ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > BOEKBESPREKINGEN > De Wijken van Parijs
  februari 2003 [3]



SIMON SCHAMA’S KRONIEK VAN DE FRANSE REVOLUTIE

Kroniek van de Franse Revolutie door Simon Schama (vert. v. Citizens, A Chronicle of the French Revolution, New York, Knopf, 1989), Amsterdam, Contact, 2000 [Olympus paperback, 920 p., €  17,50;  in 1989 verschenen als Burgers]



door Morris Slavin

De schrijver is emeritus hoogleraar geschiedenis aan de Youngstown State University (Ohio, Verenigde Staten). Hij schreef onder meer: The French Revolution in Miniature: Section Droits-de-l’Homme, 1789-1795 (1984); The Making of an Insurrection: Parisian Sections and the Gironde (1986); The Hébertistes to the Guillotine: Anatomy of a "Conspiracy" in Revolutionary France (1994)

Vertaling van Simon Schama's Citizens, verschenen in: Morris Slavin, The Left and the French Revolution, Humani­ties Press, New Jersey, 1995, pp. 169-173 (Ch. 11) door Roger Jacobs



Robespierre had de gewoonte om zijn gematigde tegenstanders te verwijten dat ze "een revolutie wilden zonder een revolutie". Simon Schama wil helemeel geen revolutie. Door "de mythologie van de revolutie van zich af te schudden" (zie het interview door Mervyn Rothstein in de New York Times van 27 april 1989), heeft Schama zijn eigen mythologie gecreëerd. Hij geeft toe dat hij niet gelooft in "zuivere objectiviteit" - welke histo­ricus doet dat wel? Maar de lezer heeft het recht om van hem een eerlijke behandeling te verwachten van revolutionairen in de reële omstandigheden van een diepe sociale en politieke crisis. Spijtig genoeg, zoals Thomas Paine zei over Edmund Burke, "heeft hij wel medelijden met het gevederte, maar vergeet hij de stervende vogel". Schama ziet de Revolutie als een opeenvol­ging van schokkende gebeurtenissen. In dit opzicht is zijn relaas een sensationeel verhaal. Zelden bekijkt hij de gebeur­tenissen vanuit het gezichtspunt van de revolutionairen en nooit betoont hij sympathie voor hen. In plaats daarvan beoor­deelt hij de beweging vanuit de visie van de slachtoffers: maar de slachtoffers zijn niet de Girondijnen, de Dollemannen, de Hébertisten of de Jacobijnen van de linkerzijde, maar wel de Malesherbes, de Neckers en de Talleyrands. Bovendien is zijn aandacht onevenredig verdeeld. De tekst is 867 bladzijden lang, maar de val van de Bastille begint pas op bladzijde 375. Deel vier, dat de titel draagt "Deugd en dood" en be­trekking heeft op de belangrijkste en in sommige opzichten de meest relevante gebeurtenissen voor onze eigen tijd, beslaat nauwelijks 170 bladzijden. Nochtans probeert dit deel een opsomming te geven van de dramatische gebeurtenissen van de winter van 1793 tot de val van Robespierre in de zomer van 1794. Schama heeft weinig te zeggen over de val van Robespier­re en de Grote Commissies en niets meer dan een "Epiloog" over de gebeurtenissen na de 9de Thermidor. Wat zijn visie op revoluties in het algemeen betreft, schrijft hij dat "het onmogelijke vragen een goede definitie is van een revolutie" (p. 330). Dit vertelt ons echter meer over de benadering van de auteur dan over zijn thema.

Laat ons de tekst meer gedetailleerd bekijken. Zoals zo vele van zijn zogenaamde revisionistische tijdgenoten twijfelt Schama er nooit aan dat het "ancien Régime" "modern" of "bur­gerlijk" was, of in ieder geval niet langer feodaal. Nochtans zijn er in de hele tekst talrijke verwijzingen te vinden naar het heerlijke systeem, naar feodale lasten, naar arbeidsverplich­tingen (corvées) en andere gebruikelijke feodale afpersings­praktijken (zie bijvoorbeeld op p. 437 e.v. en het opdoeken van de feodale privileges op 4 augustus 1789 door de Nationale Vergadering, p. 442). Hij citeert goedkeurend een conservatie­ve Franse historicus, Guy Chaussinand-Nogaret, die schrijft dat "een edelman niets meer was dan een succesvolle bourgeois" (p. 132) om zich vervolgens tegen te spreken door te schrijven dat "de Assemblée Constituante in ieder geval niet bourgeois was" (p. 482). Maar als de Vergadering niet burgerlijk was, dan moest ze adellijk van karakter zijn. (We gaan ervan uit dat het niet nodig is aan te tonen dat ze niet gedomineerd werd door sans-culottes of boeren). Maar hoe zou ze adellijk hebben kunnen zijn wanneer, volgens Chaussinand-Nogaret en Schama, een edelman niet meer geweest zou zijn dan een burger.

