan toegevoegd de coŽfficiŽnt 4); 10 omwille van zijn prioriteiten (het staat op de tweede plaats in zijn prioriteiten met daaraan toegevoegd de coŽfficiŽnt 5). Door alle punten van elk district op te tellen komt men op een totaal dat het mogelijk maakt om het percentage van elke sector in die materie te bepalen: als het totaal aantal punten op stadsniveau 400 bedraagt dan laat een eenvoudige regel van 3 ons toe te berekenen dat het district Centro recht zal hebben op 3% van de investeringen (12 gedeeld door 400 en vermenigvuldigd met 100) en het district Nordeste op 5%. De twee districten zullen dus respectievelijk kunnen rekenen op 600 en 1000 meter van de 20 kilometer te asfalteren weg.


De effecten van de verdelend erechtvaardigheid
Wat is nu het effect van de verdelende rechtvaardigheid? Het relatief gewicht van het democratische meerderheidscriterium en de criteria van verdelende rechtvaardigheid zijn ontegenspre≠kelijk sleutelelementen om het zwaartepunt van de participa≠tieve structuur vast te stellen. Dat zwaartepunt heeft zich in de loop van het decennium verplaatst en vormt een niet te verwaarlozen spanningshaard tussen de gemeentelijke uitvoeren≠de macht en de Fora van de districten. Gezien vanuit het respectie≠velijke gewicht van elk van de drie geformaliseerde criteria van de budgettaire verdeling (prioriteiten van de bewoners, de bevolking en de tekorten) is het duidelijk dat de democrati≠sche meerderheidslogica die aan het werk is binnen het kader van elk district een aanzienlijk stempel zal drukken op de toewijzing van de investeringen: de meerderheidskeuze van de bevolking van een district krijgt de sterkste coŽfficiŽnt toegekend (5 in 2001) in de matrix die het mogelijk maakt om het budget te verdelen. Het criterium van de verdelende rechtvaardigheid dat de meest kansarme districten bevoordeelt, weegt eveneens zwaar. De politieke wil om de meest behoeftigen voor te trekken en om een politiek te voeren van positieve discrimina≠tie op ruimtelijke basis drukt zich uit in het belang dat toegekend wordt aan investeringen die er in de eerste plaats op gericht zijn om iets te doen aan de bestaande tekorten.

Als de criteria zich in de loop der jaren hebben ontwikkeld, dan is die politieke wil de constante gebleven en zij heeft ontegenzeggelijk verdelende effecten teweeggebracht zoals Aldamir Marquetti heeft aangetoond [Democracia equidade e efficientia: o caso do orÁamento participativo em Porto Alegre Ė lezing op het colloquium ĎOrÁamento Participativo: A experimencia sob o olhar do mundoí, Porto Alegre, 31 mei-2 juni 2001]

Als men de investeringen van de periode 1992-2000 per district onder de loupe neemt, dan stelt men een duidelijk verband vast tussen een zwak middeninkomen van huishoudens en een investeringsvoet in het district die hoger uitvalt dan het aandeel van dit district in het geheel van de bevolking. Omgekeerd profiteren de meest welvarende districten minder van investeringen dan hun aandeel in de bevolking zou doen verwachten. Aan het ene uiteinde van de schaal ontvangt het meest welvarende district Centro (met in 1991 een middeninkomen per gezinshoofd gelijk aan 11,4 keer het minimumloon) slechts 4,33% van de investeringen, terwijl het 21% van de stadsbevolking uitmaakt. Aan de andere kant van de schaal ontvangt het armste district Nordeste (met een middeninkomen per gezinshoofd gelijk aan 2,19 keer het minimumloon) 5,40% van de investeringen, terwijl het niet meer dan 1,89% van de stadsbewoners telt. Het participatieve budget heeft dus zeer zeker een ingrijpend verdelend effect tussen de districten en de investering in de armste zones.(...)

Als men zich meer in detail buigt over de investeringen per district dan zijn er, zoals Aldamir Marquetti terecht opmerkt, twee uitzonderingen op deze dynamiek van positieve discrimina≠tie: arme maar dicht bevolkte districten (Partenon en Eixo Balthazar) worden achtergesteld vergeleken met het gemeente≠lijk gemiddelde en nog meer als men hen vergelijkt met de arme maar dun bevolkte districten. Inderdaad lijkt de omvang van de districten een belangrijk, maar niet systematisch, criterium te zijn voor het investeringsniveau: hoe dichter bevolkt een district is, des te geringer is de investering per bewoner. De zeven minst bevolkte districten ontvangen allemaal meer investeringen per hoofd dan het gemiddelde, hoewel ťťn van hen - het district Cristal- deel uitmaakt van de zones die zich situeren in het gemeentelijke gemiddelde van het midden≠inkomen (Cristal ontvangt 4,47% van de investeringen terwijl het slechts 2,34% van de inwoners telt). Omgekeerd ontvangen de vijf meest bevolkte districten minder dan het gemiddelde in termen van investeringen/inwoner, terwijl ťťn van hen, het district Partenon, toch behoort tot de kansarmste districten van de stad (het ontvangt 5,66% van de investeringen ter≠wijl 8,88% van de inwoners van Porto Alegre er wonen). Die verde≠lende rechtvaardigheid die de dunst bevolkte districten be≠voordeelt kan in belangrijke mate verklaard worden, doordat de vermenig≠vuldigingscoŽfficiŽnt die toegevoegd wordt aan het demografi≠sche criterium niet sterk genoeg is om de grote ongelijkheden tussen de bewoners van de verschillende distric≠ten te compen≠seren.

