DE
SANS-CULOTTEN[1]
EN HUN WIJKORGANEN IN REVOLUTIONAIR PARIJS
door
Ronald de Vries
Voor het historisch materiaal is voornamelijk geput uit R. B. ROSE, The making of the 'sans-culottes': Democratic ideas and institutions, 1789-92 (1983) en Albert SOBOUL, The Sans-culottes: The Popular Movement and Revolutionary Government, 1793-1794 (1980)
"Hoewel de militante sans-culotten niet in staat waren een origineel en efficiënt sociaal programma te ontwerpen, brachten zij een reeks samenhangende ideeën op het politieke strijdtoneel die hen tot de meest vooruitstrevende groepering van de Franse Revolutie maakte." [Albert Soboul, The Sans-culottes, 1980 p. 95]
Van
verkiezingsvergaderingen tot algemene vergaderingen
Als
op 20 mei 1795 (1 prairial jaar III)
de sans-culotten
de Nationale Conventie (parlement) binnenstormen, roept een hunner tegen de verbijsterde
afgevaardigden: "Weg met jullie; wij gaan zelf de Conventie vormen!"
is dat het laatste wanhopige wapenfeit van het Parijse volk
om
een vorm van directe democratie uit de Revolutie geboren te laten worden.
Het verhaal
begint op 13 april 1789 als Parijs terwille
van de verkiezingen van de Staten Generaal (op 21-22 april 1789) bij koninklijk
besluit in 60 districten wordt verdeeld.
De 3 standen, moeten elk
in een eigen vergadering per district (assemblée primaire), leden
voor de Kiesraad van Parijs kiezen (één kiesman per 100 bewoners),
die op hun beurt de 20 afgevaardigden van Parijs, in de Staten Generaal moeten
kiezen. De burgers van de 3e stand nemen in die vergaderingen bepaald geen volgzame
houding aan:
"Op 21 april 's-morgens ontmoeten mannen van de derde stand, die nog nooit samen politieke actie gevoerd hadden, elkaar voor het eerst om te onderhandelen op een wijze die geen precedent kende. Binnen een paar uur hebben deze ad hoc vergaderingen (van 25-500 man), van de ene straathoek tot de andere, improviserend stemprocedures ontworpen, commissies ingesteld, gedragsregels voor afgevaardigden bedacht, concepten voor publicatie van hun procedures gemaakt en een communicatie-netwerk opgebouwd met zustervergaderingen en vergaderingen voor de adel en de geestelijkheid." [R. B. Rose The making of the 'sans-culottes', 1983, p. 25.]
Hoewel de districtsvergaderingen na de verkiezingen geen officiële rol meer hebben, zijn de burgers van de 3e stand in enkele districten niet meer uit de vergaderingen weg te slaan en zo vormt men de verkiezingsvergaderingen spontaan om tot algemene vergaderingen (assemblées generales), waarin niet alleen afgevaardigden gekozen worden, maar ook over maatschappelijke kwesties gediscussieerd wordt. De districtsvergadering van Saint-Nicolas-des-Champs vindt het haar eerste taak om - ondanks het feit dat de regering de Parijzenaars dat had verboden, in tegenstelling tot de rest van Frankrijk - bezwaarschriften (Cahiers des Doléances) op te stellen,
"opdat iedere burger die deel uitmaakt van de vergadering z'n eerste vrijheidsdaad kan volbrengen om publiekelijk z'n ideeën en z'n visie te uiten en daarmee een wezenlijke bijdrage te leveren aan het herstel van de staat" [Cahier de l'assemblé partielle du Tiers Etat de la Ville de Paris séante en l'Eglise de Saint-Nicolas-des-Champs, Quartier Saint-Denys, Premier District; gecit. bij Rose The making of the 'sans-culottes', p. 25]
De
districten willen hun eigen publieke zaken regelen en eisen het recht van permanentie.
In een pamflet
van 10 april 1790 wordt onder permanentie het recht verstaan om maandelijks te
vergaderen en daarbuiten als men dat, vanwege bijzondere omstandigheden nodig
achtte en om permanente commissies te vormen. Zij
vormen burgerwachten als tegenhanger van de koninklijke legers. Zo wordt binnen
enkele uren op 13 juli, in samenwerking het Permanente Comité van de Parijse
Kiesraad, een burgerwacht van 40.000 man gevormd, die later als Nationale Garde[2]
wordt aangeduid. Een gekozen raad, waarin ieder district 5 vertegenwoordigers
koos, vormde van 19 september 1789 tot midden 1790 het centrale gemeentebestuur.
De benoemingen van de eerste burgemeester (Bailly) en het eerste hoofd van de
Nationale Garde (La Fayette) worden door de districten één voor
één bekrachtigd.
De districtsvergaderingen creëren
permanente uitvoerende commissies, waarin onbezoldigde ambtenaren (behalve bureausecretarissen),
vooral gekozen uit de beter gesitueerden (veelal juristen, zoals bijvoorbeeld
Danton in het Cordeliersdistrict) zitting hadden. Sommige districten tellen 60
ambtenaren. Een commissie bestaat uit zo'n 20 mensen en hun vergaderingen waren
meestal openbaar. Sommige districten riepen hulpcommissies in het leven die fondsen
werven, gaarkeukens openden en werk verschaften: spinners en straatvegers en artsen
in dienst namen. Deze uitvoerende commissies vervulden vele maatschappelijke functies
op wijkniveau:
werkloosheidsbestrijding: er werden werkplaatsen voor werkloze handwerklieden
(met geleend geld) opgezet.
armoedebestrijding: gaarkeukens;
het Cordeliersdistrict hief op initiatief van Georges
Danton een belasting voor de armen.
economisch verkeer: voedseldistributie, winkelsluitingstijden, maten
en gewichten, arbitrage bij arbeidsconflicten
veiligheid: verkeersleiding, straatverlichting, brandweer
gezondheid
en hygiëne: vuilnisophaal, straatvegers, wijkartsen
toezicht
op de goede zeden: controle op gokhuizen en bordelen, verwijderen van politiek
"incorrecte" aanplakbiljetten.
Bij
al deze activiteiten moet veel geïmproviseerd worden, want Parijs kende onder
het ancien régime geen onafhankelijk (vertegenwoordigend) gemeentebestuur.
De districtsvergaderingen vormen voor het Parijse volk als het ware de eerste
leerhuizen voor directe democratie. Deze vergaderingen van de bourgeoisie beginnen
geleidelijk aan steeds meer aantrekkingskracht uit te oefenen op grote delen van
het gewone volk (de 4e stand) wat later de sans-culottes genoemd zou worden
en beginnen ook mensen die officiëel geen stemrecht hadden toe te laten.
De wetten op het censuskiesrecht van maart/april 1789 onthouden driekwart van
de bevolking, zij die minder dan 6 livres (1 livre is ca. € 6 en bestaat
uit 20 sous) belasting (capitation) betaalden, haar burgerrechten. In mei
1789 wordt er een petitie met 150.000 handtekeningen aan de Nationale Grondwetgevende
Vergadering (het op 28 juni 1789 ingestelde eerste landelijke parlement) aangeboden
voor algemeen kiesrecht, dat pas op 10 augustus 1792 ingevoerd zal worden.
De
Districten strijden met de Commune en het Parlement om de politieke macht
Van begin af aan zijn de districtsvergaderingen
voortdurend in een hevige machtsstrijd gewikkeld met de Communeraad en de Wetgevende
Vergadering (parlement). De districtsvergaderingen willen hun autonomie en soevereiniteit
niet aan de centrale Communeraad en de Wetgevende Vergadering afstaan. Dufourny
de Villiers (voorzitter van de Cordeliersclub) drukt zich geheel in "de geest
van Rousseau"[3]
uit:
"De soevereiniteit van de Nationale Vergadering eindigt waar de individuele soevereiniteit (souverainêté propre) van de commune begint; de individuele soevereiniteit van iedere commune eindigt op haar beurt waar de persoonlijke soevereiniteit, de radicale soevereiniteit van elk individu begint." [gecit. bij Rose, The making of the 'sans-culottes', p. 73]
Hieruit trekt hij de conclusie, dat vertegenwoordiging een inferieure vorm van bestuur is, alleen geschikt waar persoonlijke aanwezigheid onmogelijk is: "als zij nodig is in volkrijke naties, moet hij verworpen worden in kleine gemeenschappen".
De kwestie van het bindend mandaat voor vertegenwoordigers komt heel prangend aan de orde als de centrale commissie van het Saint-Roch district het gevoel krijgt dat hun afgevaardigden in de gemeenteraad de hiërarchie op z'n kop zetten. Op 9 november 1789 tekent zij daarom bezwaar aan tegen de instructies die de gedelegeerden van de districten in het Hôtel de Ville aan de districten willen opleggen:
"De Commune van Parijs heeft geen andere vertegenwoordigers dan zichzelf en de 240 afgevaardigden die nog in het Hôtel de Ville zitten zijn slechts gemandateerden die een plan dienen te ontwerpen en zeker geen wetgevers of bestuurders die verordeningen uitvaardigen of bevelen geven." [gecit. bij Rose, The making of the 'sans-culottes', p. 76]
Actieven (stemgerechtigden) in de districtsvergaderingen nemen het hun afgevaardigden in de gemeenteraad kwalijk, dat ze meer naar raadsleden dan hun achterban luisteren: "Zelfs de meest vooraanstaande democraten van de districten zoals Brissot en Danton blijken de verleidingen niet te kunnen weerstaan als ze eenmaal van hun verkiezing verzekerd waren." De districten gaan een relatief zelfstandige volksmacht vormen die in oppositie met het landelijk bestuur en de centrale stadsorganen komt te staan. Claude-Charles Martin pleitte in een pamflet in 1788 reeds voor een "brede maatschappelijke discussie" gevolgd door een "bindend referendum" - om het eigentijds uit te drukken - toen hij voorstelde om ......
" ...... algemene en permanente wetten, zoals de grondwet, de organisatie van rechtbanken enz. door het hele koninkrijk te verspreiden om aangenomen of verworpen te worden door het hele volk, verzameld in hun wijkvergaderingen". [C.-C. Martin, Vices essentiels dans le plan de la municipalité redigé par par les commissaires des Répresentants de la Commune de Paris avec un mot sur la sanction des loix, Veuve Delaguette, Parijs, 1790; gecit. bij Rose, The making of the 'sans-culottes', p. 78]
Ziehier een zeer praktische en verbluffend simpele uitwerking van Rousseau's uitgangspunt! Sommige leiders van de democraten breiden hun pleidooi voor directe democratie uit buiten het gemeentelijk en districtsniveau tot een opzet voor geheel Frankrijk. Dit streven leidde tot voortdurende confrontaties met de departementale en landelijke autoriteiten. De bevolking eist via haar districtsvergaderingen:
Deze
eisen blijven tot voorjaar van 1795 (zes jaar lang) als een rode draad door de
politieke aspiraties van de Parijse bevolking heen lopen en worden vooral vanaf
juli/augustus 1792 als het algemeen kiesrecht voor mannen wordt
ingevoerd en de sans-culotten het politieke toneel betreden - al of niet na goedkeuring
van het nationale parlement en de gemeenteraad - omgezet in politieke praktijken,
zoals we verderop zullen zien.