Bovendien negeert hij de beruchte toespraak van Lodewijk XVI drie weken voor de val van de Bastille (23 juni 1789). "Elke eigendom zonder uitzondering", verklaarde de koning, "zal op elk moment gerespecteerd worden en Zijne majesteit verstaat onder eigendom uitdrukkelijk de tiendeheffingen ... de feodale [en heerlijke] rechten en plichten en, meer in het algemeen, alle rechten en privileges die verbonden zijn met landgoederen en leengoederen of die aan personen toebehoren". En toch wil Schama ons doen geloven dat het ancien Régime "bourgeois" was. In tegenstel­ling tot de vele historici die meenden dat het ancien Régime overliep van archaïsche en irrationele gewoonten en praktijken (zie bijvoorbeeld Montesquieus Lettres persanes), betoogt Schama dat de Franse elite "veranderlijk en heterogeen" (p. 132) was, dat de uitdrukking “Ancien Régime” een verkeerde benaming is en dat de kern van deze elite gevormd werd door "een kapita­listische adel" (p.133). Hij is ervan overtuigd dat er een "lite­rai­re samenzwering" bestond, die hij aanduidt als het "Figaro syn­droom", dat over het hoofd gezien werd door de moderne histo­rici en dat bijgedragen heeft tot de nederlaag van het onte­recht zogenoemde Ancien Régime door toedoen van mensen die niet in staat waren de ideeën te begrijpen die zijzelf verkon­digden (p.188). En in volledige tegenspraak met de vele studies over Lodewijk XVI, be­schouwt Schama hem als "levendig" (en helemaal niet als sloom) en betrokken op de openbare zaak (p. 201).

Schama is er bovendien van overtuigd, dat niet de sociale structuur maar wel sociale kwesties aan de basis lagen van de Revolutie. Als hij echter een opsomming maakt van de kwesties die naar zijn mening de Revolutie veroorzaakten, kan hij niet nalaten de structuur toch weer te vermelden (p. 301/302). Inderdaad is het moeilijk in te zien hoe sociale kwesties kunnen bestaan zonder een structuur die hun vorm geeft. Tot aan de opkomst van het revisionisme hebben de historici steeds geloofd dat een reden om de gebeurtenissen van 1789 een "soci­ale revolu­tie" te noemen er juist in bestond dat één sociale klasse, breed genomen de "burgerij" genoemd, een andere, de "adel" (de bovenste geledingen van de Kerk waren, bijna zonder uitzonde­ring, edelen) verving. Schama betoogt daarentegen dat er geen beduidende verschuiving van sociale macht plaatsvond, behalve dan het machtsverlies van de Kerk. Maar als er geen machtsver­schuiving plaatsvond, waarom weken dan zovele edelen uit? En waarom werden "aristo's" zo verafschuwd? Was de "Res­tauratie" dan slechts beperkt tot de terugkeer van de Bourbons?

De wijzer van de historische klok verschoof van de "noblesse naar de notabelen", zo schrijft de auteur. Maar wie waren deze laatsten? Hij antwoordt als volgt: "Als grondbezitters, rijks­ambtenaren, departementsbestuurders, beroepsrechters en art­sen, bankiers en fabrikanten vormden ze een web van invloed en macht dat de Franse maatschappij de volgende eeuw in feite zou domineren" (p. 523). Maar dit zijn "bur­gers" in de eigenlijke bete­kenis van het woord. En de echte vraag is niet of zij de Franse maat­schappij zouden beheersen in de eeuw na de Revolu­tie (dit wordt door niemand in twijfel getrokken), maar wel of zij de Franse maat­schappij beheersten in de eeuw voor de Revolutie. Natuurlijk waren burgerlijke eigendomsvor­men en de daarop gebaseerde verhoudingen het economi­sche leven van het land gaan beheersen in de decennia voor de Revolutie, maar de burgerij was nog steeds de Derde Stand en werd in die hoedanigheid gediscrimineerd door de twee hogere Standen. Als Schama boven­dien kan bewijzen dat een heerlijk goed, belast en aan banden gelegd door het erf- en eerstge­boorterecht, en uitgebaat door onvrije arbeid niet verschilt van een landgoed dat gekocht, ver­kocht en opgedeeld kan worden (dat kort gezegd, in Marxistische terminologie, een "waar" is) dan bestaat er inderdaad geen onderscheid tussen 'noblesse' en 'notabelen'.

