ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > De Wijken van Parijs
  februari 2003 [3]



 

JEAN VARLET ALS VERDEDIGER VAN DIRECTE DEMOCRATIE

 

door Morris Slavin

De schrijver is emeritus professor geschiedenis aan de Youngstown State University (Ohio, Verenigde Staten). Hij schreef onder meer: The French Revolution in Miniature: Section Droits-de-l’Homme, 1789-1795 (1984); The Making of an Insurrection: Parisian Sections and the Gironde (1986); The Hébertistes to the Guillotine: Anatomy of a "Conspiracy" in Revolutionary France (1994)

Dit is een vertaling met toegevoegde koppen door Ronald de Vries van Jean Varlet as defender of Direct Democracy in: Morris Slavin, The Left and the French Revolution, Humanity Press, Atlantic Highlands, 1995 pp 58-80; eerder verschenen in:  Journal of Modern History, nr. 39, december 1967, pp 387-404 




Het bindend mandaat


De algemene wil is, net als de goddelijke wil, voorwerp van foutieve interpretatie. Degenen die er vanuit gaan dat de wil van God en de wil van het Volk één zijn[1], moeten deze wil nog identificeren. Deze identificatie leidt ook niet noodzakelijkerwijze tot de aanname ervan; want degenen die het eens zijn met James Madison dat een gekozen orgaan van burgers deze wil moet verfijnen, dreigen in aanvaring te komen met degenen die Rousseau’s leerstelling aanhangen, dat de algemene wil niet vertegenwoordigd kan worden. Bovendien laat de Franse Revolutie een opvallende paradox zien. Terwijl radicale democraten probeerden hun afgevaardigden te binden aan het dwingend mandaat (mandat impératif)[2], vochten hun meer conservatieve opponenten uit de bourgeoisie om de nationale parlementen te bevrijden van deze ouderwetse beperking.

 

Onder het Oude Regiem was een afgevaardigde slecht een gemandateerde in de strikte zin van het woord. Hij vertegenwoordigde niet Frankrijk in z’n geheel, maar was de spreekbuis van een groep afgespiegeld in zijn persoon. Zijn missie was de belangen van zijn stand te vertegenwoordigen tegenover de zich opdringende machten van het koninklijk gezag en concurrende klassen. Omdat iedere stand zijn eigen belangen kende, kon hij vooraf de opdracht van z’n afgevaardigde bepalen.[3] Om zichzelf van deze beperking te bevrijden, vroeg Lodewijk XVI toen hij de Staten Generaal bijeen had geroepen (24 januari 1789), de kiezers om vertrouwen te stellen in een vertegenwoordigende vergadering, samengesteld uit afgevaardigden die vrij zouden zijn van instructies[4], een verzoek dat hij herhaalde op 23 juni 1789.[5] Met andere woorden, hij brak met de traditie van het mandat impératif.

 

Op 19 juni 1789 had Sieyès reeds een verklaring van principes voorgesteld waarbij hij de baillages  (baljuws) had uitgenodigd om hun afgevaardigden te bevrijden van “onscheidbare mandaten” en voorgesteld, dat de Vergadering de mandats impératifs zou weigeren.[6] Deze kwestie werd uitgebreid besproken in de Grondwetgevende Vergadering.[7] Sieyès voerde aan dat een mandat impératif een afgevaardigde ervan zou weerhouden om in het landsbelang te handelen, omdat hij werd beperkt door zijn eigen kiesdistrict. Vertegenwoordigers, stelde hij, namen niet aan de Vergadering deel om gezichtspunten te verwoorden die reeds geformuleerd waren door hun kiezers, maar om vrijelijk te debatteren en te stemmen. Tegelijkertijd maakte hij een scherp onderscheid tussen democratisch en vertegenwoordigend bestuur. Het volk, benadrukte hij, miste de nodige opleiding  en vrije tijd om zich bezig te houden met bestuurlijke problemen. Slechts gekozen vertegenwoordigers konden Frankrijk werkelijk regeren.[8]

 

Wie de eigentijdse constitutionele debatten bestudeert, kan veel van dezelfde veronderstellingen en argumenten bij het verwerpen van de directe democratie in Frankrijk, terugvinden. De Grondwetgevende Vergadering probeerde een natie te vestigen: één en ondeelbaar; zij vreesde terecht, dat directe democratie de stedelijke massa’s zou stimuleren om in het wetgevende proces te interveniëren of de Nationale Vergadering, door het stimuleren van private en lokale belangen, zou veranderen in een zuiver congres van gevolmachtigden. Zij had beslist niet de intentie om de oude Staten Generaal te doen herleven. Toch moest zij, interessant genoeg, worstelen met haar collectieve geweten alvorens de moderne doctrine om alle beperkingen van haar beraadslagingen weg te nemen - naar voren gebracht door Barère - te omarmen.[9] Op 8 januari 1790 verbood de Nationale Vergadering (eerste Franse parlement) kiesvergaderingen om apart een mandat impératif in hun notulen op te nemen of te ontwerpen.[10] Dit verbod werd geformaliseerd in de grondwet van 1791 art.2, titel 3 en art. 7, sectie 3, hfdst. 1, titel 3. [11], Samen met de vaststelling van een censuskiesrecht, maakte het de grondwet tot een volstrekt conservatief bourgeois document.[12]

 

 

De Cercle Social

 

Een conservatieve grondwet en een volksrevolutie zijn echter in wezen strijdig met elkaar. De tweelingconcepten van natuurlijke rechten en volkssoevereiniteit botsen radicaal met de politieke beperkingen die aan passieve kiezers zijn gesteld. Bovendien hadden duizenden pamfletten, artikelen en redevoeringen de academische speculaties van de philosophes tot een volksmystiek gemaakt.[13] Bourgeois vergaderingen konden ervoor kiezen om de volkswil echt te vertegenwoordigden, maar radicale journalisten, volksredenaars en toegewijde democraten waren verplicht de bezittende klassen en hun zegslieden uit te dagen. Binnen de gelederen van de bourgeoisie zelf  stonden hervormers, utopisten en ontevreden radicalen op om de aspiraties van de menu peuple (gewone volk), de sans-culottes [zij die zonder kniebroeken gekleed zijn – vert.] van Parijs en andere stedelijke centra  te verdedigen. Onder invloed van algemene problemen en idealen begonnen ze zich te verenigen om de snel veranderende loop der gebeurtenissen te beïnvloeden. Een organisatie die snel populariteit verwierf was een genootschap dat was gevormd om “de wil van het volk” te bevorderen, de Cercle Social.