Sommige districten beginnen hun eigen
grondwetten op te stellen, zoals de vergaande democratische grondwet van het district
Saint-Etienne-du-Mont, dat verdeeld is in 20 buurten (arrondissements
partiels) waarin maandelijks op zondagmiddag bijeenkomsten van burgers worden
gehouden om 4 leden van de centrale districtscommissie te kiezen voor een ambtstermijn
van een maand en commandanten voor de wijkmilitie, via loting. Hier kent men elkaar
en is de drempel om je stem te laten horen lager, zo is de redenering. Doorstroming
van gewone burgers naar politieke posten wordt als belangrijk beschouwd. Jean-Baptiste-François
Bayard, de vice president van het district lanceerde een roulatie-voorstel, helemaal
in de traditie van Atheense democratie: "Alle burgers moeten, zonder aanziens
des persoons hetzelfde recht hebben om toe te treden tot een openbaar ambt. Hoe
meer personen beurtelings dragers van publieke macht zullen worden des te meer
goede burgers zullen er gevormd worden." En
Elysée Loustalot openbaart zich als een ware "Franse Perikles"
als hij de deugden van directe democratie beschrijft:
"De ideale burger verdeelt z'n tijd tussen huishoudelijke en openbare verplichtingen zonder een van beiden te verwaarlozen: Het zullen de steeds talrijker wordende wijkvergaderingen zijn die, in zich steeds vernieuwende commissies, door middel van argumenten en tegenargumenten in de confrontatie der opinies, waardoor de burgers de wetten zullen leren kennen, hen lief te hebben en hen naar de geest uit te voeren om hen tot richtsnoer van hun handelen te maken. In het bijzonder als we de onstuimigheid van een vurig karakter weet te matigen, geven we onze meningen niet meer als furies, maar als wijze mannen". [in: Revolutions de Paris van november 1789; gecit. bij R. B. Rose, The making of the 'sans-culottes', p. 75/76]
Camille Desmoulins, volksredenaar van het eerste uur, leidend figuur in het Cordeliersdistrict (en vriend van Danton) ziet drie politieke machten in het nieuwe Frankrijk en probeert hun bevoegdheden te definiëren en af te bakenen. Hij schrijft in z'n tijdschrift Révolutions de France et de Brabant van 25 maart 1790:
"Mensen spreken vaak over drie machten die elkaar in evenwicht moeten houden in een goed bestuur. Deze drie machten zijn volgens mij: de Nationale Vergadering, de Gemeente en de Districten. De Nationale Vergadering besluit, het is de wetgevende macht; de Gemeenten voeren de besluiten uit en controleren, zij vormen de uitvoerende en ministeriële macht en de Districten doen wetsvoorstellen, zij hebben het veto, de initiërende en negatieve macht." [gecit. bij Rose, The making of the 'sans-culottes', p. 78]
Sommigen
herinneren ons aan historische voorbeelden van directe democratie: Rhode Island
(Martin), de Zwitserse kantons Uri, Unterwald en Schweiz (Loustalot): "dat
wat werkt in Zwitserland in vergaderingen van 20.000 mannen kan makkelijk in Frankrijk
in vergaderingen die niet groter zijn dan 1050 personen."
Ook verwijst men naar de tijd Karel de Grote, toen wetten in het veld werden
voorgesteld aan het volk, dat bij applaus een wetsvoorstel aannam en door te zwijgen
afstemde, ook al werpen tegenstanders van directe democratie tegen, dat de Frankische
vergaderingen uit louter aristocraten bestonden. Abbé Claude Fauchet attendeert,
in z'n eenzame strijd in de gemeenteraad voor de zaak van de districten, op het
treffende theologische precedent van Mozes die de 10 geboden ter bekrachtiging
aan het Joodse volk voorlegde.
Op
23 maart 1790 nemen 53 districten een resolutie aan die vraagt om een maandelijkse
wijkvergadering. Op 10 april 1790 eist men instelling van permanente wijkcommissies.
Op een protest dat zo het gemeentelijk gezag wordt uitgehold, beklemtoont men
het noodzakelijk toezicht van de wijken op alle aspecten van de openbare macht
en de voordelen van permanentie voor de opvoeding tot burgerzin. In maart en april
1790 vergaderen de gedelegeerden van de districten bijna dagelijks in het voormalig
aartsbisschoppelijk paleis. Meer dan 40 districten geven steun aan een petitie
voor de permanentie en het plan voor een gezamenlijke grondwet, die de bevoegdheden
afbakent tussen de districten en de burgemeester.
In de winter van 1789/90
valt de opkomst in de districtsvergaderingen echter zo terug, dat mensen van de
straat geronseld worden om zo het quorum te behalen of vergaderingen uitgesteld
moesten worden; 300 aanwezigen (Cordeliersdistrict) is in die dagen het maximum.
Volksgenootschappen
nemen de politieke rol van de districtsvergaderingen over
Op 21 mei 1790 wordt een representatief systeem ingevoerd
met een sterke centrale gemeentelijke macht en worden de 60
districten door 48 wijken of 'secties' (sections) vervangen.
Aan het hoofd
van iedere wijk wordt een commissie geplaatst als brug tussen de gemeente
en de wijkvergadering. Ook dient in iedere wijk een politiecommissaris, geassisteerd
door een secretaris, benoemd te worden. Wederom probeert het
nationale parlement de wijkvergaderingen tot verkiezingsvergaderingen
voor de Parijse Commune (Gemeenteraad) en de departementen (die
de afgevaardigden van de Nationale Vergadering kiezen) te degraderen.
Wel krijgen
burgers het recht om een speciale vergadering te beleggen en petities
op te stellen als 50 van hen dat eisen. En als een meerderheid in 8 wijken dat
wenst, kan men alle 48 wijken bijeen laten roepen. Elke
wijk mag drie afgevaardigden voor de gemeenteraad kiezen. De
wijk Postes vergadert ca. 1 x per 14 dagen, de wijk Piques ca. 1
x per week en de wijk Quinze-Vingts
- in de maanden juni-juli 1791 (crisis n.a.v. de vlucht van de
koning) - elke dag, wat haar een officiële berisping oplevert.
Alle
Fransmannen vanaf 25 jaar die tenminste 1 jaar in de wijk wonen en tenminste
drie livres (ca. € 18) directe belasting per jaar (was 6 livres, ca. €
36) betalen, krijgen toegang tot hun wijkvergaderingen en stemrecht ('actieve
burgers'); dit sluit nog altijd de helft van de volwassen mannen uit
('passieve burgers'). Ongeveer
een derde van de 'actieve burgers' laat zich niet in de kiesregisters inschrijven.
De wijken verliezen hun zeggenschap over de Nationale Garde. Het oorspronkelijk
quorum per wijk is 100 man, maar wordt later verlaagd naar 60 man.
Het Cordeliersdistrict
gaat voorop in het verzet onder leiding van Danton. Camille Desmoulins maakt zich
op beeldende wijze spreekbuis van de algemene woede en verbijstering:
"Oh mijn beste Cordeliers, vaarwel dan aan onze handbel, aan onze voorzittersstoel en aan de tribune, vol illustere redenaars. In hun plaats zal er niet meer dan een grote urn zijn, een kruik waar de actieve burgers, die nooit zichtbaar zijn, naar toe zullen komen om hun stembriefjes in te gooien en hun driekleurige sjerp zullen ze aan de meest gehaaide intrigant geven. We beginnen elkaar zo goed te leren kennen: sinds bijna een jaar testen we onze openlijke aristocraten, onze zogenaamde onpartijdigen en onze verklaarde republikeinen uit." [Révolutions de France et de Brabant, 16 mei 1790; gecit. bij Rose, The making of the 'sans-culottes', p. 80]
Hoewel de wijkvergaderingen
'officieel' slechts wijkzaken mogen regelen, bemoeien ze zich toch steeds meer
met stedelijke en landelijke aangelegenheden.
Ondanks de pessimistische verwachtingen van de radicalen, functioneren de wijken
(die grotendeels de districtsgrenzen volgden) al spoedig even goed als de districten.
Ook zij organiseren wijkvergaderingen die 1x per veertien (of meer) dagen worden
belegd en zenden in augustus 1792 gedelegeerden die een schaduwgemeenteraad (revolutionaire
commune) vormen naar het aartsbisschoppelijk paleis. Sommige wijken vergaderen
vaak dagelijks. Als de opkomst tegenvalt, worden wel lijsten van stemmers gepubliceerd
of medailles gegeven aan trouwe bezoekers.
Zoals
we zagen hebben de oudgedienden van het Cordeliersdistrict aanvankelijk geen vertrouwen
in het functioneren van de wijken en daarom scheppen zij een alternatieve instelling:
het volksgenootschap (société populaire). Zij roepen in hun
wijk de Société des Amis des Droits de l'homme et du citoyen
in het leven, die net als de districtsvergadering in het Cordeliersklooster bijeenkomt
en weldra bekend staat als de Cordeliersclub. Men wil als waakhond tegen machtsmisbruik
van de autoriteiten fungeren en iedereen die de lage contibutie betaalt toegang
tot de bijeenkomsten verlenen. Vanaf augustus 1790 komt de meer elitaire Société
des Amis de la Constitution (later bekend als de Jacobijnenclub: Brissot,
Desmoulins, Robespierre) in de bibliotheek van het Jacobijnenklooster in de wijk
Bibliothèque bijeen.
Hoewel
er ook een groep is die de genootschappen een louter educatieve rol wil laten
vervullen, functioneren zij ook als politieke organen. De genootschappen vormen
evenals de wijkvergaderingen commissies (welzijnscommissies, benoemingscommissies)
en houden vaak zittingen op de dagen dat de algemene wijkvergaderingen niet bijeen
mogen komen.
Militanten houden burgerlijke of morele toespraken, kinderen
lezen soms passages uit de Grondwet of de 'universele verklaring van de rechten
van de mens en burger' voor. Het zijn duidelijk rituelen van vaderlandslievende
verbondenheid. De volksgenootschappen die
zowel op stedelijk als op kleinere schaal op wijkniveau verrijzen, ontwikkelen
zich tot laagdrempelige discussieclubs waarin, de wetsvoorstellen van de Nationale
Vergadering geanimeerd worden besproken. Hiermee gaan zij ook (overeenkomstig
de bedoelingen van de oprichters) functioneren als centra voor politieke- en burgerschapsvorming.
In de Société Patriotique van de wijk Sainte-Geneviève
zijn vrouwen ook welkom als toehoorders en er worden wekelijkse zittingen voor
mannen van boven de 18 gehouden. Het volksgenootschap wilde ......
" ...... een school zijn waar alle burgers samen komen om zichzelf te onderrichten in de politiek ...... teneinde mannen te vormen in de geest van de grondwet, zodat ze op een dag vaardig waren om deel te nemen aan het maken van de wetten voor Frankrijk." [Règlement de la Société Patriotique de Sainte-Geneviève, Parijs, 1790; gecit. bij Rose, The making of the 'sans-culottes', p. 99]
In de periode van midden 1790 tot midden 1792 ligt het centrum van de politieke betrokkenheid bij de volksgenootschappen. In juli 1791 zijn er meer dan 20 volksgenootschappen. Jean Paul Marat vindt dat de genootschappen meer moeten zijn dan louter vormingsinstituten en ziet hen als discussieforums, waarin de wetsvoorstellen die aan de algemene vergaderingen werden voorgelegd, besproken moeten worden:
" ..... de leden van de clubs kunnen zo hun respectievelijke wijkvergaderingen een weloverwogen mening bieden en de beste burgers zouden niet in verwarring gebracht worden door het gezwets van praatjesverkopers." [in: Ami du peuple, 7 februari 1791; gecit. bij Soboul, The Sansculottes, 1980 p. 193/194]
In Marats
ogen moeten ze op den duur uitgroeien tot de kern van een zorgvuldig geselecteerde
radicale partij. Door sommigen (Louise Robert van de Mercure National)
wordt het volksgenootschap gepropageerd als een orgaan dat de wetsvoorstellen
van de Nationale Vergadering zou moeten bekrachtigen of verwerpen. Brissot zit
op hetzelfde spoor als hij drie doelen voor de genootschappen omschrijft: "discussie
over welke wetten er gemaakt moeten worden, het verhelderen van wetten en controle
over alle ambtenaren".
De volksgenootschappen hebben vaak meer
dan 800 leden en worden door meer dan 400 mensen (per zitting) bezocht. Uit de
wijkgebonden volksgenootschappen die aanvankelijk zelf tamelijk gering blijven,
komen de algemene volksgenootschappen voort. De sans-culotten hadden in de genootschappen
een groter aandeel dan in de districts- en wijkvergaderingen. Er ontstaan ook
clubs van vakgenoten, maar die worden verboden door de wet van Le Chapellier (van
14 juni 1791). Een federatie van 'vakbonden' en politieke clubs moet nog wachten
tot 1848. Er zijn ook voorstanders van genootschappen in elke straat.
De Société
fraternelle des patriotes de l'un
et de l'autre sexe is de eerste politieke
organisatie in Frankrijk die vrouwen (waaronder de uit Nederland afkomstige Etta
Palm-Aelders) een actief en grotendeels gelijkwaardig lidmaatschap verleende.
In de Cordeliersclub mag een vrouw, Théroigne de Méricourt, zelfs
een voorstel indienen. In de districtsvergaderingen was er voor vrouwen waarschijnlijk
slechts plaats op de publieke tribune.