Alhoewel Schama geïnteresseerd is in symbolen (zowel in woor­den als in beelden) en hij de Romantische beweging zelfs verwijt dat zij de revolutionairen aanmoedigde om de "harts­tocht boven de Rede" (p. 851) te stellen en over te gaan "van euforie naar terreur", kan hij de Bastille niet zien als een symbool van het despotisme. In plaats daarvan herhaalt hij het oude cliché dat er slechts zeven gevangenen binnen zijn muren verbleven op het ogenblik dat het succesvol belegerd werd door wat conser­vatieve historici nog steeds "het gepeupel" noemen (het begrip "massa" is Schama overigens eveneens vreemd). Het feit dat dit gevaarte, met zijn hoge en dikke omwallingen, met geweerkruit en het Zwitserse garnizoen in zijn gewelven, de wijk van Saint-Antoine beheerste, wordt verzwegen. Belang­rijker nog was dat haar val in het ganse land zowel aan de basis lag van de succesrijke organisa­tie van gemeentelijke organen, beheerst door de burgerij, als van de vorming van de Nationale Garde uit de burgermilities. Deze twee ontwikkelingen maakten een einde aan de mogelijkheid van een koninklijke militaire interventie tegen de net gevormde Nationale Vergadering. Maar daar merkt onze auteur niets van. In plaats daarvan heeft hij het over "Gothische fantasieën" die alle verantwoordelijkheid afwente­len op het "despotisme" (p. ?) Schama's aanhalingstekens rond dit laatste begrip duiden aan dat hij het bestaan ervan ont­kent.

Bovendien is zijn hele relaas erop gericht om aan te tonen dat het geweld kenmerkend was voor de Revolutie en "de Revolutie ook in de eerste plaats mogelijk maakte" (p. 441). Volgens hem was geweld "de bron van de collectieve energie van de Revolutie". En nog eens: "Bloedvergieten was geen ongelukkig bijprodukt van de Revolutie, het was haar energiebron" (p. 618). En in een verkla­ring die Edmund Burke had doen blozen stelt Schama dat "de Terreur niet verschilde van 1789, enkel dat het lij­kengehalte hoger lag" (p. ?)

Twee dagen na de bestorming van de Bastille schreef de graaf van Dorset, de Engelse ambassadeur in Frankrijk, een welbekend rapport naar zijn regering waarin hij "het beheerst en vast­beraden optreden van de bevolking" prijst en waarin hij tot het besluit komt dat "de grootste revolutie relatief gespro­ken, rekening houdend met de schaal van de gebeurtenissen, plaats gevonden heeft met het verlies van zeer weinig mensen­levens". Schama is zeker op de hoogte van deze bekende brief, zoals elke andere onderzoeker van de Revolutie, maar rekening houden met dit bewijsstuk dat geleverd wordt door een objec­tieve waarnemer van buiten Frankrijk zou zijn stelling over "geweld" of de "politiek van de paranoia" ondermijnen (p. ?).

Schama vindt in de September-slachtingen een nieuw bewijs voor zijn stelling dat de Revolutie "afhing van georganiseerde moordpartijen om haar politieke doelstellingen te realiseren" (p. 637). Hij boort Pierre Caron, die een gezaghebbende studie schreef over deze tragische gebeurtenis, in de grond, omdat hij zich schuldig gemaakt zou hebben aan "intellectuele laf­heid en moreel zelfbedrog" (p. 630). En als aanmaning voor zulke historici, schrijft hij: "Wie stelt dat het niet de taak van de historicus is om aan te klagen, moet bedenken dat het evenmin zijn taak is selectief te vergeten omwille van het academisch decorum" (p. 631). Daar kan men het alleen maar eens mee zijn - maar zoals Robert Burns schreef: "Welke kracht zal ons geschonken worden om onszelf te zien, zoals anderen ons zien!”