 

Deze club pleitte voor politieke gelijkheid door de opheffing van de verschillen tussen actieve en passieve kiezers te verdedigen, stelde vertrouwen in openbare opvoeding en droomde ervan een universele broederschap te scheppen, les amis de la vérité (de vrienden van de waarheid). Zoals andere utopisten  geloofden  haar leden in de goedheid van de mens en verdedigden de principes van de volkssoevereiniteit krachtig. Vroeg in 1790 nam zij een programma aan, dat onder andere stelde:

 

Het eerste en voornaamste doel van de Cercle Social is om de stem van het volk z’n volle kracht te geven, zodat hij in al z’n volheid en onbeperkte omvang het recht van toezicht kan uitoefenen; de enige macht die het nooit heeft uitgeoefend, de enige die de algemene mening vormt die altijd juist en almachtig is, de enige macht die haar soevereiniteit garandeert en die deze alleen zelf op een heilzame manier kan uitoefenen.”[14]

 

Om zijn programma te populariseren deed het een tijdschrift verschijnen, Bouche de fer (IJzeren mond) en zette massabijeenkomsten op touw die duizenden bezoekers trokken. De eerste bijeenkomst trok zo’n 5000 Parijzenaars en veroorzaakte veel beroering in de hoofdstad.[15]

 

Het academische program van de Cercle Social kreeg een onmiddellijk vervolg, kort na de val van de koning. Toen de stedelijke massa’s, in het bijzonder die van de hoofdstad, hun wil bekend maakten door opstand, massademonstratie en permanente zitting, begonnen zij vurig hun nieuw verworven soevereine macht te verdedigen. De radicalere wijken van Parijs werden vurige  voorvechters van directe en volksdemocratie.[16] Toen hun afgevaardigden enthousiast waren met het voornemen van de Conventie om op 14 juli 1793 de nieuwe door de Jacobijnen geïnspireerde grondwet aan te nemen, zaten zij temidden van de afgevaardigden en debatteerden met hen “als leden van een soeverein lichaam”. Een aantal van hen voerde dit principe van een volksreferendum veel verder; zij begonnen de conventie zelf als een vergadering te zien die wetten aannam waarom “het volk” had gevraagd.[17] Anderen stelden de opschorting van alle wetten voor, totdat zij door de kiezers bekrachtigd waren in  hun assemblées primaires [wijkvergaderingen in de hoedanigheid van kiesvergaderingen - vert.][18] Weer anderen aanvaardden het principe van het mandat impératif.[19]

 

Dit recht om onwaardige afgevaardigden terug te roepen, bracht de noodzaak met zich mee om hun gedrag in voorafgaande zittingen te beoordelen.[20] Beoordeling leidde op haar beurt tot een fanatieke controle, niet alleen van aangenomen en ingediende wetsvoorstellen, maar ook van de uitvoerende macht en haar verschillende ambtenaren.[21] Verscheidene secties zonden zelfs hun eigen afgevaardigden om contact te leggen met de vijanden van de Conventie, terwijl anderen probeerden deze zelfde vijanden te vernietigen.[22] Behalve een nauwkeurige controle op de werkzaamheden van de militaire autoriteiten, ontwikkelde er zich een eis om het openbaar gedrag van alle ambtenaren in de gaten te houden. Omdat het soevereine volk de leden van de wettelijke autoriteiten had gekozen geloofde men dat het recht om deze autoriteiten te zuiveren, in de assemblées generaux [wijkvergaderingen in de hoedanigheid van besluitvormende vergaderingen – vert.] van de secties verankerd was.[23]

 

Dus de volksgenootschappen, radicale kranten en individuele revolutionairen populariseerden de doctrine van de volkssoevereiniteit door te zuiveren, toezicht te houden, terug te roepen en de secties op te richten. Veel van dit, dat zal duidelijk zijn, vloeide voort uit praktische ervaringen, uit concrete antwoorden die gevonden werden in het verloop van de dagelijkse gebeurtenissen. Sommige van de volksleiders waren ongetwijfeld bekend met Rousseau, Mably, Morelly en andere schrijvers die direct of indirect veel van deze vragen, die nu tot brandende kwesties waren geworden, hadden opgeworpen. Velen volgden de debatten in de nationale vergaderingen als er over deze kwesties werd gesproken. Het probleem van de macht moest op concrete wijze opgelost worden, maar de uitoefening ervan vroeg om een theoretische rechtvaardiging in het bijzonder voor diegenen die traditioneel niet deelhadden aan haar uitoefening.

 

 

De Dollemannen

 

Van alle revolutionaire groepen die in Prijs actief waren, verdedigde geen wijk (section), partij of club de idee van de directe democratie zo consequent als de volgelingen van Jacques Roux, Jean Varlet en Théophile Leclerc, bekend als de Enragés (Dollemannen).[24] Degenen die de revolutie bestuderen, zijn bekend met hun strijd voor het maximum [prijscontrole van noodzakelijke levensmiddelen – vert.] voor het omzetten van het assignaat [waardepapier, gekoppeld aan door de staat genaaste grond – vert.] in contant geld, voor een stringente wet tegen speculanten en hamsteraars – in het kort, voor de instelling van een politiek van economische terreur  tegen vijanden van de revolutionaire regering. Wellicht minder goed bekend, is hun vijandschap tegen representatief bestuur als zodanig – tegen het parlementair systeem zelf. Elk van deze drie revolutionairen had een enorm vertrouwen in de natuurlijke goedheid van de mens; elk van hen wantrouwde de motieven van de afgevaardigden in de drie (opeenvolgende) nationale parlementen van Frankrijk. Feuillant [constitutioneel monarchist – vert.], Girondijn [pleitbezorger van de handelsbourgoisie - vert.] of Montagnard [Jacobijns parlementariër – vert.], gematigd of revolutionair; toegefelijk of terroristisch – de Enragés bestreden hen allen.