Op
10 mei 1791 verbiedt de Nationale Vergadering het indienen van collectieve verzoekschriften
en de Commune en de wijkvergaderingen worden eraan herinnerd dat ze alleen puur
plaatselijke zaken mogen bespreken die tevoren geagendeerd zijn. De Société
fraternelle reageert fel: men eiste een
veto du peuple op alle door de Nationale Vergadering aangenomen (grond)wetten.
De Cordeliersclub laat zich ook niet onbetuigd en eist voor de wijkvergaderingen
het recht op om wetsvoorstellen te amenderen. René de Girardin vindt dat
"de burgers wetsvoorstellen van de Nationale vergadering in deze tijd van
moderne drukpers en postbezorging makkelijk op hun zondagse wijkvergaderingen
kunnen behandelen en fiatteren".
De vlucht van de koning naar Varennes
wordt door de volksgenootschappen aangegrepen om een volksstemming over de grondwet
te eisen. Om een petitie (6000 handtekeningen) van deze strekking kracht bij te
zetten verzamelden zich op 17 juli 1791 op het Champs de Mars ca. 30.000
(50.000 volgens een schatting van Révolutions de Paris) mensen,
de grootste demonstratie van handwerklieden en dagloners in de Franse Revolutie
tot nu toe. De petitie stelt, dat 290 gedelegeerden hun mandaat hebben verspeeld
door hun stemgedrag. Het gaat hier dus ook om verbreding van het kiesrecht, referendum,
beperkt mandaat en terugroeping van gedelegeerden, zaken die volgens de initiatiefnemers
alles met de soevereiniteit van het volk te maken hebben. De demonstratie wordt
echter door de Nationale Garde - onder leiding van La Fayette en in opdracht van
burgemeester Bailly - bloedig uiteengeslagen, waarbij 50 mensen het leven verliezen.
Op 2 februari
1792 vraagt De Société
fraternelle in zitting met de Jacobijnen om de permanentie van de wijken -
niet voor de uitoefening van de wetgevende, uitvoerende en bestuurlijke macht
die een groot land alleen via zijn vertegenwoordigers kan uitoefenen - maar voor
de bevoegdheid om (afgevaardigden) te controleren. Zij geloven dat dit de opvoeding
tot burgerzin zal bevorderen, misverstanden uit de wereld zal helpen en alle klassen
zal verenigen tot één enkele collectieve macht.
Een derde van de Parijse actieve burgers laat zich niet als kiesgerechtigde registreren.
Het opkomstpercentage ligt gemiddeld
onder de 10% van de kiesgerechtigden. Bij verkiezing van de Electorale Raad in
de herfst van 1791 komt ruim 10% opdagen. De
wijken Théatre Français (die het radicale voormalig Cordeliersdistrict
omvatte) en Bibliothèque steken daar met opkomstpercentages van
respectievelijk 19%
en 24% gunstig bij af. De radicale Jacobijn Pétion wordt in november 1791
in plaats van de gematigde La Fayette als burgemeester van Parijs (met 7000 tegen
3000 stemmen) gekozen met een opkomst van 13%
(10.632
stemmers van de 80.000 actieve burgers). Het opkomstpercentage bij discussiebijeenkomsten
van de wijkvergaderingen (2 maart 1791-20 juli 1792), die vaak uitmonden in een
petitie, moeten we schatten op gemiddeld 7%. [bron:
Rose, The making of the 'sans-culottes', tabel
6, p. 93]
Na
de crisis van juli-augustus 1792 zal de politieke activiteit en participatie in
de wijken aanmerkelijk toenemen en nemen de wijkvergaderingen de rol van centra
van politieke activiteit van de volksgenootschappen weer - zoals voorheen de districten
- over.
De wijkvergaderingen worden
het centrum van de volkssoevereiniteit
Op 27 juli 1792 neemt de wijk Théâtre Français
een motie aan waarin het onderscheid tussen actieve en passieve burgers wordt
opgeheven (algemeen kiesrecht). Weldra volgen de andere wijken dit voorbeeld en
op 10 augustus 1792 sanctioneert de Wetgevende Vergadering. deze situatie.
Ook op die dag van de "Tweede Revolutie" vormen de sans-culotten een
Revolutionaire Commune van Parijs, bestaande uit wijkafgevaardigden "met
onbeperkte bevoegdheden om het vaderland te redden" die al snel de wettige
gemeenteraad ter zijde schuift. Dit betekent dat het centrum van de macht van
het parlement naar de wijkvergaderingen en hun Commune verschuift.
Maar
al snel wordt de uitvoerende macht van het Gemeentebestuur, burgemeester (Pache),
de procureur (Chaumette) en één der beide vice-procureurs
(Hébert) zo groot dat de gemeenteraad er nauwelijks meer aan te pas komt.
Als de Girondijnse afgevaardigden in de Conventie de autonomie (beperkt mandaat)
van de wijken willen terugdraaien, creëren de wijken opnieuw een gemeentelijke
schaduwstructuur: een revolutionaire raad. Er zijn historici die vermoeden dat
"dolleman" Jean Varlet (die een belangrijke rol vervult in de uitvoerende
commissie van 9 leden), een opstand wil ontketenen die de parlementaire democratie
moet vervangen door een federatieve democratie van alle 44.000 gemeenten, waarmee
de Commune al een correspondentie-circuit heeft opgebouwd. De opstand komt er
op 31 mei 1793 en leidt (door een sluw spel van de Jacobijnen) "slechts"
tot de verwijdering van de gewraakte Girondijnen uit de Conventie en de ontmanteling
van de revolutionaire raad.
Men
wil de wijk als een autonome politieke eenheid laten functioneren en eist dat
de Commune geen wet aanneemt, voordat dat hij door de wijkvergaderingen na beraadslaging
is goedgekeurd. Ook wil men
eigen belastingen voor wijkvoorzieningen heffen (begin 1793 legt een wijk haar
burgers wekelijks een heffing op van 10-15 sous),
de burgerlijke stand naar de wijken toehalen,
zelf de officieren van de Parijse Nationale Garde benoemen,
zelf verdachten in voorarrest te nemen en
andere politiefuncties uitoefenen.
Vanaf juli 1792 stromen de sansculotten
(verhoudingsgewijs) massaal de wijkvergaderingen binnen. Op 7 juli 1792 verklaren
de wijkvergaderingen zich permanent en vergaderen veelal dagelijks. Op
24 juli 1792 legt de Wetgevende Vergadering (de opvolger van de Grondwetgevende
Vergadering) de permanentie van de wijkvergaderingen vast. Dit
betekent dat de algemene wijkvergaderingen vanaf 17.00-23.00 uur bijeen kunnen
komen en openbaarheid van de vergaderingen met een publieke tribune voor passieve
burgers (zonder stemrecht), vrouwen en kinderen.
Op 16 november 1792 verklaart de wijk Butte-des-Moulins dat ze slechts
3x per week bijeenkomt! In januari 1793 gaan er uit kringen der Girondijnen stemmen
op om de permanentie weer af te schaffen, maar Marat en Robespierre willen de
wet handhaven zolang de republiek "in gevaar" is.
Op 20 mei
1793 wil de wijk Poissonnière wegens de geringe opkomst van de permanentie
af: na 4 dagen vergaderen gaat de vergadering ermee akkoord.
De opkomst op wijkvergaderingen loopt volgens eigentijdse schattingen op naar
een recordhoogte van gemiddeld 500 bezoekers (ca. 25% van de actieve burgers).
Men vergaderde nu zo'n 2 à 3 maal in de week. Op
24 mei 1793 besluit de door de Conventie ingestelde 'Commissie van 12', dat de
bijeenkomsten om 22.00 uur beëindigd moeten worden, een maatregel die indirect
de voordelen van de permanentie teniet doet, maar de progressievere wijken trekken
zich hier niet veel van aan: de wijk Marchés verklaart op 28 mei
1793 openlijk de wet aan z'n laars te lappen en op voorspraak van Hébert
besluit de wijk Bonne-Nouvelle om 'privé' bijeenkomsten na tienen
te houden "om haar belangen veilig te stellen."
Als de Conventie op
21 september 1793 het aantal zittingen tot 3 per maand beperkt, nodigt de wijk
Gravilliers de Conventie uit om rekening te houden met de behoefte van
het volk om te leren en over haar eigen zaken te beraadslagen. Zij acht 3 zittingen
per maand niet genoeg om haar "patriottische vurigheid en burgerlijke plichten
te bevredigen" en daarom moeten de Parijse wijken weer zo kunnen vergaderen
als voorheen, zo vindt zij.
|
De wijkvergadering
benoemt een voorzitter, die wordt bijgestaan door een commissie en een
secretaris die de notulen verzorgt. De voorzitter wordt verantwoordelijk
gehouden voor het opstellen van de agenda, in overleg met de commissie.
Er zijn stemmentellers en een ordedienst. De commissie wordt in
de regel maandelijks vervangen bij hoofdelijke stemming (door op te staan)
of bij acclamatie. De belangrijke functies zijn langere tijd (de
voorzitters een jaar) in handen van een kleine groep militanten. De zittingen
beginnen gewoonlijk met het voorlezen van de notulen, vervolgens
de wetten en de besluiten van de gemeente (Commune). Wettelijk duren zittingen
van 17.00-22.00 uur, maar in de praktijk lopen zij meestal flink
uit. Gewoonlijk verlopen de zittingen rommelig en lawaaierig. Als een
voorzitter een keer een glas wijn drinkt, gaan stemmen op om hem schorsen
en roept iemand: "Het lijkt hier wel een proeflokaal; straks wordt
het ook nog een tabakswinkel!" Om de bataljons te coördineren en te begeleiden bestaan er militaire commissies of oorlogscommissies. In de wijk Lombards, bijvoorbeeld, bestaat de militaire commissie uit 28 leden, gekozen door de wijkvergadering. Zij verdelen het geld dat de kapiteins ophalen, keren aan de vrijwilligers en hun familie toelages uit, corresponderen met de administratieve raad van het bataljon aan het front en zorgen voor kleding en wapenuitrusting. Alles onder supervisie van de wijkvergadering. De disciplinaire rechtbanken, voortgekomen uit de militaire commissies, hebben speciale instructies om toe te zien op de naleving van de regels betreffende de militaire dienst die de wijkvergaderingen uitvaardigen; een duidelijk bewijs van de politieke autonomie van de wijken. |
De
ideeën over soevereiniteit die onder het volk leefden, accepteren geen scheiding
der machten: het volk was een soevereine wetgever als ook een soevereine rechter.
Leclerc verklaarde op 16 mei 1793 in de gemeenteraad: recht(vaardigheid) is altijd
temidden van het volk. Sans-culotte Boulard verklaarde na 10 augustus 1792 herhaaldelijk
op de zittingen van de Finistère Wijkvergaderingen, dat "we in deze
tijden van crises geen rechtbanken nodig hebben, het volk is soeverein, het is
goed als zij de schuldigen berecht en veroordeelt."
De sans-culotten eisen ook hun plaats op in de gelederen van de Nationale
Garde. De piek wordt het symbool van het gewapende soevereine volk, de trots van
de sans-culotten. Hun politieke invloed kan afgemeten worden aan het dragen van
wapens en ontwapening betekent dan ook het einde van hun politieke macht. Zij
eisen ook effectievere vuurwapens en zijn daarom fel gekant tegen het afdragen
van hun wijk-kanonnen in de herfst van 1792. Op 2 juni 1793 begeleidt de algemene
bewapening van de sans-culotten hun politieke overwinning. Zij ontwapenen de aristocraten
en de gematigden "om de wapens in handen te geven aan degenen die waardig
zijn voor de vrijheid te vechten." De
ontwapening van de sans-culotten is meer dan een voorzorgsmaatregel; het symboliseert
de politieke overwinning van de reactie. Tijdens de opstanden van mei 1795 eisen
zij teruggave van de wapens. Door zich te bewapenen stelt het volk haar grondwettelijk
recht om in opstand te komen, als laatste middel tegen de dictatuur van de staat,
veilig.