Schama beschouwt Talleyrand als een toonbeeld van volwassenheid en gezond verstand, omdat hij zowel de "extremen" van Rechts als die van Links verwerpt. Tot de "extremen" van de laatste soort behoren Thomas Paines voorstellen voor een "welvaartsstaat". Wat valt er te zeggen over een auteur die denkt dat Paine extreem was toen hij suggereerde, dat het beter was om de levens van "140.000 bejaarden” in Engeland comfortabe­ler te maken dan "jaarlijks een miljoen publiek geld" te verspillen aan de koning? Het is een beetje achterhaald om de be­schaafde voorstellen voor bejaarden, werkloosheidsuitkerin­gen en ziekteverzekering die Thomas Paine aanhing te verdedi­gen.

Ook is Schama niet tegen geweld op zich. Hij vindt Charlotte Corday bewonderenswaardig, een heldin in alle betekenissen van het woord en hij schept genoegen in de manier waarop ze haar moord op Marat uitvoerde. Wat Marat beterft, die wordt door Schama verafschuwd vanwege zijn "sanguinische hysterie", zijn ophemeling van "onbeschoftheid" en zijn poging om zoveel mogelijk mensen te mishagen om aldus zijn "integriteit" te bewijzen (p. 659, 727-742). Maar als Marat enkel een jaloerse, naijverige en onbeschofte persoon was, dan wordt het moeilijk om zijn popu­lariteit te verklaren bij zovele duizenden gewone mensen en niet alleen bij de revolutionairen.

Marat is niet de enige revolutionair die het misnoegen van Schama opwekt. Hij vindt Robespierre in dezelfde mate onaan­trekkelijk, een "Missionaris van de Deugd". Door Jean Baptiste Cloots (die zichzelf “Anacharsis” noemde) te omschrijven als "bizar"(p. 809) en behorend tot de "gekken en misdadigers" (p. 802) van de linkerzijde, maakt Schama een grote fout. Het zou moeilijk geweest zijn een aardiger en toegewij­der Franse patriot te vinden dan Cloots (ondanks diens Pruisi­sche en adellijke herkomst). Hij werd een slachtoffer van het Franse chauvinisme en stierf in het complot van de leiders van de Cordeliers. Wat de Hébertisten betreft die op de guillotine stierven als "lafaards zonder ballen" (p. 809): met de uitzondering van Hébert zelf, stierven ze allen moedig en met waardigheid.Bovendien is de aandacht voor de manier waarop de revolutionairen en hun vijanden stier­ven dikwijls overdreven, terwijl de vraag hoe zij hebben geleefd van meer belang is. Bovendien is het vreemd dat Schama die zoveel medelijden en bezorgdheid toont voor de conservatieve en gematigde slachtof­fers van de Terreur en geenszins voor de meer radicale woordvoerders van de sans-culottes.

Schama sluit zijn boek af met de feministische revolutionair Théroigne de Méricourt in het psychiatrisch ziekenhuis van Salpêtriè­re. Een schets van haar verward en pathetisch gelaat vormt de laatste illustratie in het boek. Omdat Schama dol is op symbo­len is het duidelijk dat hij de Méricourts einde eveneens als een passende afsluiting beschouwt van de Revolutie. Toch valt het te betreuren dat zo'n begaafd historicus als Schama, waarvan de stijl en de uitdrukkingskracht benijdenswaardig zijn, die met veel gloed en drama een fascinerend verhaal kan vertellen en die de aandacht van de lezer vastkluistert aan het relaas, zo bevooroordeeld staat tegenover de Revolutie. Hoe valt dat te verklaren?

Zoals wij allemaal, is Schama een product van onze reactionaire eeuw. We zijn er ons natuurlijk van bewust dat haar revoluties slecht zijn afgelopen. De hoop die gewekt werd door de Russi­sche revolutie en de sociaal-democratie hebben respectievelijk geleid tot het Stalinisme en het Hitlerisme. De Franse ontwik­kelingen slaagden er evenmin in de heerschappij van de "Deugd" te bewerkstelligen. Goya's befaamde schilderij De Droom van de Rede brengt Monsters voort herinnert er ons aan dat er slechts een dunne lijn bestaat tussen dromen en nachtmerries. Nochtans vormen de gebeurtenissen van de late tachtiger jaren, van Beijing tot Moskou, eens te meer het bewijs van het feit dat de mensheid blijft dromen over en streven naar vrijheid, gelijkheid en broederschap. Deze nobele idealen van de Franse revolutie zullen mannen en vrouwen overal ter wereld blijven inspireren. In dit opzicht leeft de Revolutie voort.