 

Welke verschillen er ook tussen de Enragés bestonden – en van tijd tot tijd waren deze heel scherp – zij waren verenigd in hun wantrouwen tegen het representatief bestuur. Zij probeerden het volk direct bij de politiek te betrekken, om geen enkele wet te sanctioneren als die niet eerst voorgelegd was aan de kiezers, om de autoriteit van de gedeputeerden in te perken en de armslag en macht van de sans-culottes uit te breiden tot hun wijkvergaderingen. Nog op 10 maart 1795 schreef Varlet trots uit zijn gevangeniscel van Pléssis dat hij had gepleit voor het geven van “onbeperkte macht aan het soevereine volk.”[25] Roux’ aanval op de grondwet van 1793 had tot z’n uiteindelijke arrestatie en die van z’n volgelingen geleid. Na een uitputtende ondervraging van zijn aanhangers in de sectie Gravilliers op 3 december 1793 beschuldigde het revolutionaire comité van de sectie Roux van subversief optreden en van het propageren van de gewelddadige omverwerping van de in functie zijnde, wettelijke autoriteiten. De beschuldiging luidde: “hij beklom het spreekgestoelte slechts om te zeggen dat het volk soeverein was, dat het het recht had om de hommes en place (d.w.z. de politici) weg te sturen, dat zijn soevereiniteit gevestigd moest worden  en dat het zichzelf moest kunnen uitspreken over alle (handelingen) van hun gemandateerden.”[26] Dezelfde beschuldiging had met evenveel recht kunnen worden ingediend tegen Théophile Leclerc. Hoewel het revolutionaire comité van de wijk Halle-au-Blé  stelde dat de meningen, karakter en revolutionair optreden van Leclerc onbekend waren,[27] had het makkelijk kennis kunnen nemen van zijn politieke ideeën als het de moeite genomen had om z’n krant, l’Ami du peuple te lezen.[28]

 

Van de drie revolutionairen hield Jean Varlet zich het meest systematisch bezig met het probleem van de directe democratie. Dit valt gedeeltelijk te verklaren door z’n eigen ontluisterende ervaring met verschillende groepen in de drie nationale vergaderingen en gedeeltelijk door z’n sympathie voor de Parijse massa’s die hij vaak aanspoorde en soms leidde. De politieke steun die hij zo vaak kreeg van de sans-culottes sterkte zijn geloof in de natuurlijke goedheid van de gewone man. Parijzenaar van geboorte,[29] kwam hij uit een familie in goeden doen, hetgeen hem in staat stelde het Harcourt College te volgen. Toen de revolutie uitbrak, verwelkomde hij deze hartstochtelijk, componeerde patriottische liederen,[30] sprak menigten toe in het koninklijk Paleis en stelde petities op ter verdediging van volksbelangen. Hij was aanwezig in Versailles toen de Declaratie van de Rechten van de Mens werd aangenomen en had een aandeel in de voorbereiding van het feest van de Federatie op het Champ de Mars in de zomer van 1790.[31]

 

Na Varennes [vlucht van de koning – vert.] begon Varlet petities op te stellen en uitte zich in scherpe bewoordingen tegen “de meinedige koning”.[32] Binnen een jaar werd hij alom bekend door zijn openbare toespraken vanaf het Terasse des Feuillants in de tuin van het koninklijk paleis, zijn activiteit in de club der Jacobijnen en zijn agitatie in de wijk Roi-de-Sicile [later beter bekend als Droits-de-l’Homme - vert.].[33] De massaslachting op het Champs de Mars op 16 juli 1791 verscherpten zijn haat voor Lafayette en deden tegelijkertijd zijn toewijding aan revolutionaire methoden en procedures toenemen. Op 29 mei 1792 viel hij Lafayette fel aan als een “schurk” en een “verader”.[34] In zijn toespraak tot de Jacobijnen omstreeks die tijd veroordeelde hij het hof, de financiers en de “leugenachtige ministers.” Hij was vooral bitter tegen “de Nero van Nancy” (Lafayette) die hij ervan beschuldigde een wankelende troon te stutten om z’n eigen “mateloze ambitie” te bevredigen. Het hoofddoel van z’n toespraak was echter om de Jacobijnen te dwingen om beter naar verzoekschriften en gewone burgers die hulp van hen verwachtten, te luisteren. De gewoonte om macht te smaken ruïneert de mens, waarschuwde hij. Er bestond gevaar dat de nieuwe aristocratie van ambtenaren de oude aristocratie van wapendragers zou opvolgen. Een manier om deze dreiging te pareren, zo dacht hij, was om de cirkel van kiezers uit te breiden en een frequente wisseling van ambtenaren in te voeren. Informele bijeenkomsten en  een  frequente uitwisseling van patriottische afgevaardigden met gewone burgers, zou de kunstmatige barrière tussen de twee neerhalen en beiden in staat stellen van elkaar te leren.[35] Met andere woorden, hij hoopte de Jacobijnen democratischer te maken.

 

Op 20 juni 1792 presenteerde Varlet een petitie aan de Nationale Vergadering. Hij was gekozen in een delegatie van 20 man door demonstranten van de Faubourg St. Antoine en de radicalere wijken die de derde verjaardag van de eed op de kaatsbaan herdachten. “Het volk, de waarlijke soeverein is hier om de [verraders] te veroordelen”, zo begon de spreker.[36] De petitie moest dienen als een rechtvaardiging voor de aanval op de Tuillerieën - een generale repetitie voor de opstand tegen de monarchie. Op 6 augustus 1792 verscheen Varlet weer voor de Nationale Vergadering namens de Fédérés die een petitie hadden aangenomen op het Champs de Mars. Wederom vroeg hij om de troonsafstand van de koning, ontslag van de edelen uit de legerleiding, uitbreiding van het kiesrecht, een wet tegen speculatie en hamsteren en andere revolutionaire maatregelen van soortgelijke aard.[37]

 

 

De "revolutie" van 10 augustus 1792

 