Vanaf herfst 1793 verliezen de wijken hun soevereiniteit die
steeds in de handen van de revolutionaire regeringscommissies komt. De laatste
echo van de ideologie van de directe democratie horen we op 20 mei 1795 als de
sans-culotten de Conventie binnen stormen en plaats namen op de banken van de
afgevaardigden en een der demonstranten brult: Verdwijn, wij gaan zelf optreden
als de Conventie! Als op 6 september 1795 de wijk Fidélité
verklaart dat "het soevereine volk in vergaderings, geen autoriteit boven
zich kan en moet erkennen en daarom alleen zelf wetten kan maken en er geen van
anderen zal accepteren, vindt dat bij weinig burgers
(onbesmet met de parlementaire ideologie) nog weerklank.
Opkomst
bij wijkvergaderingen
en het presentiegeld
We zagen hierboven al, dat vanaf het
begin van de Revolutie tot de afschaffing van het censuskierecht, slechts een
minderheid van de burgers actief aan de wijkvergaderingen deelneemt. De komst
van 'passieve burgers' in juli en augustus 1792 heeft maar een kortstondig positief
effect op de totale toeloop. Wel neemt het aantal sans-culotten dat de zittingen
van wijkvergaderingen bezoekt vanaf die tijd spectaculair toe, wat tot gevolg
heeft, dat een deel van de vroegere actieve kiezers (uit de gegoede burgerij)
wegblijft. Het is toch vooral een kleine "elite" van de sans-culotten
die regelmatig op de zittingen verschijnt. Het aantal aanwezigen blijft tot de
val van de revolutionaire regering op 27 juli 1794 ('thermidor') zo tussen de
5-20% schommelen, afhankelijk van de kwesties die spelen. Verkiezingen van burgemeesters
trekken nog steeds grotere aantallen burgers.
Albert
Soboul beschouwt de permanentie als een zwaard dat aan twee kanten snijdt: de
sans-culotten komen in grote getale opdagen in tijden van crises en daarna blijven
ze massaal weg. Hun tegenstanders (de gematigden) kunnen dan door een grote opkomst
de vergaderingen naar hun hand zetten en dat proberen zij - na nederlagen in de
Wetgevende Vergadering - vaak te doen. Dit is de
reden dat Marat op 21 juni 1793 in een brief aan de Conventie de permanentie ter
discussie stelt:
" ....... want de rijken, de intriganten en mannen die te kwader trouw zijn, komen massaal naar de vergaderingen om die te overheersen met hun vrijheidsondermijnende besluiten, terwijl journalisten, arbeiders, ambachtslieden, winkeliers en kleine boeren, in één woord de massa der armen die gedwongen zijn om voor hun levensonderhoud te werken niet kunnen deelnemen om de misdadige neigingen van de vijanden der vrijheid in toom te houden." [gecit. bij Soboul, The Sansculottes, 1980 p. 122]
Op 9 september 1793 wordt een motie van Danton (in de geest van Marat) die de vergaderfrequentie van de wijkraden tot twee per week terug moet brengen, ten einde "alle sansculotten in de gelegenheid te stellen deze bijeenkomsten te bezoeken" - onder applaus van de gematigden - door de Conventie aangenomen. Ook wordt bepaald dat er slechts zittingen tussen 17.00-22.00 u. gehouden mogen worden, zodat het niet langer mogelijk is, dat militanten de wijkvergaderingen manipuleren door er bijvoorbeeld "in de late nacht gauw nog even hun voorstellen doorheen te drukken".
De
invoering van presentiegeld zal deze situatie ook niet veranderen, omdat de regeling
maar een klein deel van de armere bevolkingsdelen trekt. De toename van radicale
sans-culotten en de daardoor veroorzaakte afname van de beter gesitueerden (en
gematigden) levert dus per saldo een negatief resultaat voor de opkomstcijfers
op. Na 'thermidor' (val van de revolutionaire regering op 27 juli 1794) neemt
het aantal sansculotten af en treedt er een algemene daling van de opkomst in.
Op 20 december 1794 zijn er slechts 40 mannen op de zitting van de wijkvergadering
in de wijk Unité, een geschatte opkomst van tussen de 1-1,5%. [bronnen:
Soboul, 1980 p. 171 en Rudé, 1977, tabel op p. 243]
Op 9 september
1793 neemt de Conventie een tweede motie van Danton om de participatie van de
sans-culotten aan de wijkvergaderingen te waarborgen, aan. Deze wet over het presentiegeld
bepaalt dat "arme burgers" 40 sous (de helft van het dagloon van een
slotenmakesleerling[4]), ter compensatie van
misgelopen loon, kunnen aanvragen. Een controversiële maatregel die door
velen als vernederend voor de ontvangers ervan wordt gezien. Een eigentijdse waarnemer,
Perière, schrijft een half jaar later in zijn notitieboekje:
"Het is goed, .........., dat we ons herinneren hoe veel hoogstaander de houding van de burgers van de wijk Sans-Culottes was, die steeds de wettelijke compensatie afwezen, omdat ze geen '40 sous patriotten' genoemd wilden worden. Een dergelijke fijnzinnigheid veronderstelt bewustzijn en liefde voor zijn rechten." [Archives Nationales, W 112; gecit. bij Markov / Soboul: Die Sansculotten von Paris,1957 p. 298 (Frans) / 299 (Duits)]
Als
(op 6 april 1794) de commissarissen van het kledingswezen uit de wijk Poissonnière
geen toegang krijgen tot het volksgenootschap, protesteert iemand: "Er waren
zeer weinig mensen op de zitting en allemaal quarante sols ('40-sous-lieden')
en daarom is hun maatregel illegaal."
De meeste wijken eisen een bewijs van goed burgerschap om voor toekenning
van de vergoeding in aanmerking te komen. Ook roepen ze commissies in het leven
om de wet uit te voeren. Bij afwijzing kan men in beroep gaan bij de wijkvergadering.
Er zijn zelfs dagloners die meer zittingen eisten om meer vergoedingen te kunnen
opstrijken. Uiteindelijk wordt de vergoeding aan zeer weinigen toegekend.
Op 21 september 1794 wordt de wet op de presentiegelden door de Conventie weer
afgeschaft.
Terwijl
de 40 sous presentiegeld de sansculotten verdeelt, leidt het terugdraaien van
de permanentie tot eensgezind verzet. De sans-culotten omzeilen het decreet door
volksgenootschappen per wijk te vormen, maar blijven meer bijeenkomsten eisen,
wat de autoriteiten hardnekkig weigeren. De Jacobijnse Commune ziet, meer dan
zijn voorganger, streng op de naleving van de wet toe.
Beperkt
mandaat: het recht om afgevaardigden
en beambten terug te roepen
Als de Wetgevende Vergadering op
11 augustus 1792 het
onderscheid tussen passief en actief kiesrecht opheft (huispersoneel
en mensen zonder vaste verblijfplaats blijven uitgesloten),
maar het getrapte kiesstelsel gehandhaafd, eisen de progressievere wijken direct
universeel kiesrecht. Voor de radicale democraten
is dit slechts een deeloverwinning, want een besluit van de Wetgevende Vergadering
kan niet beschouwd worden als een directe uitdrukking van de wil van het volk.
Zolang het bindend mandaat, het terugroep- en vervangrecht van afgevaardigden
en het instemmingsrecht van de wijkvergaderingen met wetsvoorstellen van overkoepelende
organen nog niet gelden, blijven de radicale sans-culotten zich verzetten tegen
de legitimiteit van die organen. Zij vinden, dat de Commune hierbij als waakhond
moet optreden.
De wijken worden weer heer en meester van
de Nationale Garde en toegerust met het terugroep- en vervangrecht van hun afgevaardigden
in de gemeenteraad, hoewel dit recht soms niet altijd even soepel wordt uitgevoerd.
De sans-culotten beschouwen, in de geest van Rousseau, hun afgevaardigden
niet als vertegenwoordigers, maar als hun agenten of werktuigen. In het jaar II
(22 sept. 1793-22 sept. 1794) ondertekenen vele sans-culotten brieven aan hun
vertegenwoordigers met: "u gelijke in rechten". Om het representatieve
stelsel met de behoefte aan directe democratie met elkaar te verzoenen, eisen
de sans-culotten het recht op sanctionering van de wetten en controle op de gekozen
gedelegeerden op. Aangezien de verkiezingen voor de Conventie getrapt verlopen,
proberen de Parijzenaars de keuzes van hun departementale kiesmannen te controleren
en hen zonodig terug te roepen.
| Jean
Varlet van de wijk Droits-de-l'Homme stelt in de herfst van 1792, op persoonlijke,
titel een adres aan de afgevaardigden in de Conventie op, waarin hij op indringende
en krachtige wijze de, in populariteit snel stijgende, principes van de directe
democratie verwoordt. Hij pleit daarin voor directe verkiezing van afgevaardigden
in wetgevende organen met een bindend mandaat, die ten allen tijden afzetbaar
en vervangbaar zijn. Ook de belangrijkste uitvoerende ambtenaren moeten direct
gekozen worden en afzetbaar zijn als het volk dat wil. Wetsvoorstellen (behalve
die uitzonderlijke omstandigheden regelen) kunnen pas tot wet verheven worden
als ze door een meerderheid in de wijkvergaderingen, na discussie, goedgekeurd
zijn. [zie
ook: Jean Varlet, Schets
voor een bijzonder en bindend mandaat en Morris Slavin, Jean
Varlet als verdediger van directe democratie elders in dit nummer] De wijken staan erop dat de afgevaardigden zich strikt houden aan het mandaat dat ze van de kiezers hebben meegekregen. Op 25 augustus 1792 stelt de wijk Marché-des-Innocents voor, dat een Nationale Conventie gebaseerd moet zijn op het principe dat de afgevaardigden gedwongen kunnen worden op te stappen als hun departementen dat wensen en dat publieke functionarissen teruggeroepen kunnen worden door hun kiezers. |
Als
op 10 april 1793 de Girondijnen tegenover het principe van de terugroepbaarheid
dat van de onschendbaarheid van
volksvertegenwoordigers stellen, antwoordt
de wijk Tuilerieën dat in een republiek de gemandateerden verantwoording
voor hun daden aan het vrije volk moeten afleggen. Zij zien onschendbaarheid als
een "verfoeilijk privilege, een valse dekmantel waarmee een corrupte vertegenwoordiger
zich kan beschermen tegen het straffeloos verraden van de belangen van het volk".
Dit principe is ook de inzet van de opstanden van 31 mei en 2 juni 1793 tegen
het "verraad" van de Girondijnse afgevaardigden.
Op
27 augustus 1792 neemt de wijk Place Vendôme op aandrang van Robespierre
het indirecte kiesstelsel - door Lacroix van de wijk Marseille veroordeeld
als "immoreel en destructief voor de soevereiniteit van het volk, omdat het
intrige en vorming van cliques uitlokt" - weliswaar aan, maar verklaart wel,
dat de kandidaat-afgevaardigden direct door het volk voorgedragen moeten worden.
Zij verklaart bovendien, dat de leden van de Conventie die voorgedragen
worden door de kiesmannen zullen worden onderworpen aan toezicht en controle van
de wijkvergadering, zodat afgevaardigden die het vertrouwen van het volk hebben
beschaamd, kunnen worden terugroepen. Dezelfde dag verklaart de wijk Bondy,
dat vertegenwoordiging alleen zuiver is als hij direct ontleend is aan de vertegenwoordigden.
De gemeenteraad gaat ermee akkoord, dat in de wijkvergaderingen openlijk (hoofdelijk)
gestemd wordt voor de kiesmannen (voor het departement Parijs) en dat hun besluiten
onderworpen worden aan het veto van de verschillende wijken. Vijf dagen later
besluit de wijk Invalides dat de leden van de Conventie die voorgedragen
worden door de kiesmannen pas definitief toegelaten kunnen worden na goedkeuring
van de wijkvergadering. De kiesmannen gaan hiermee op 12 september 1792 akkoord.
De militante sans-culotten eisen in verband hiermee, dat afgevaardigden
verslag doen van hun functioneren aan hun kiezers: wat ze gezegd, geschreven en
gedaan hebben als lastdragers van het volk in de Conventie. En hetzelfde geldt
voor de door de wijkvergaderingen benoemde ambtenaren. De wijken achten het onvoldoende
om (in naam van hun soevereiniteit) hun wetgevers te controleren; zij willen ook
controle uitoefenen op de uitvoerende macht en haar ambtenaren. De wijk Bon-Conseil
nodigt op 14 december 1792 de andere secties uit om een commissie te vormen
die toezicht houdt op de handelswijze van de ministers, maar de wijk Gardes-Françaises,
waar de gematigden in de meerderheid zijn, keurt iedere organisatie die ertoe
neigt om de individuele verantwoordelijkheid van de ministeries te verzwakken,
af.