Van de twee criteria van verdelende rechtvaardigheid die de budgettaire matrix van Porto Alegre bepalen, komt alleen de eerste - die van de sociale rechtvaardigheid gericht op voorrang voor de armsten Ė tot zijn recht in het gemeentelijk debat en in de participatieve structuur. Het tweede criterium - waarbij voorrang gegeven wordt aan dun bevolkte gebieden - is tot nog toe grotendeels onopgemerkt gebleven, misschien omdat het dichtst bevolkte district Centro ook het meest bevoorrecht is in termen van inkomen, huisves≠ting en educatie. Het wordt dus als eerste getroffen door een logica die een positieve discriminatie tot stand lijkt te brengen in termen van sociale rechtvaardigheid.

De technische logica
Hoe het ook zij, de derde soort logica die de budgettaire verdeling beÔnvloedtis van technische aard. Ze komt tot uiting in het tweede geformaliseerde criterium van de matrix van budgettaire verdeling, die van de tekorten in diensten en infrastructuur. De coŽfficiŽnten die als berekeningsbasis dienen voor dit criterium worden uitgewerkt door de technische diensten van de stad en de participatieve structuur is niet in staat om deze echt te controleren. In afgezwakte vorm geldt dit eveneens voor de technische criteria op grond waarvan sommige projecten afgewezen worden.

Sinds 1992 heeft de gemeente besloten om niet meer automatisch die projecten te accepteren die door de bewoners naar voren geschoven worden en geselecteerd volgens de criteria die we hierboven beschreven hebben. Zij vraagt aan de gemeentelij≠ke diensten om een evaluatie van tevoren houden van de haalbaarheid van de projecten en van de verhouding tussen de vereiste investering en de verwachte rentabiliteit van de operatie. Deze ombuiging voorkomt dat de chaotische situatie van de beginjaren, toen sommige onleefbare projecten aanvaard werden (met name vanwege juridische redenen), zich zou herhalen. Het spreekt vanzelf dat het buizennet dat door een buiten het centrum gelegen district gevraagd wordt, slechts zin heeft als de aansluiting met het globale net verzekerd is en dat die aansluiting veel minder rendabel is als ze niet tege≠lij≠kertijd gerealiseerd wordt in de wijken gelegen tussen het desbetreffende district en de rest van het netwerk. Tegenwoor≠dig kan de aanleg bijvoorbeeld niet meer gerealiseerd worden als de wijk aangeduid wordt als een 'risicogebied', als het betreffende grondgebied een hellingsvlak heeft van meer dan 30%, als de geologische voorwaarden voor bebouwing niet aanwe≠zig zijn (een rotsachtige ondergrond, rivieroevers), als niet voldaan wordt aan de ecologische normen, enzovoort.

Het resultaat van de invoering van technische criteria was, dat in de aanvangsfase, de technische diensten opnieuw gingen beschikken over een bewegingsruimte die grensde aan wille≠keur. In naam van technische beperkingen die alleen zij konden beoordelen, werden de projecten die naar voren geschoven werden door de participatieve piramide afgewezen. De technici konden per geval telkens nieuwe argumenten gebruiken zonder dat de afgevaardigden en raadsleden in staat waren hun logica en systematiek te controleren. Reagerend op de protesten die deze situatie uitlokte, werd besloten dat de gemeentelijke diensten de gebuikte technische criteria openbaar moesten maken en dat deze bediscussieerd konden worden door de COP om aldus het gewicht van de expertise-macht van de ambtenarij te beperken. Het werd vanaf dan mogelijk voor de districtsfora om afkeuringen die slechts ingegeven werden door technische motieven te betwisten en sommige projecten werden dan ook politiek opgelegd tegen de uitspraak van de gemeentelijke diensten in. Het COP heeft meermaals haar veto uitgesproken tegen een weigering van uitvoering omdat op die manier de toch wel legitieme eisen van de bewoners genegeerd zouden worden.

Dit op gang komen van een technische democratie heeft echter zijn beperkingen. Er bestaat geen echte studie over de evalua≠tie van de invloed van de verschillende criteria of over hun ontwikkeling sinds de aanvang van het proces van het participatie≠ve budget. In feite lijken de raadsleden nauwelijks over voldoende middelen te beschikken om het tekort aan diensten en infrastructuur op een andere wijze te beoordelen. De relevante informatie is niet publiekelijk beschikbaar en waarschijnlijk beschikt zelfs de gemeente niet over betrouwbare gegevens betreffende deze tekorten. Intussen echter ontwikkelen de carto≠grafische instrumenten die steeds vollediger worden zich waardoor de situatie op de duur opgeklaard zal worden. Raadsleden en afgevaardigden zijn beter in staat de gefundeerdheid van technische criteria, vooral die van juridische aard, te con≠troleren. De gemeente stelt hun de nodige gegevens ter beschik≠king. Bovendien kunnen de vertegenwoordigers van de participa≠tieve piramide zich gemakkelijker laten bijstaan door gekwali≠ficeerde personen die wellicht zelfs niet verbonden hoeven te zijn met het gemeentelijk bestuur.