Vier dagen later wierp de opstandige Commune van Parijs samen met de radicalere wijken de monarchie van Lodewijk XVI omver. Hier was het duidelijk bewijs, als Varlet dat al nodig had, van de macht van de sectionaires. Het volk had onomwonden gesproken, ondubbelzinnig. Moesten zijn afgevaardigden niet de wil van het volk uitvoeren? Varlet deed een appel op de afgevaardigden om de oorspronkelijke macht van de volkssoevereiniteit te erkennen en om te worden wat zij oorspronkelijk moesten zijn – louter de gemandateerden van de wil van het volk. “Gemandateerden van het volk,” drong hij aan, “het roemrijkste voorrecht ligt precies in het recht om onze wil uit te drukken.”De verkiezing van kiesmannen om afgevaardigden in de Nationale Vergadering te kiezen  was niet meer dan een schaduw van vrijheid. Aangezien afgevaardigden gemandateerden en geen vertegenwoordigers waren, moesten zij de gedragslijn die hun was voorgeschreven volgen, herhaalde hij.[38]

 

“In een staat waar het volk alles is”, vervolgde Varlet, “is de eerste daad van soevereiniteit het kiezen, de tweede om de bevoegdheden, de mandaten van de gekozenen te omschrijven.”Het was echter ten aanzien van het vraagstuk van bevoegdheid, van het “mandaat” van afgevaardigden dat de Enragé de vertegenwoordigers ervan beschuldigde dat ze “even despotisch als de koning die zij hadden vervangen,” werden. Hij zag dat er een grenzeloze tirannie van afgevaardigden zonder beperkte mandaten, die gemakkelijk hun eigen particuliere wil in de plaats van die van het volk konden stellen, werd gevestigd. Varlet stelde vervolgens een resolutie op om de bevoegdheden van de afgevaardigden te beperken en om afgevaardigden van de wijkvergaderingen het recht te verlenen om over alle zaken van openbaar belang te discussiëren. Hij stelde voor om een artikel aan de Declaratie van de Rechten van de Mens toe te voegen, dat inhield dat de soevereiniteit van het volk een natuurlijk recht was; dat het volk alle openbare functionarissen zonder enige tussenpersonen moest benoemen en over zijn eigen belangen moest debatteren; dat het mandaten moest opstellen opdat z’n gemandateerden die tot wetten konden verheffen; dat het volk het recht behield om diegenen terug te roepen of te bestraffen die hun bevoegdheden te buiten gingen of die zijn belangen verrieden; en tenslotte, dat het alle besluiten (behalve besluiten die door buitengewone omstandigheden noodzakelijk waren) moest controleren, die niet als wet erkend konden worden, zolang ze niet door het soevereine volk in haar basisvergaderingen waren bekrachtigd.[39] Dus opperde Varlet dat er maar één macht in Frankrijk kon bestaan, namelijk die van het volk in zijn basisvergaderingen; de uitvoering van wetten zou moeten worden beperkt tot een uitvoerend orgaan, bestaande uit een klein aantal functionarissen die terugroepbaar waren op elk moment dat het volk dat wenste.[40]

 

Ten einde de bovengenoemde rechten en plichten uit te voeren, stelde Varlet voor om een volksinstituut te vormen, bekend als magistrats du souverain. Dit genootschap moest samengesteld worden uit een “elite van patriotten,” mannen die beproefd waren en zich bewezen hadden als wetgevers of gemeenteambtenaren.[41] Zo’n genootschap van “onkreukbaren” moest een garantie voor de wil van het volk zijn die voortdurend een onverbiddelijk toezicht op de machinaties van zijn afgevaardigden uitoefende. Hij nam duidelijk aan dat een elitegroep van patriotten geen eigen belangen, die volledig strijdig waren met de belangen van diegenen waarop zij moest toezien, zou ontwikkelen. Varlets voorstel garandeerde ook niet dat deze magistrats zich niet zouden verenigen met de gedeputeerden van het volk om hun gemeenschappelijke belangen in de staat te bevorderen. Voordat we echter Varlets voorstel veroordelen, moeten we eraan denken dat Varlet worstelde met een ontzettend moeilijk probleem. Hij had gezien, dat twee nationale wetgevingsorganen “het vertrouwen van het volk hadden verraden” (vanuit zijn standpunt bezien) toen de Conventie haar rol beëindigde. Aan de andere kant was zijn poging om de zuiverheid van de oorspronkelijke grondwet te garanderen en te voorkomen dat een dominerende magistratuur z’n invloed op het electoraat zou uitbreiden een probleem dat een aantal van z’n tijdgenoten verontrustte.[42]

 

Het was niet lang voordat Varlet een opstand probeerde te ontketenen, op touw gezet door een zelfbenoemde elite. De schaarste van het brood, de waardedaling van het assignat, de hollende inflatie, de groeiende werkloosheid – zij alle hadden in de winter van 1793 een crisis veroorzaakt.[43] Chaumette als de hoofdafgevaardigde van de Commune vatte de gevoelens van de sans-culottes samen:

 

De armen hebben, net als de rijken en zelfs meer dan de rijken de revolutie gemaakt. Alles is veranderd rond de armen; alleen zij blijven in dezelfde situatie en hebben niets gewonnen bij de Revolutie behalve het recht om te klagen over hun ellende  ….. Bij het verschaffen van vrijheid voor de rijken heeft de Revolutie hun een groot goed gegeven; hij heeft ook vrijheid en gelijkheid aan de armen gegeven ; maar om vrij te kunnen leven, moet men eerst leven;en wanneer niet langer een redelijke verhouding bestaat tussen de lonen van de armen  en de prijs van de noodzakelijke levensmiddelen, kunnen de armen niet langer leven.[44]

 

Deze ellende van de stedelijke armen werd acuter toen de autoriteiten op hardvochtige wijze hulpbehoevende smekelingen, de rug toekeerden. Een delegatie van vrouwen die over het probleem van de schaarste met de Jacobijnen wilden debatteren werd heengezonden temidden van tumult en verwarring.[45] Op 24 en 25 februari 1793 braken demonstraties en rellen uit. Kleine winkels werden bestormd en de artikelen werden gedwongen verkocht voor prijzen die waren vastgesteld door de verschillende leiders van de actie.[46] De orde werd tijdelijk hersteld, maar de eisen die de oorlog stelde, verergerden de voedselcrisis voortdurend. Half maart leed [generaal] Dumouriez zijn desastreuze zware nederlaag bij Neerwinden, die zijn vrienden onder de Girondijnen blootstelde aan verdere aanvallen door Varlet en zijn vrienden.