Toezicht van het volk over de ministeriële macht strekte
zich ook uit over het leger en zelfs over de leiding van gevechtsoperaties. De
wijk Gardes-Françaises zendt op 17 juni 1793 twee commissarissen
naar Tours (i.v.m. de contrarevolutionaire Vendée-opstand) met de officiële
opdracht om verslag te doen van de situatie aan het front; zij gaan mee met de
commandanten van hun wijk om de handelingen van de officieren en de soldaten in
de gaten te houden en om officieren en soldaten die hun boekje te buiten gaan
("met alle middelen van broederlijke overreding") aan hun plichten herinneren.
De wijk Amis-de-la-Patri ontslaat een commissaris wegens gebrek aan daadkracht,
ondanks het oordeel van de gemeenteraad die vindt dat "de continuïteit
van de republiek daarmee in gevaar komt" en krijgt bijval van de Nationale
Conventie.
Na
de installatie van de revolutionaire regering op 4 december 1793 en het
autoritair optreden van de Regeringscommissie van Openbare Veiligheid verliezen
de wijken alle rechten om hun afgevaardigden en ambtenaren te controleren en worden
stabiliteit en centralisatie belangrijker dan democratische principes. Deze ontwikkeling
vervreemdt de sans-culotten (vooral vanaf het voorjaar van 1794) van de revolutionaire
regering. Als burgeres Auxerre, die in een meelzakkenfabriekje werkt, zegt, dat
"het volk soeverein is en dat ambtenaren (van de gemeente) louter gevolmachtigden
zijn", wordt ze op 24 maart 1794 door de revolutionaire commissie
van de wijk Amis-de-la-Patrie beschuldigd van het ventileren van contrarevolutionaire
ideeën.
Op 1 september wordt de wijk Amis-de-la-Patrie die
een commissaris wilde teruggeroepen, tegen de wens van de gemeenteraad, die meende
dat zo'n wispelturigheid de stabiliteit van de republiek zou aantasten, door de
Conventie in het gelijk gesteld(!)
De uitvoerende macht: wijkcommissies en ambtenaren
De wijken beschikken vanaf de gemeentewet van 21 mei 1790
over een groeiend aantal uitvoerende commissies en functionarissen: politierechters
en ondersteunende beambten (wet v. 25-29 sept. 1790), militaire commissies (wet
v. 19-21 aug. 1792), revolutionaire commissies, welzijnscommissies (maart 1793),
salpetercommissies (kruitopslag; 1793/94) en zelfs landbouwcommissies (voorjaar
1794).
De revolutionaire Commune van 10 augustus 1792
stelt de eerder gevormde burgercommissies buiten werking. Op 15 augustus komt
zij met een nieuw systeem: de verkiezingen van deze commissies moeten uitgevoerd
worden door de wijkvergaderingen. Een commissie bestaat uit zestien leden die
uit hun midden een voorzitter en een secretaris kiezen. Maar vanaf het moment
dat de wijken permanent worden, verliezen de commissies hun zelfstandigheid en
komen meer onder controle van de wijkvergaderingen, die hun soevereine rechten
nauwkeurig bewaken. Zij worden beschouwd als de werktuigen van de wijkvergaderingen
en ontvangen hun uitvoeringsdecreten van hen en moeten, soms bijna wekelijks,
verantwoording aan hun opdrachtgeefster afleggen.
De
civiele commissies bevinden zich echter in een dubbelzinnige situatie: als gekozen
zaakwaarnemers van hun wijken moeten zij functioneren als hun werktuigen, maar
als bestuurders zijn zij afhankelijk van de Commune, eraan gehouden hun opdrachten
uit te voeren, zelfs als die ingaan tegen het beleid van de wijkvergaderingen.
Later worden ze door de revolutionaire commissies naar de achtergrond gedrongen.
In het jaar II (22 sept. 1793 -22 sept. 1794) houden ze zich vooral bezig met
toezicht op de voedselverdeling en welzijn. De commissarissen worden tot de lente
van 1794 echter niet betaald. Volgens de gemeentewet van 18 januari 1791 krijgen
commissies 1200 livres per jaar voor administratieve doeleinden, later wordt dit
verhoogd naar 1900 livres (25 april 1793). Van alle wijkinstellingen blijven de
burgercommissies het minst bevolkt door de lagere strata, ondanks het feit dat
de Conventie uiteindelijk op 25 mei 1793 besluit alle leden een onkostenvergoeding
van 3 livres per dag te geven. Geleidelijk komen de commissies en hun beambten
meer onder directe controle van de gemeentelijke en landelijke autoriteiten te
staan. Er komt een maximum aantal wijkcommissarissen die tevens door de gemeente
worden betaald. Op 10 oktober 1795 worden de wijkcommissies bij wet opgeheven
en daarmee verdwijnen de resten van de wijkautonomie.
Op
15 augustus 1792 bepaalt de Commune dat de commissies der wijken uit 18 personen
zullen bestaan en dat van de twee kandidaten die de meeste stemmen krijgen, de
eerste politierechter en de tweede secretaris wordt. Later wordt de benoeming
voorbehouden aan de gemeenteraad. De centrale autoriteiten zijn beducht voor deze
ontwikkeling en op 27 augustus 1794 plaatsen zij de algemeen commandant en de
hoofdofficier van de Parijse Nationale Garde onder directe controle van de Conventie
en haar twee machtigste uitvoerende commissies. Geleidelijk aan worden de bevoegdheden
van de Nationale Garde verder uitgekleed. Op 3 december 1794 stelt de Conventie
de eis dat officieren moeten kunnen lezen en schrijven en sluit daarmee een deel
van de sans-culotten voor de functie uit. Na de "opstanden van germinal"
(april 1795) wordt iedere correspondentie tussen bataljons en hun wijken verboden
en wordt de Nationale Garde onder controle van de militaire commissies van de
Conventie geplaatst. Na de "opstanden van prairial" (mei 1795) verliezen
de wijken hun zo dierbare kanonnen en op 6 oktober 1795 wordt de Nationale Garde
onder commando van de generaal van landsstrijdkrachten geplaatst.
Vanaf
10 augustus 1792 worden revolutionaire commissies, in navolging van de gemeentelijke
commissies van toezicht, opgericht. Bij een wet van 21 maart 1793 worden "commissies
van waakzaamheid", in verband met de bedreigde toestand (binnenlandse en
buitenlandse vijanden van de vrijheid) waarin de natie verkeert, officieel erkend
en in iedere wijk ingesteld.
"(4) De commissie ...... zal verantwoordelijk zijn voor het opnemen van de verklaringen van alle vreemdelingen die nu in hun gemeente wonen of daar zullen gaan wonen. (5) Dergelijke verklaringen zullen naam, leeftijd, beroep, geboorteplaats en middelen van bestaan van de ondervraagden bevatten" ...... (7) Iedere vreemdeling die hieraan niet meewerkt ..... zal de gemeente binnen 24 uur en het land binnen een week moeten verlaten." [Nationale Conventie: Decreet voor de instelling van commissies van waakzaamheid, 21 maart 1793; gecit. bij Stewart (red): A Documentary Survey of the French Revolution, 1971, p. 413]
Tevens
zijn de 12-hoofdige commissies belast met de taak aan alle burgers vanaf 18 jaar
een nieuwe "burgerkaart" te verstrekken. Hierbij moeten vier burgers
verklaren dat de kandidaat zijn burgerplichten altijd heeft vervuld. Verdere richtlijnen
voor uitvoering van de wet moeten door de Commune opgesteld worden. De commissies
hebben dus in feite de taak om vermeende contrarevolutionairen op te sporen en
krijgen daartoe bijna onbeperkte volmachten. Ingevolge een wet van 17 september
1793 mogen ze "verdachten" arresteren en maken ze zich los van de controle
van hun wijken en de gemeente. Zo groeien ze snel uit tot een soort autonome rechtbanken
die een ware klopjacht houden op zogenaamde "gematigden" en verworden
uiteindelijk tot instrumenten van de door de Jacobijnen gedomineerde nationale
Commissies van Algemene Veiligheid en Openbaar Welzijn.
Het is de betaling
(3 livres per dag op 12 juli 1793 en 5 livres op 8 november) die er met name toe
bijdraagt dat de door de wijkvergadering gekozen commissieleden onder controle
van de Commune komen te staan. De commissies behoren hierdoor wel tot de meest
democratische wijkinstellingen wat betreft hun samenstelling. Zij bestaan voor
een groot deel uit weinig verdienende sansculotten die in zo'n baantje niet alleen
een gelegenheid zien om hun liefde voor de Republiek te bewijzen, maar ook een
kans om hun levensstandaard en sociale positie te verbeteren.
De revolutionaire
commissies overleven de val de revolutionaire regering op 27 juli 1794 (9 thermidor)
niet en op 24 september 1794 worden ze vervangen door 12 commissies van waakzaamheid,
die elk vier wijken bestrijken. Ook hier verhindert de eis van geletterdheid vele
sans-culotten tot deze nieuwe instellingen toe te treden. Albert Soboul beschouwt
de revolutionaire commissies als de belangrijkste organen van de volksmacht die
de Revolutie heeft geschapen.
Referendum:
het recht van burgers om over wetsvoorstellen
te stemmen
Soevereiniteit berust bij groepen vergaderde burgers.
Wetten zijn volgens de sansculotten pas geldig als ze door het volk zelf gemaakt
of bekrachtigd zijn. Elke wet die niet mede door de volksvergadering is opgesteld,
is willekeurig. Hierbij grijpt men terug op Rousseau die had gesteld dat iedere
wet die niet door het volk was geratificeerd van nul en generlei waarde was, omdat
soevereiniteit niet kan worden vervreemd en wetten de uitdrukking van de algemene
wil zijn. Een pamflet uit de zomer van 1792 verklaart, dat "in tijden van
crisis de mensen er niet tevreden mee zullen zijn om afgevaardigden te kiezen
en hun macht aan hen te delegeren; de vergaderingen van het soevereine volk moeten
bijeen kunnen komen gedurende de zittingstijd van de Nationale Conventie: als
het land in gevaar is moet het soevereine volk op haar posten zijn, aan het hoofd
van haar legers, belast met staatszaken; zij moeten overal zijn". In bijzondere
situaties oefenen de sans-culotten effectieve wettelijke macht uit, zoals tijdens
opstanden of bij het aannemen van de grondwet. Op 30 mei 1791 verklaren de Cordeliers
dat "de natie alleen verantwoordelijk gehouden kan worden voor wetten waar
ze mee instemt en waar ze om gevraagd heeft, dat de grondwet niet definitief is,
voordat die geratificeerd is door het volk; als de wijkvergaderingen het recht
verliezen om de wetten te bekritiseren en hun wensen kenbaar te maken zal de aristocratie
van vertegenwoordigers slechts de feodale aristocratie vervangen".
Op 31 mei 1792 zegt Hanriot, de latere commandant
van de Nationale Garde: "Lange tijd hebben de rijken de wetten gemaakt, het
wordt tijd dat de armen zelf een aantal wetten gaan maken en dat er gelijkheid
gaat heersen tussen de rijken en de armen." De
wijk Marché-des-Innocents vindt,
geinspireerd door Claude-Charles Martin,
dat als de Nationale Conventie (die de Wetgevende Vergadering vanaf 20 september
1792 opvolgt) in zitting is om een een bepaald probleem te bespreken, het volk
daarover ook tenminste een maal per week (zondags) moet vergaderen:
"...... dan zou de wet waarlijk de uitdrukking van de algemene volkswil en niet van sommige individuen zijn, zoals nu het geval is, want dan zouden 200 leden van elke wijkvergadering discussiëren en 101 zouden dan een besluit nemen, dat de kracht van wet heeft." [De la Convention Nationale. Extrait des Délibérations de la Secton du Marché des Innocens du 9 août 1792, l'an 4e de la Liberté, Imprimerie du Cercle Social, Parijs, 1792; gecit. bij R. B. Rose, The making of the 'sans-culottes', p. 168]
Op
9 september 1792 wordt een motie met deze strekking door een afgevaardigde van
de wijk Marché-des-Innocents (zeer waarschijnlijk Martin) in de
departementale Kiesraad ingediend en aangenomen. Ook in de eerste zitting van
de Conventie op 22 september 1792 zijn de afgevaardigden het er na een debat over
eens dat de nieuwe grondwet het instemmingsrecht van het volk moet opnemen.
De wijk Piques stelt het op 2
november 1792 als volgt: "wij zelf alleen kunnen onze wetten vaststellen;
de taak van onze vertegenwoordigers is slechts wetsvoorstellen te doen. De wetten
moeten ter goedkeuring voorgelegd worden aan het volk in hun wijkvergaderingen
en niet aan een raad van gedelegeerden die hen bekrachtigen". De wijken voeren
op grond van deze uitgangspunten ook regelmatig feitelijk verzet tegen wetten
van de Conventie. In de zomer van 1793 verklaart Balestier, lid van de revolutionaire
commissie van de wijk Contrat-Social: "De Conventie bestaat alleen
uit mannen die ervoor betaald worden om wetten te maken waar wij om vragen en
als die besluiten ons niet aanstaan, hoeft daar niet verder over gediscussieerd
te worden en hoeven ze niet uitgevoerd te worden." Op 5 juli 1793 beroept
de president van de wijkvergadering van de wijk Mont-Blanc zich op de wet
om de zitting om 22.00 te sluiten, waarop bataljonscommandant Auvray roept: "Zo'n
wet bestaat er niet, want de bestaande wet is niet bekrachtigd door het volk."
Op 14 juli 1793 verschijnen vele wijkbewoners bij de ingang van de Conventie,
omdat ze het oneens zijn met de grondwet. De Vergadering zegt, dat ze mogen blijven,
"omdat ze hier niet als indieners van een petitie, maar als leden van het
soevereine volk zijn". Op 4 september 1793 dringen de sans-culotten door
in de vergaderzaal van de Gemeenteraad en mengen zich in het debat met hun afgevaardigden.
'Dolleman' Théophile Leclerc schrijft hierover op 21 augustus 1793 in L'Amie
du Peuple: "Soeverein, neem uw plaats in. U, die zich boven de
soeverein geplaatst hebt, sta op van uw hoge zetels, zij behoren toe aan het volk.
U, volk, bezet de banken van deze zaal!"
In 1793 schrijft een Schotse
vrijwilliger John Oswald, die in dienst is getreden van het Franse leger een opmerkelijk
pamflet: 'Le Gouvernement
du Peuple ou Plan de constitution pour la République universelle',
waarin hij fel uithaalt naar het parlementaire stelsel en vurig pleit voor een
federaal direct democratisch stelsel gebaseerd op districtsvergaderingen. Zijn
plan is concreter en omvattender dan de bovengenoemde schets van Jean Varlet.
[zie ook Roger Jacobs introductie: 'John
Oswald: De eerste theoreticus van de directe democratie?']
De "Jacobijnse grondwet van 24 juni 1793" (die nooit in werking
is getreden), wordt uiteindelijk ter instemming via een referendum aan de Franse
burgers voorgelegd en er worden bijna 2 miljoen stemmen uitgebracht.[5]
Hij voorziet in het houden van referenda en jaarlijkse verkiezingen voor de Conventie.
Ook wordt het recht op het indienen van verzoekschriften en vreedzame volksvergaderingen
vastgelegd.
Wijkgenootschappen
nemen de politieke rol van de wijkvergaderingen over
Eind 1793 wordt de macht
van de wijken en de Commune aan banden gelegd en vallen de militante sans-culottenleiders
wederom terug op een beproefd recept: volksgenootschappen, ditmaal per wijk georganiseerd.
Maar ook zij worden door de Commissie van Openbaar Welzijn (Comité du
Salut Public, een uitvoerende landelijke commissie met vergaande bevoegdheden)
onderdrukt. Middels deze organen voeren de militante sansculotten wijkpolitiek,
besturen ze de commissies en zetten ze de gemeentelijke en landelijke autoriteiten
onder druk.
Vooral in de winter van 1793/94 zijn de wijkgenootschappen
de basisorganen van het politieke leven. Ze nemen geen genoegen met de rol van
steunpilaren van de centralistische landelijke uitvoeringscommissies of zoals
voorheen met louter een rol van opvoeders en waakhonden en proberen greep te krijgen
op de wijkvergaderingen en hun uitvoerende commissies. Een deel van de wijkgenootschappen
(13) dateert al vanaf de oprichting van de eerste stedelijke volksgenootschappen
uit de periode 1790-1792. Tussen januari en september 1793 worden er 7 wijkgenootschappen
opgericht. In totaal worden er, van het begin af aan, 26 als wijkgenootschappen
opgericht om de wet op opheffing van de permanentie van de wijkvergaderingen tegen
te houden. De contributie voor leden is lager dan die voor de oudere volksgenootschappen
en arme sans-culotten kunnen geheel worden vrijgesteld van betaling.
De meeste wijkgenootschappen roepen ook commissies in het leven, bijvoorbeeld
een correspondentie-commissie, een welzijnscommissie of een commissie van waakzaamheid.
Terwijl de oude volksgenootschappen tweemaal per week bijeenkwamen, doen de wijkgenootschappen
dat - net als de wijkvergaderingen - veel vaker. Zij willen ook functioneren als
instellingen die de gematigden bestrijden. Als permanente zittingen van de wijkvergaderingen
worden verboden, omzeilen vele wijkgenootschappen de wet en houden zittingen op
de dagen dat de wijkvergaderingen niet bijeen mogen komen, dat wil zeggen soms
elke dag behalve de 5e en de 10e van de week (in de revolutionaire kalender bestaat
een maand uit 3 weken van 10 dagen). Een zitting begint om 18.00 uur en in de
zomer om 19.00 uur.
Vanaf
10 augustus 1792 wordt er hoofdelijk gestemd. Alle wijkvergaderingen zijn openbaar.
Als de Conventie op 19 oktober 1792 een wet op geheime stemming uitvaardigt, verdedigen
een aantal wijken hun recht om zelf stemprocedures te bepalen. Sommige wijken
zijn tegen de geheime stemming, omdat men bang is dat "partijpolitiek"
het stemgedrag beïnvloedt, gematigden oncontroleerbaar worden en het niet
"bevorderlijk voor de vrijheid" is.
Tegen de herfst van 1793 verdwijnt de geheime stemming uit de politiek van de wijken en wordt niet langer als grondwettelijk beschouwd. De sans-culotten gaan meer bij acclamatie of (in mindere mate) bij opstaan stemmen, zoals ze al in tijden van acute crises gewend waren. Dit systeem houdt stand tot het voorjaar van 1794. Onder publieke druk wordt het ook in de gemeenteraad toegepast. Albert Soboul merkt hierover terecht op: "Dit stemmen bij acclamatie of door op te staan, dwong de twijfelaar nog meer dan de hoofdelijke stemming om kleur te bekennen en schakelde alle vormen van oppositie uit."
Er
worden zo nu en dan verwoede pogingen ondernomen om net als de wijkvergaderingen
centrale commissies in het leven te roepen. Het Broederlijk Genootschap der Twee
Seksen onderneemt zo'n poging op 24 augustus 1793. Maar de tegenwerking van de
Jacobijnen en de departementale autoriteiten is groot. En op 4 december 1793 wordt
elke vorming van een centraal orgaan van wijkgenootschappen bij wet verboden.
In de organisatie van de Revolutionaire Regering past geen ander opinie-vormend
lichaam dan de Jacobijnse moederorganisatie.
In
sommige wijken waar de algemene vergaderingen hun permanentie verloren hebben,
nemen de volksgenootschappen de taak op zich om de besluitvorming voor te bereiden
en voorstellen ter discussie in te brengen. In vele wijken beperken de wijkvergaderingen
zich tot het bekrachtigen van besluiten van de genootschappen. In sommige wijken
treden zij zelfs in hun plaats en verlagen de algemene vergaderingen tot louter
registratiekantoren. Soms belasten de wijken de genootschappen met administratieve
taken. Zij krijgen opdrachten van de gemeente om de wijken te zuiveren van onbetrouwbare
commissieleden en ambtenaren, vullen de commissies aan met leden uit hun midden
en nemen ook de taak van de commissies waar om certificaten van politieke betrouwbaarheid
"burgerkaarten" te verstrekken.
Burgers die zij de kaart weigeren, hebben
geen beroepsrecht meer.
Het percentage leden van Volksgenootschappen
ligt in de periode juli 1793-mei 1794 (na de zuiveringen) tussen de 4-11% van
het aantal burgers. Opgericht om met name de burgers zonder stemrecht te vormen,
bestaan zij voornamelijk uit sans-culotten in redelijke omstandigheden (lagere
middenklasse), zoals winkeliers (juweliers), straathandelaren en meester-handwerkslieden
(klokkenmakers, schoenmakers); leerling-handwerkslieden en dagloners (steenhouwers,
houthakkers) krijgen pas invloed vanaf de herfst van 1793.
Maar tot de voornaamste
gangmakers van de wijkgenootschappen behoort een kleine "elite" van
militante sansculotten.
Gedurende 1793 vormen de volksgenootschappen
een strijdmacht tegen de gematigden en worden daarbij in de zomer gesteund door
de opkomende revolutionaire regering. In de herfst van dat jaar toont de toename
van het aantal wijkgenootschappen de wens van de militanten om hun greep op het
politieke leven te verstevigen. Daarna liggen de wijkgenootschappen en de regeringsbureaucratie
met elkaar overhoop: in het de ene kamp zitten de sans-culotten met hun directe
democratie en in het andere de Jacobijnen met hun dictatoriale centralisme.
Met een gewapende macht tot hun beschikking, waarvan ze de officieren zelf
benoemden en met het kiezen van hun eigen ambtenaren en commissies, vormen de
wijken een heel netwerk van zelfstandige instellingen in de hoofdstad. Door communicatie
in normale tijden en door verbroedering in tijden van crises verdubbelen de wijkinstellingen,
-vergaderingen, -commissies en -genootschappen de gemeentelijke politieke organisatie.
Dat is een machtige kracht die dreigt de revolutionaire commissies te vervangen
en die het sociale evenwicht, waarop de revolutionaire regering is gebaseerd,
dreigt te vernietigen ten gunste van de sans-culotten.
Aan de macht
gekomen om de bourgeoisrevolutie te verdedigen, kunnen de regeringscommissies
de instellingen van het volk, die zich aan hun macht onttrekken, niet dulden.
Ze beroven de wijken van het recht om zelf hun commissarissen te benoemen, die
nu door de regering betaald, als staatsdienaars onder gezag van de regering worden
gesteld. Zij temmen de wijkvergaderingen en onderdrukken de wijkgenootschappen
en op 22 mei 1794 worden de 39 wijkgenootschappen opgeheven.
Het einde
van de aspiraties van de sans-culotten
Vanaf
de lente van 1795 probeert men de permanentie van de wijken terug te draaien.
Er heerst niet alleen binnen de Conventie maar ook binnen de wijken grote angst
voor de macht van de sans-culotten. Nog eerder dan de Conventie besloot de wijk
République om de vergadertijd naar overdag (tussen 11.00-15.00 u.)
te verplaatsen. Op 28 april 1795 verplaatst de Conventie de zittingstijd van de
wijkvergaderingen naar 13.00-16.00 uur, zodat de sans-culotten hen niet meer bij
kunnen wonen. Andere wijken reageerden met "permanente" zittingen. Zo
hield op 29 april 1795 de wijk Montreuil een zitting die pas zou worden
opgeheven als het voedselprobleem voldoende was besproken. Op 20 juni 1795 is
één der eisen van de massa die de Conventie binnendringt de permanentie
te herstellen, maar vier dagen later ontzegt de Conventie vrouwen (die sinds de
zomer van 1792 welkom waren en actief deelnamen vanaf de zomer van 1793) de toegang
tot de wijkvergaderingen. In de herfst van 1795 is de politieke rol van de sans-culotten
uitgespeeld.
De wijkbesturen
komen in handen van reactionaire krachten.