 

Varlet was ziek gedurende de laatste maanden van 1792, maar was in januari 1793 voldoende hersteld om een hymne van eigen compositie te zingen voor de Jacobijnenclub.[47] Begin maart trad hij toe tot een groep Fédérés die bezig was om de Girondijnen te verwijderen (uit de Conventie) en om de dagbladen van twee van hun woordvoerders, Brissot en Gorsas, die zij beschuldigden van verraad aan de Franse belangen, het zwijgen op te leggen. Op 9 maart verklaarden zij zichzelf in een staat van opstand en zonden uitnodigingen aan de radicalere secties om zich te verenigen tegen de “groepen” in de Conventie.[48] De poging om de secties en de Commune te verenigen leed schipbreuk, maar geen der deelnemers werd gestraft voor z’n rol in deze mislukte opstand.

 

 

De opstand van 31 mei - 2 juni 1793

 

Een week later betreurde Varlet het mislukken van z’n opstand publiekelijk toen hij weer een toespraak hield vanaf het Terrasse des Feuillants en tot de Jacobijnen. “Gematigdheid is niet in de mode tegenwoordig”, verklaarde hij, “opstand is de heiligste verplichting.”[49] Op 27 maart (1793) nam Varlet als secretaris van zijn sectie het initiatief om zijn zustersecties op te roepen om afgevaardigden te kiezen voor een centraal comité dat zitting moest houden in de Evêche (voormalig aartsbisschoppelijk paleis naast de Nôtre Dame) en moest debatteren over middelen om “de republiek te redden.”[50] Het was deze groep die het “Centrale Revolutionaire Comité” van negen mannen schiep die de Gironde ten val bracht bij de opstand van 31 mei-2 juni (1793). Varlet was aan het hoofd van het Comité geplaatst.

 

Op 13 mei 1793 hield Varlet een belangrijke rede aan het adres van de Jacobijnen:

 

"Eén waarheid komt duidelijk naar voren: de mens neigt, juist vanwege zijn natuur, tot despotisme, arrogant als hij is in hogere posities; we voelen nu dat we de gevestigde autoriteiten moeten tegenhouden, in toom moeten houden, omdat ze anders een totaal repressieve macht ontwikkelen: laten we niet proberen om hen als individuen tegenwicht te bieden; alle tegenwicht die niet van het volk uitgaat, is vals De Soeverein moet altijd het sociale lichaam besturen; het is niets waard als iemand anders die macht vertegenwoordigt."[51]

 

Deze ervaring met de door de Girondijnen geleide Conventie bevestigde slechts zijn overtuiging dat er, tenzij het soevereine volk zijn afgevaardigden zou controleren, een nieuw despotisme op de puinhopen van het oude zou ontstaan. Iedere poging om hun macht te beperken door een of ander systeem van controle en evenwicht was bij voorbaat gedoemd te mislukken. Alleen het volk zelf kon functioneren als een tegenwicht voor de op macht beluste vertegenwoordigers. “Laten we zelf doen wat onze gemandateerden niet kunnen of willen doen; laat ons deze heren enige lessen in republicanisme geven,” vervolgde hij.[52]

 

In zijn eigen versie van de Droits de l’Homme paste hij het principe van de directe democratie toe op  alle landen. Soevereiniteit, schreef hij, behoort aan alle naties toe; zij kan worden gedelegeerd, “maar nooit worden vertegenwoordigd.” De gevestigde autoriteiten waren slechts manifestaties van de soevereine naties en moesten daaraan ondergeschikt blijven.[53] Hij herhaalde in feite zijn eerdere voorstellen van directe verkiezingen op hoofdlijnen, de uitdrukking van collectieve opvattingen van het electoraat aan haar lastdragers en het idee “om de besluiten die de gemandateerden voorstellen te onderzoeken, te weigeren of te sanctioneren om die kracht van wet te geven en om hen ten uitvoer te brengen.” Varlet voegde er “het recht van de burgers, massaal in vergadering in de Staat om het sociaal contract te herzien, te verbeteren, te veranderen als hun dat goed leek, aan toe.[54]

 

Dit werd verder uitgewerkt in Artikel 23, dat luidde:

 

"Als een soevereine natie zichzelf  uitroept tot een Sociale Staat kiezen haar diverse Afdelingen Afgevaardigden toegerust met duidelijk omschreven mandaten; tezamen vergaderd verhelderen deze uitvoerders van de macht de bedoelingen van hun Kiezers en zetten hun voorstellen om in Wetten; als de meerderheid hen aanneemt vormen deze fundamentele Vergaderingen een geheel, genaamd het Sociale Contract."[55]

 

Zoals vele revolutionairen beperkte Varlet zijn grondwet niet tot een rechtvaardiging van een normaal en vreedzaam politiek proces. Directe democratie was niet alleen maar een politiek concept, maar een middel om de wil van het volk op te leggen, desnoods met militair geweld. [56] Of Varlet over de praktische kwestie, wie moest beoordelen of de omstandigheden een opstand rechtvaardigden of wie het volk moest oproepen tegen wie, heeft nadacht, weten we niet, want er is geen verslag van zijn conclusies. Misschien moest zijn “elite van patriotten” de uiteindelijke beslissing in zulke gevallen nemen!