De
opstanden van april/mei 1795 (germinal/prairial jaar III) waarin men een aantal
malen de Conventie bestormt en brood en invoering van de grondwet
van 1793 eist, zijn de laatste wanhopige pogingen van de sans-culotten
om het parlementaire stelsel door hun directe democratie te
vervangen. Op 1 april 1795 weigerde een vrouw uit de menigte die de Conventie
was binnengedrongen haar plaats aan de afgevaardigde terug te geven en roept:
"Wij zij hier op onze plaats!" Op 20 mei 1795 probeerde
de voorzitter van de Conventie de indringers in toom te houden
met de woorden: "U bevindt zich temidden van de vertegenwoordigers
van de natie". En het volk antwoordde in koor: "Schurk, wat heb je met
ons geld gedaan?" en iemand roept: "Maak dat je weg
komt, jullie allemaal! Wij gaan zelf de Conventie vormen!"
"Tegen middernacht zaten de vertegenwoordigers van uiterst links en de bras nus (letterlijk: blote armen; aanduiding voor mensen van het gewone volk die hun mouwen moesten opstropen om voor hun brood te werken) naast elkaar in de banken van de Nationale Conventie die door de meerderheid was verlaten en maakten ze wetten. [Daniel Guérin: De klassenstrijd in de Franse Revolutie, p. 240]
Een
analfabete sansculotte, commissaris van de wijk Indivisibilité verklaarde
die dag: "Autoriteit bestaat niet langer, het volk is in opstand, wij hebben
niet langer bevelen nodig, want het volk is de baas". Een ander verklaarde
de volgende dag: "Ik erken de Conventie niet langer, want ik ben in opstand".
Toch was er op kritieke momenten een aarzeling bij de militante sans-culotten
om parlement en regering te passeren uit een bepaald gevoel van ontzag voor deze
nationale instellingen. Deze belichaamden in hun ogen de eenheid van de nieuwe
republiek op zodanige wijze, dat de eigen politieke aspiraties telkenmale bezweken
voor het verraderlijke patriottisch sentiment. Dat maakte de strijd van de sans-culotten
deels tot een defensief gevecht, waarin het parlement onder druk werd gezet; daarbij
werd soms - tijdens de historische dagen (journées) - het wapen
van de opstand gebruikt om wetten af te dwingen .
Maar aan de andere
kant hebben de nieuwe organen van het volk - onder moeilijke historische omstandigheden
- korte tijd een systeem van directe democratie in de praktijk gebracht:
districts- en wijkvergaderingen (en toen die werden uitgeschakeld),
de volksgenootschappen,
de daarop geënte revolutionaire Commune en
de door de vergaderingen gecontroleerde uitvoerende wijkcommissies.
Hannah Arendt die de wijken en met name de wijkgenootschappen
als de "schat" van de Revolutie ziet, neigt er soms toe de actieve rol
van de massa te onderschatten als zij haar als speelbal van de politieke strijd
van de burgerlijke facties opvoert.
"Aangezien er op geen enkel vlak overeenstemming was tussen de parlementaire groeperingen werd het voor elk van hen een kwestie van leven of dood om alle andere te overheersen en de enige manier om dat te bereiken was de massa buiten het parlement te organiseren en de Nationale Vergadering te terroriseren met deze druk van buiten hun gelederen" [Arendt: On Revolution, 1965 p. 247]
Albert Soboul benadrukt meer de creativiteit en kracht van het gewone volk om de bestaande instellingen voor hun doeleinden in te zetten:
"Door voordeel te trekken uit de wettelijke instituties die door de Grondwetgevende Vergadering geschapen werden en tenslotte door de wijkgenootschappen om te smeden tot een bijzondere volksmacht, voorzagen de millitante sans-culotten de revolutionaire beweging van een organisatie die zowel flexibel als effectief was." ........ "De wijkinstellingen waren zeer succesvol in hun strijd tegen de instituties van de stad en staat. De gebeurtenissen van 10 augustus 1792 en 31 augustus 1793 waren mogelijk dankzij hun commissies van opstand. Geboren uit de Revolutie hielpen de wijkinstellingen haar vooruit en werden er op hun beurt door versterkt." [Soboul: The Sans-culottes, 1980 p. 163 en 192]
Daniel
Guérin stelt vast, dat de sansculotten in mei 1795 "de fout van hun
voorgangers verergerden", omdat zij zich slechts meester maakten van de wetgevende
macht, maar het niet waagden de uitvoerende macht te grijpen. Hij illustreert
dat met het verhaal van de "gekleurde" legercommandant Delorme wiens
bevel om de kanonnen die op de Tuillerieën (waar de Conventie en de regering
vergaderde) gericht waren te ontsteken niet werd opgevolgd. Daarop bijt de teleurgestelde
man z'n manschappen toe: "Als jullie, lafaards, mij m'n gang hadden laten
gaan, zouden wij nu meester zijn over heel Parijs." Soboul valt hem bij als
hij stelt dat "de opstandelingen (toen ze op 20 mei de Conventie binnenstormden,
R. d. V.), niets deden om de regeringscommissies uit te schakelen, maar komt anders
dan Guérin tot de conclusie dat "de opstandelingen zich (door de Conventie,
R. d. V.) hebben laten beetnemen door een voorgewende 'verbroedering'".
Richard Cobb is in tegenstelling tot Guérin van mening, dat
"de sans-culotten, hoewel ze over de kracht en de instituties beschikten om de politieke macht te veroveren, toch slechts die kracht gebruikten om de Conventie te overtuigen en nooit om haar op te heffen en te vervangen." en dat "ze uiteindelijk niet de soevereiniteit van de Conventie ter discussie stelden, zelfs toen ze de rechtmatigheid van de revolutionaire regering wel betwistten." [Cobb, Popular Movements, p. 224]
Soboul geeft in zijn boek De Franse Revolutie een drieledige verklaring voor de teloorgang van de directe democratie in opbouw:
Toch kon de revolutionaire volkstraditie
(ook door Napoleon) niet uit de geschiedenis gebannen worden. In 1830, 1848 en
1871 (Commune van Parijs) herrees het "spook" van de directe democratie
in Parijs weer uit z'n as.
Lessen
uit het Parijse experiment
Wat kunnen we leren uit de ervaringen van de sans-culotten?
1. In de eerste plaats valt het op hoe instituten (verkiezingsvergaderingen) van de gevestigde orde op creatieve wijze kunnen worden omgebouwd tot actieve instellingen van directe democratie (wijkvergaderingen). Op dit moment zouden dat het bijvoorbeeld de wijkraden, zoals die in een aantal steden bestaan, kunnen zijn, indien deze zich gaan gedragen als autonome wijkvergaderingen of serieuze discussieplatforms op het internet die kunnen uitgroeien tot ware virtuele politieke themavergaderingen. Hun wetgevende activiteit zal aanvankelijk een symbolisch karakter hebben, maar ze kunnen, bij voldoende weerklank en enthousiasme bij de deelnemers, op den duur mogelijk gaan concurreren met de (deel)gemeenteraden en traditionele politieke instituties die het lokale niveau overstijgen.
2.
In de tweede plaats laat de ontwikkeling zien hoe goed functionerende instellingen
(wijkvergaderingen) van directe democratie, bij uitschakeling op een inventieve
manier vervangen kunnen worden door nieuwe instellingen (wijkgenootschappen) die
dezelfde functies gaan vervullen. Dit kan ons vertrouwen geven in de toekomst:
wanneer een democratische beweging zich sterk ontwikkeld heeft, zal zij waarschijnlijk
niet snel ontmoedigd zijn door tegenwerking en veel energie aan de dag leggen
om alternatieve politieke instituties te creëren.
3. In de derde plaats tonen Jean Varlet en John Oswald in het voetspoor van Rousseau aan hoe verassend eenvoudig het in principe is om een werkbare (federatieve) vorm van directe democratie voor een groot land te bedenken, zelfs in een situatie zonder de moderne communicatiemiddelen. Landelijke wetsvoorstellen die door een parlement, dat als het ware als een Atheense boulè (wetvoorbereidende raad van 500) functioneert, kunnen aan alle wijkvergaderingen ter discussie en stemming worden voorgelegd, zodat het volk steeds bij referendum, op alle niveaus, alle wetten maakt.
4. In de vierde plaats zien we hoe ondermijnend een sterke nationalistische ideologie kan werken op pogingen om een democratie van onderop vorm te geven, waardoor het gezag van het landelijk parlement tenslotte de basisdemocratische aspiraties van het volk verlamt. In de huidige natiestaten is die ideologie ook sterk ontwikkeld, mede in stand gehouden door allerlei symbolen en identiteiten van nationale eenheid en chauvinisme. Het is belangrijk, dat hiervoor nieuwe identiteiten ontwikkeld worden die mensen aanspreken als lid van een wijkgemeenschap en daarop geënt als wereldburger: wij van de wijk A in Europa zijn er trots op, dat wij wijk B in Afrika actief hebben geholpen bij het opzetten van een hospitaal. Hier kan een belangrijke taak liggen voor onderwijs en welzijnswerk.
5. In de vijfde plaats zien we het gevaar dat afgevaardigden en beambten die in overkoepelende organen functioneren, los komen te staan van hun "opdrachtgevers" in de regionale organen en zich zo fatale centralistische tendensen ontwikkelen. De sansculotten waren niet alleen zeer gericht op controle van hun afgevaardigden in parlementaire organen, maar evenzeer op het functioneren van hun uitvoerende commissies en ambtenaren. Dat laatste is eigenlijk te vergelijken met de parlementaire enquête, alleen heeft die hier een structureel en permanent karakter (wekelijkse rapportage).
6. We zien tenslotte dat de ontluikende directe democratie in revolutionair Parijs, net als in klassiek Athene, niet door onwerkbaarheid van het stelsel zelf, maar door krachten van buitenaf werd ondermijnd. In dit geval een krachtige parlementaire ideologie uitgedragen en afgedwongen door een belangenbewuste bourgeoisie. Ook invloedrijke Jacobijnen als Robespierre en Saint Just verloochenden uiteindelijk hun eertijds radicale Rousseauïaanse opvattingen. Het is dus van belang om de schijnbaar onaantastbare filosofie van het parlementaire stelsel met zijn partijsysteem (en centralistische nationale staat) voortdurend kritisch tegen het licht te houden.
| 1789 |
13
juli | De Parijse kiesraad vormt een burgermilitie van 40.000 man (later Nationale Garde genoemd). |
|
14
juli | Opstand van het volk, dat het gehate symbool van de oude macht, de Bastille-gevangenis inneemt. | |
|
5
okt. | Een menigte, geleid door vele vrouwen trekt op naar Versailles en dwingt de koninklijke familie naar Parijs terug te keren. | |
| 1790 |
2 febr. | Oprichting van het eerste Volksgenootschap |
|
27 april | Oprichting van de 'Club der Cordeliers' die waakzaam willen zijn tegen misbruik van macht | |
| 1791 |
10 mei | De Constitutionele Vergadering verbiedt collectieve petities van de Volksgenootschappen en de Wijken |
|
21
juni | De koning probeert te vluchten, maar wordt bij Varennes onderschept en door de Nationale Garde naar Parijs gebracht. | |
|
17
juli | 50 mensen worden tijdens een massa-demonstratie om een petitie kracht bij te zetten, gedood door de Nationale Garde. | |
| 1792 |
7
juli | De Parijse wijken verklaren zich 'permanent'. |
|
3 aug. | 47 van de 48 wijken eisen in een petitie het aftreden van de koning. | |
| 9
aug. | Een revolutionaire Commune werpt zich op als tegenhanger van de 'wettige' gemeenteraad. | |
| 10
aug. | Alle burgers krijgen toegang tot de wijkvergaderingen (afschaffing censuskiesrecht). | |
| 1793 |
21
jan. | De koning wordt als burger 'Lodewijk Capet', na een proces van 6 weken, middels de guillotine terechtgesteld. |
|
9 maart | Mislukte opstand onder leiding van de 'Dollemannen' (Enragés). | |
| 31
maart | De Revolutionaire Commune wordt ingesteld, maar moet na enkele uren het veld ruimen. | |
| 29
april | De Commune stelt een comité in dat een briefwisseling moet onderhouden met de 44.000 gemeenten in heel Frankrijk. | |
|
12
mei | De wijken kiezen een Centraal Revolutionaire Comité, onder leiding van Jean Varlet dat vergadert in het Evêche. | |
|
31
mei | Opstand: demonstratie van de sans-culotten in de Conventie tegen de Girondijnse afgevaardigden. | |
| 24
juni | De radicale 'Constitutie van Robespierre' wordt via een referendum met een grote meerderheid aangenomen. | |
|
9
sept. | De wijken verliezen het recht om permanent te vergaderen; zij vormen Volksgenootschappen om het verbod te ontduiken. | |
|
4
dec. | De Commune wordt volledig ondergeschikt gemaakt aan de centrale overheid. | |
| 1794 |
22
mei | Alle wijkgenootschappen van Parijs worden ontbonden. |
|
27
juli | 9 Thermidor: val van de revolutionaire regering (schrikbewind); het volk laat toe dat Robespierre gearresteerd wordt. | |
| 1795 |
1
april | Opstand van Germinal: de sansculotten bezetten de Vergaderzaal van de Conventie. |
| 20
mei | Opstand van Prairial: de sansculotten bezetten de Conventie wederom, maar laten zich met valse beloften afschepen. | |
|
5
okt. | Laatste opstand van het volk tegen de grondwet van augustus 1795, waarin het censuskiesrecht weer wordt ingesteld. |
Noten
1 Sans culotte betekent zonder kniebroek,
dus met een lange broek (en korte mouwen). De kniebroek was het kenmerkende
kledingstuk van aristocraten en gegoede burgerij.