 

Zijn krachtig pleidooi voor opstand en volksdemocratie leidde tot z’n royement uit de Jacobijnenclub, een paar dagen na zijn toespraak (18 mei 1793). Het excuus was enigszins beschamend: een “overmaat aan civisme (burgerfatsoen)”.[57] Minder dan een week later, op 24 mei (1793) werd Varlet met Hébert gearresteerd door de Girondijnse Commissie van Twaalf om nog vóór de cruciale gebeurtenissen van 31 mei-2 juni (1793) door de furieuze Commune en de radicale secties vrijgelaten te worden. Varlet zelf was het die het bevel gaf om de noodklok luiden en opriep tot de opstand.[58] Toch bevredigden het succes van de wijken en de Commune en de vervanging van het Girondijnse leiderschap door de Montagnards Varlet niet. Zijn comité werd aan een meerderheid van gematigden ondergeschikt gemaakt waarbij hij alle invloed die hij aan de vooravond van de beslissende gebeurtenissen had verworven, verloor. Bij de val van 1794 analyseerde Varlet de gebeurtenissen van 2 juni (1793) en kwam tot de conclusie dat “de ware republikeinen” in het Centraal Revolutionaire Comité waren verzwakt door “de meest destructieve groepen …. de bond van Caligula,” dat wil zeggen de Robespierristen. Hij schreef:

 

“Het comité van opstand bevatte de kiem van een revolutionaire regering, in het geheim vanaf het begin zo opgevat. De valse opstandelingen vervingen Brissot door Robespierre; voor federalisme kwam een revolutionaire dictatuur, verordend in naam van het openbaar welzijn, in de plaats. Wat mij betreft, ik was te eerlijk om [erin] te worden ingewijd; Ik werd op een zijspoor gezet.”[59]

 

Varlet was van plan om verder te gaan dan het parlementaire systeem, als we z’n analyse achteraf mogen geloven. Of hij van plan was om de Conventie door het Centraal Comité te vervangen nadat de Gironde gevallen was, is moeilijk te zeggen. Het schijnt niet duidelijk te zijn of hij bewust heeft getracht de andere leden van het Comité in zijn richting te beïnvloeden. Het is waarschijnlijker dat zijn ontgoocheling over de Jacobijnse dictatuur hem de mogelijkheden deden zien van het Revolutionair Comité als een kern voor die directe democratie waarvoor hij het comité in de eerste plaats in het leven had geroepen.

 

 

Arrestaties en gevangenschap

 

Op 17 september 1793 hield hij een provocatieve en slecht getimede toespraak in de Conventie waarbij hij het besluit om sectievergaderingen tot twee per 10 dagen te beperken, aanviel en met verontwaardiging de subsidie van 40 sous voor de armere burgers verwierp. “In een vrije staat kan het volk zichzelf niet betalen om zijn rechten uit te oefenen,” verklaarde hij en weigerde de 40 sous “in de naam van de sans-culotten van Parijs.”[60] Zijn provocatie van de Montagnards leidde tot zijn arrestatie de volgende dag en opsluiting in de Madelonnettes gevangenis “voor het doen van een contrarevolutionair voorstel.”[61] De jonge revolutionair greep het enige wapen dat nog had , z’n pen en kwam met een schokkend appel tegen zijn kleineerders:

 

Is hij die op 21 juni 1791, op 10 augustus (1792) op 31 mei (1793) met het volk samenzweerde tegen de koninklijke en legislative tirannie een agent van Pitt, in staat om opstanden voor hen te organiseren? …. Antwoord, Collot d’Herbois, Robespierre ….. Jacobijnen, Cordeliers en jullie sans-culottes. ….. Ik ben een patriot en ik zit in de boeien …..

Ik heb geleden in de gevangenis, vergeten en alleen, nadat ik alles heb opgeofferd voor mijn arme land  - ouders, vrienden, fortuin …..

Varlet werd uit de Jacobijnenclub en uit de club der Cordeliers gezet. Varlet is een intrigant, Varlet had succes, Varlet zus, Varlet zo; de frisse sproeikop van laster staat open, vloeit en stopt nooit. Soevereine uitdelers van afkeuring of van publieke gunst, onbenullige acteurs in de nacht, wat zijn jullie namen; kom naar buiten; wat hebben jullie gedaan tijdens de revolutie; wat zijn jullie daden van verdienste? …. Waarom brengen jullie geen aanklachten publiekelijk voor de revolutionaire rechtbank?[62]

 

Zijn dramatische appel  wekte zijn vrienden in z’n eigen sectie Droits de l’Homme op. Op 5 oktober 1793 besloot de wijkvergadering dat er geen basis was voor zijn arrestatie  en dwong het Comité van Algemene Veiligheid om hem vrij te laten.[63] Tegen het eind van de maand sloten ander secties alsmede individuele Jacobijnen zich aan bij het appel. Hébert die hem in het verleden had veroordeeld, sloot zich nu aan bij de anderen Op 14 november 1793 werd Varlet uiteindelijk vrij gelaten.[64]

 

Het is mogelijk dat de gevangenschap een deprimerend effect had op de jonge revolutionair, want gedurende de maanden dat de regeringscommissies hun aanval op de Hébertisten en de Dantonisten voorbereidden, bleef Varlet stil.[65] Bovendien kan hij hebben aangevoeld dat hij niet langer in de positie was om openlijk tegen de Terreur te vechten. Het is ook niet uitgesloten dat hij vrede had gesloten met het Comité van Openbare Veiligheid en de Jacobijnen, ondanks hetgeen hij later, na Thermidor zou zeggen. Want onmiddellijk na de poging tot moord op Collot d’Herbois op 22 mei 1793 marcheerden een aantal demonstranten door de hal van de Conventie met felle resoluties en warme steunbetuigingen voor de regering. Onder zo’n steunbetuiging was er een die was aangenomen door de sectie Droits-de-l’Homme en die was opgesteld en getekend door Varlet als vice-secretaris van de sectie.[66]

 

Varlets eerdere oppositie tegen de dictatuur van het Comité van Openbare Veiligheid redde hem echter niet van de wraak van de Thermidoristen. Op 5 september 1794 werd hij opnieuw gearresteerd en opgesloten in de Pléssis Gevangenis. Binnen een maand publiceerde hij een verdediging van de 31 mei (1793) opstand en z’n eigen rol als hoofd van het Comité van Negen. Hij noemde als reden voor zijn arrestatie het feit, dat hij het principe van de directe democratie had verdedigd en deed een aanval op “een suicidale nationale regering” ten gunste van de verklaring van de Rechten van de Mens.[67] Hij stelde dat het niet nodig was om de oorzaken van het huidige kwaad verder te zoeken dan het ontstaan van de revolutionaire regering. Deze “revolutionaire dictatuur, afgekondigd in naam van de openbare veiligheid,” was verantwoordelijk voor de moeilijkheden waaronder de Republiek leed.