Met het begrip sans-culottes werden handwerkslieden , kleine handelaren,
winkeliers, dagloners, daklozen en stedelijke armen aangeduid. Na juni 1792
krijgt de term ook een politieke inhoud en wordt gebruikt voor alle radicale
republikeinen. [Rudé, The Crowd in the French Revolution, 1977,
p. 12]
"Een document uit mei 1793 beantwoordt "de brutale vraag: Maar
wat is een sans-culotte? als volgt: 'Hij gaat altijd te voet ... en leeft
zeer eenvoudig met z'n vrouw en kinderen, als hij die heeft op de 4e of 5e verdieping.'
In de Père Duchesne van jan./feb. 1793 (nr. 339) lezen we: 'Als
je de bloem van de sans-culotten wilt leren kennen, zoek de arbeiders dan op
in hun zolderkamers'. De sans-culotte is productief, 'want hij weet hoe je een
akker moet bewerken, hoe je ijzer moet smeden, hoe je moet zagen, hoe je moet
polijsten, hoe je een dak moet bedekken, hoe je schoenen moet maken. ... En
omdat hij werkt, zul je hem nooit in het Café de Chartres of in
de kroegen, waarin samenzweringen worden beraamd en wordt gegokt of in het Théatre
des Nations wanneer L'Ami des Lois (de vriend der wetten) wordt opgevoerd.
... 's-avonds gaat hij naar de hoofdkwartieren van zijn wijk, ongepoederd, ongeparfumeerd
en ongelaarsd in de hoop dat hij de aandacht krijgt van alle burgervrouwen die
op de publieke tribune, maar om goede wetsvoorstellen met al z'n inzet te ondersteunen.
... Bovendien heeft een sans-culotte altijd een scherp zwaard om de oren van
booswichten af te snijden. Soms loopt hij rond met zijn spies, maar bij het
eerste geluid van de trommel zie je hem vertrekken naar de Vendée
(waar een contrarevolutionaire opstand uitbrak), naar het Alpenleger
of het Noordelijk leger.'" [gecit. bij Soboul, The Sans-culottes,
1980, p. 24/25]
2 De Nationale garde werd samengesteld uit
60 districtsbataljons van 500 man en een centrale staf (1058 officieren). Later
werden nog een centraal cavaleriebataljon, een aantal divisies granaatwerpers
en "chasseurs" toegevoegd. 20% van de districtsinfanteristen waren
fulltime beroepsmilitairen. Uitgesloten van dienst waren niet-ingezetenen, handwerkslieden,
dagloners en huisbedienden. (Het uniform kostte 80 livres, enkele weken werken
voor een dagloner of handwerkgezel). Tegen dit reglement van La Fayette kwam
echter een protest van 17 districten die het in strijd met de gelijkheid van
de burgers vonden. Alle districtscommandanten werden door de districtsvergadering
gekozen. Ook hier zie je een tendens tot verzelfstandiging en centralisatie
ontstaan bij de elitetroepen die loyaal aan la Fayette waren. [Rose, The
making of the 'sans-culottes']
3 Rousseau is dubbelzinnig over de directe
democratie: enerzijds meent hij dat het vertegenwoordigend stelsel volstrekt
in strijd is met de soevereiniteit van het volk, anderzijds meent hij echter
dat een directe democratie alleen in een kleine gemeenschap kan functioneren.
Hij lost het dilemma op door te spreken van gevolmachtigden van het volk die
alle wetsvoorstellen ter goedkeuring aan het volk moeten voorleggen. [zie:Jean-Jacques
Rousseau, Het maatschappelijk verdrag, Boom, Meppel, 1995, p. 101-102,
126-128 en voor de discussie hierover: Guerin, De klassenstrijd in de Franse
Revolutie; bourgeois en bras nus, 1793-1795, Het Wereldvenster, Weesp,
1984 p. 29-30]
4 Een slotenmakerleerling verdiende in
juni 1793 een gemiddeld dagloon van 78 sous. Dit dagelijks budget zal hij ongeveer
als volgt besteed hebben: 2 kilo brood > 12 sous, huur > 6 sous, 1,5 liter
wijn > 24 sous, 1 pond vlees > 18 sous en overige levensmiddelen (bijv.
groente, olie en kleding enz.) 18 sous. [bron: Rudé, The Crowd in
the French Revolution, 1977, tabel op p. 252]
5 Art. 59: Als 40 dagen na het bekend worden
van een wetsvoorstel in de helft plus één van de departementen
van in tenminste 10% de reglementair ingestelde wijkvergaderingen (assemblées
primaires) in elk van deze departementen niet wordt verworpen, zal het voorstel
tot wet verheven worden. Art. 60: Als het wetsvoorstel wordt verworpen,
zal het parlement de wijkvergaderingen bijeenroepen. Art. 60: Als de wet verworpen
wordt, zal het Wetgevend Orgaan de wijkvergaderingen bijeenroepen. [bron: Stewart,
A Documentary Survey of the French Revolution, 1971, p. 463]
De grondwet werd goedgekeurd met 1.800.000 stemmen voor en 17.000 tegen; meer
dan 100.000 burgers wilden alleen met een gematigder versie instemmen. [bron
Soboul, De Franse Revolutie, 1975, p. 268]
Literatuur
(Alle
genoemde literatuur is beschikbaar in de MEDIATHEEK
Directe Democratie)
ARENDT, Hannah, De Revolutie: macht en onmacht van een modern politiek
verschijnsel (vert. v. On Revolution, New York, 1963), Aula-boeken,
Antwerpen/Utrecht, 1965 [Interessant in dit verband is vooral hoofdstuk 6: De
revolutionaire traditie en haar verloren schat (pp 230-300). Het boek bevat
helaas wel een aanzienlijk aantal storende vertaalfouten]
BOOKCHIN,
Murray, The Third Revolution: Popular Movement in the Revolutionary
Era, Vol. 1, Cassell, New York, 1996 [Relevant
is Part IV, Ch. 19: The Sections of Paris. Het
boek bevat een beredeneerde
literatuuropgave]
COBB, Richard, Popular Movements, Popular Protest
and Repression in France 1793-1818 in: Richard Cobb, The French and
their Revolution, Selected writings edited and introduces by David Gilmore,
Joh Murray, Londen, 1998 pp 140-248 [Relevant is deel III: The Popular Movement
in its Prime: The Sansculottes of the year II, pp 214-248]
GOODWIN,
A, De Franse Revolutie (vert. v. The French Revolution,),
W. de Haan (Phoenix Pocket nr. 44), Zeist, 1960
GUÉRIN, Daniël,
De klassenstrijd in de Franse Revolutie; bourgeois en bras nus,
1793-1795 (vert. v. Bourgeois et bras nus, 1793-1795 d. Marjolein
Jacobs en Jolijn Tevel, Parijs, 1978) Het Wereldvenster, Weesp, 1984 [Vooral in
de Inleiding gaat de auteur in op de problemen van de directe democratie]
JACOBS, Roger, 'John
Oswald:
De eerste theoreticus van de directe democratie?' in:
ATHENE, webtijdschrift voor directe democratie, jrg 2, nr. 1
(3), 2003
MARKOV Walter / SOBOUL Albert (red.) Die Sansculotten von Paris:
Dokumente zur Geschichte der Volksbewegung 1793-1794 (voorwoord d. Georges
Lefebvre) Akademie Verlag, Berlijn, 1957 [Frans en Duitstalig]
OSWALD,
John, 'De
Volksregering
of Oprichtingsplan voor de universele Republiek' (vert. d. Roger Jacobs v. 'Le
Gouvernement du Peuple',
1793) in: ATHENE, webtijdschrift voor directe democratie, jrg 2, nr. 1
(3), 2003
ROSE, R.
B., The
Enragés: Socialists of the French Revolution?, Sydney Un.
Pr., 1968/65
ROSE,
R.
B., The making
of the 'sans-culottes': Democratic ideas and institutions, 1789-92,
Manchester Un. Pr., Manchester, 1983 [De
auteur beschrijft het ontstaan van Districten,
de opkomst van de Volksgenootschappen en de eerste periode van de Secties]
RUDÉ, George, The Crowd in the French Revolution, Oxford
Un. Pr., Londen enz., 1977/1959
SLAVIN, Morris, The French Revolution
in Miniature: Section Droits-de-l'Homme, 1789-1795, Princeton Un.
Pr., Princeton, 1984
SLAVIN, Morris, The Making of an Insurrection:
Parisian Sections and the Gironde, Harvard Un. Pr., Cambidge (VS)/Londen,
1986 [De auteur beschrijft in detail de ontwikkelingen die leidden tot de opstand
van 31 mei-2 juni 1793 en de rol van de "Dolle Mannen" (Enragés)
daarbij]
SLAVIN,
Morris, 'Jean
Varlet als verdediger van directe democratie' (vert. v. 'Jean
Varlet as defender of Direct Democracy' in: Morris Slavin, The Left
and the French Revolution, Humanity Press, Atlantic Highlands, 1995 pp 58-80;
eerder verschenen in: Journal of Modern History, nr. 39, december
1967, pp 387-404
SOBOUL,
Albert, Die Dokumente der Pariser Sektionen von 1790 bis zum Jahre IV
in: Walter Markov (ed.) Jakobiner und Sansculotten, Beiträge zur Geschichte
der französischen Revolutionsregierung 1793-1794, Rütten & Loening,
Berlijn, 1956, p. 135-142
SOBOUL,
Albert, The Sans-culottes: The Popular Movement and Revolutionary Government,
1793-1794 (vert. Remy Inglis Hall; oorspr. Parijs, 1965) Princeton Un. Pr.
Princeton, 1980/72 [zonder noten; met register]; Franzözische Revolution
und Volksbewegung: die Sansculotten, Die Sektionen von Paris im Jahre II (bew.
en red. Walter Markov, vert. Claus Werner) Suhrkamp Verlag, 1978 [uitgebreider
dan de Engelstalige versie; met noten; zonder register] Aan beide uitgaven ligt
Sobouls deel 2 van Les Sans-culottes parisiens en l'an II: Mouvement populaire
et gouvernement révolutionaire 2 juin 1793 - 9 thermidor an II uit
1965 ten grondslag.
SOBOUL, Albert, De Franse Revolutie (vert. v. Précis
d'histoire de la Révolution française d. C Jongenburger, 1972),
2 delen, Van Gennep, Amsterdam, 1979
STEWART,
John Hall (red): A Documentary Survey of the French Revolution,
The Macmillan Company, Toronto, 1971/1951
THOMPSON, J. M., The French Revolution, Oxford Un. Pr., New
York, 1966/43 [Hoofdstuk XVI: Commune, pp 315-337]
VARLET,
Jean, Schets voor
een bijzonder en bindend mandaat (vert. v. Projet
d'un mandat spécial et imperatif - Aux mandataires du peuple
à la Convention Nationale, Parijs, 1792)
WILLIAMS, Gwyn A.,
Artisans
and Sans-Culottes, Popular Movements in France and Britain
during the French Revolution, Edward Arnold, Londen, 1968 [hoofdstuk 2: Sans-Culottes,
pp. 19-38]