 

Door de terroristen te veroordelen erkende Varlet zijn liefde voor gematigdheid, een term van smaad, die door revolutionairen werd gebruikt om hun meer conservatieve tegenstanders aan te vallen. Toch verloochende hij zijn revolutionaire verleden niet. “De verschrikkelijke dictatuur van Robespierre rechtvaardigt de tirannie van Brissot in het geheel niet”, erkende hij.[68] Verder daagde hij de verdedigers van de revolutionaire regering uit om een precieze definitie te geven van zijn opvatting en gaf in tegenstelling tot haar verdedigers toe dat hij gematigdheid lief had, omdat het hem “menselijk, tolerant, nadenkend maakte.”[69] Wat betreft de Club der Jacobijnen, zag hij twee typen mensen die haar vergaderingen bezochten – diegenen die contributie betaalden en in haar hallen spraken en diegenen die niet betaalden, “het ware volk, het publiek, dat zwijgt op haar (publieke) tribunes.”[70] De afgevaardigden, waarschuwde hij, controleerden de club en zetten een samenzwering op touw om opnieuw een 9e Thermidor [val van de revolutionaire regering o.l.v. Robespierre – vert.] tegen de Conventie te organiseren. Hij deed een appel op het volk om deze tirannen te vernietigen: “Ontwaak! Toon Energie, durf alles; vernietig de tirannie,”[71]

 

Ondanks zijn afwijzing van de regering van Terreur, weigerde Varlet zich te verontschuldigen voor zijn rol gedurende de beslissende gebeurtenissen van de revolutie. Tegelijkertijd smeekte hij de Thermidorianen om hem voor het gerecht te slepen. In een brief aan het Comité voor Algemene Veiligheid gaf hij wederom toe dat hij “de onbeperkte macht van het soevereine volk binnen het comité van de opstand (Centraal Revolutionair Comité dat bijeenkwam in het bisschoppelijk paleis) van 31 mei [1793]”.[72] had verdedigd. De Thermidorianen bleven echter doof voor zijn smeekbedes en weigerden hem te berechten. In plaats daarvan brachten zij hem over van de Pléssis Gevangenis naar la Force. Na de opstand van Prairial (22 en 23 mei 1795), werd Varlet overgebracht naar de Bicêtre Gevangenis met “andere agitatoren, alwaar zij beter bewaakt konden worden”.[73] Niet eerder dan eind oktober 1795, dat wil zeggen na de journées van 4-6 oktober 1795, nadat de Conventie een ruk naar links had gemaakt, werd hij uiteindelijk vrij gelaten. Op 3 november 1795 werden zijn papieren naar hem teruggestuurd.

 

Terwijl hij in de gevangenis zat, had Varlet een andere brochure gepubliceerd. Haar slogan was uiterst onthullend: “Lang leve de dictatuur van de Rechten van de Mens”.[74] Hij viel de “egoïsten” aan die de vruchten der natuur voor hun eigen egoïstische doelen aanwendden. “Democraten, laten we ons verzetten tegen deze exclusieve privileges”, appelleerde hij. Nadat hij drie wetgevende vergaderingen, die geen van allen de situatie van de sans-culottes substantieel hadden verbeterd, had zien komen en gaan, reageerde Varlet met groeiend wantrouwen tegen iedere vorm van vertegenwoordigend bestuur. Als afgevaardigden van alle kleuren, Rechts of Links, zichzelf niet in staat achtten of onwillig waren om wetten te maken voor het welzijn van het volk, misschien was er dan iets inherent aan het parlementaire systeem zelf, dat de sans-culottes ervan afhield om de vruchten van hun revolutie te plukken. Misschien kon het representatief bestuur als zodanig de algemene wil van het volk niet uitdrukken. Deze wil zetelde in de wijkvergaderingen, in democratische clubs, in revolutionaire en burgerlijke comités van de menu peuple. Door hun wil op te leggen aan de afgevaardigden, door hun vertegenwoordigers tot louter beheerders van hun onvervreemdbare soevereiniteitte maken, door, om het kort te zeggen “een dictatuur van de Rechten van de Mens” te vestigen, slechts op die manier konden de sans-culottes hun rechten verkrijgen.

 

 

Van revolutionair tot Bonapartist

 

De lange opsluiting in de verschillende gevangenissen van Parijs had uiteindelijk Varlets Revolutionaire wil ondermijnd. Zijn appels voor rechtvaardigheid weerspiegelen een opvallende mengvorm van verzet en verontwaardigde afwijzing van bestuur door terreur. Tussen zijn verzoeken om te worden gehoord vind je pathetische smeekbedes om genade. In scherp contrast met zijn politieke brochures staat een abstract filosofisch essay dat geschreven werd in de Pléssis Gevangenis dat tot in de kleinste details plannen voor een tempel, gewijd aan jong en oud, waar deugd en burgerfatsoen zouden worden onderwezen en geëerd, beschrijft.[75] Toch was hij niet totaal gebroken, het kleine beetje duidelijkheid enig licht op z’n rol gedurende deze tastende maanden werpen. Samen met zijn medegevangenen wees hij op uitdagende wijze de beschuldiging van de Thermidorianen af dat de niet succesvolle opstand van germinal (de zogenoemde hongeropstand) een “samenzwering” was geweest.[76] Wederom beriep hij zich op het recht van vrije mensen om op te staan tegen onderdrukking.

 

Toch “stond hij niet op” toen Babeuf zijn Samenzwering van de Gelijken in 1796 op touw zette. Ofschoon hij een aantal leiders van de Electorale Club die elkaar ontmoetten in het Panthéon kende, nam hij, anders dan Babeuf en Buonarotti, nauwelijks deel aan de politieke gebeurtenissen van die dagen. Slechts toen de Club der Jacobijnen werd heropend in 1799 richtte Varlet zich in een korte toespraak tot haar leden over het probleem van de publieke schuld en veroordeelde loterijen als destructief voor de publieke moraal.[77]

 

Voor de rest van de decade en daarna schijnt hij zich te hebben onthouden van elke politieke activiteit en de hoofdstad verlaten te hebben om naar de stad Meaux te gaan. Hoewel Napoleons politie potentieel  gevaarlijke, voormalige revolutionairen nauwlettend in de gaten hield, vonden ze het niet langer nodig om Varlet te schaduwen.[78] Hadden ze zijn nieuwe politieke gevoelens gekend dan hadden ze inderdaad geen reden gehad om zich zorgen te maken over zijn levenswandel, want Varlet was een Bonapartist geworden![79]Toen Napoleon terugkeerde van Elba, schreef Varlet een fabel waarin hij een oproep deed aan zijn held om de “Tartaren” te stoppen bij de poorten van Parijs.[80] Of iemand dat gelezen heeft valt echter te betwijfelen, want versies ervan werden niet eerder gepubliceerd dan 1831.

 

Hoe het Varlet verging gedurende de Bourbon Restoratie, weten we niet, maar hij slaagde er op een of ander manier in om te overleven. Pas na de omverwerping van Charles X pakte hij z’n pen weer op. Tijdens de Juli Revolutie vinden we hem in Nantes. Haar burgers vaardigden hem af naar het kiescollege[81] en als dank verdedigde hij op warme wijze de maritieme belangen van de haven. In een aantal brochures drong hij er op aan dat Frankrijk zou vechten voor de vrijheid op zee en zich zou omvormen tot een maritieme macht als Engeland.[82] Misschien was een gebed, gemaakt voor de jeugd en gericht tot “de God van de Natuur” en de vrije mensheid, zijn laatste publieke daad; het was nogal passend gewijd aan Voltaire. Wat de wisselvalligheden van Varlets politiek ook waren, hij bleef een deïst tot het eind.[83]

 

 

Een “heethoofd met een goed hart”

 

Wat kunnen we concluderen uit een studie over deze man en zijn ideeën? Er zijn duidelijk twee Varlets – de ene, jong, militant, enthousiast voor Thermidor; de andere, minder fel, minder vurig, een beetje teruggetrokken, na zijn lange gevangeniservaring. De jongere Varlet is de meest interessante van de twee, alleen al omdat hij zo goed het volks karakter van de Franse revolutie weerspiegelt. In zijn brief aan het Comité van Algemene Veiligheid van 16 juli 1795 beschrijft hij zichzelf als “heethoofd en goed hart” een laconieke, maar doordringende analyse van zijn karakter en gevoelens. Varlet was uiteindelijk pas 21, toen hij voor het eerst een gevangenis van binnen zag (een jaar jonger als je zijn korte gevangenschap door de Commissie van Twaalf meetelt). Zijn verzen, zijn liederen, zijn patriottische toespraken, getuigen van zijn jeugd en romantische geest.

 

Tegelijkertijd moet men toegeven dat zijn idealisme werd getemperd door contact met de Parijse sans-culottes. Het lijdt geen twijfel dat hij veel van hen leerde. Op 13 mei 1793 sprak hij zijn respect voor de petits gens [kleine luiden] uit in de volgende onthullende woorden:

 

Als ik mijzelf kan vleien dat  ik enige nuttige ideeën heb opgepikt dan dank ik dat aan Het Volk Sans-Culottes. Gedurende vier jaar, altijd op openbare pleinen tussen mensenmenigten, tussen de sans-culotterie, tussen de havelozen die ik lief heb, leerde ik dat de arme duivels van de zolderkamertjes op pretentieloze wijze en zonder dwang trefzekerder, krachtiger redeneren dan de beste heren, de grote redenaars, de tastende geleerden; als zij ware kennis willen bereiken, laten ze dan, net als ik onder het volk gaan.[84]

 

Het is dan ook niet verbazend dat hij het volk bekleedde met volledige politieke morele kracht en hen tot de soevereine macht van Frankrijk hoopte te maken.

 

Naast het ondersteunen van het mandat impératif, omarmde hij de leer van de sociale gelijkheid enthousiast. Als een warme aanhanger van Rousseau in wiens filosofie hij z’n eigen rechtvaardiging voor democratie vond, was Varlet een redelijk typisch product van de Verlichting. Hij verzette zich tegen tirannie, of die nu door het excuus van handhaving van “law and order”, of door een beroep op “revolutionaire noodzaak”werd gerechtvaardigd. Pas nadat hij was gebroken door een lange opsluiting in de gevangenis van de Thermidorianen, en na de aftocht van de revolutie zelf, omarmde hij het Bonapartisme.

 

Bovenal was Varlet een man van actie. Hij was niet alleen een populaire redenaar, maar hij was ook een stimulerende schrijver van vluchtschriften, maar hij was vooral een succesvolle organisator. Hoewel zijn verkeerd-ingeschatte poging om een opstand in maart 1793 te ontketenen een miskleun was, niet alleen van romantische waan, maar misschien van politiek avonturisme, twijfelden weinigen aan z’n loyaliteit en toewijding aan de revolutie. Serieuze revolutionairen die op het punt staan om hun eigen levens in gevaar te brengen, zouden er nauwelijks aan gedacht hem de gevoelige post van voorzitter van het Évêché Comité (aan de vooravond van 31 mei 1793) toe te wijzen als zij geen volledig vertrouwen in zijn toewijding en capaciteit gehad hadden. De Thermidorianen daarentegen voelden zijn fundamentele oppositie tegen hun koers. Hoewel zij zich bewust waren van zijn afwijzing van terreur  en zijn verdediging van gematigdheid, hadden zijn en hun politiek weinig gemeen. Zij hadden alle reden om hem te wantrouwen – vanwege juist dezelfde reden dat de revolutionairen hem vertrouwden. Zo lang als er een mogelijkheid bleef van een tweede germinal of prairial, zolang zou een politiek actieve Varlet gevaarlijk blijven.

 

 

Zijn politieke erfenis

 

Omdat Varlet toch meer een sans-culotte dan een philosophe was, blijft hij vandaag de dag van belang. Actieve revolutionairen laten, wegens hun alles-opslorpende activiteit, weinig documenten na. Dit geldt vooral voor de lagere rangen. Nog minder onder hen laten een systematisch gedachtegoed na. Varlet is in dit opzicht uniek; want in hem zijn zowel woord en daad verenigd. Terwijl hij de politieke daad aanwakkerde, analyseerde hij die tegelijkertijd. Zo’n combinatie is zeldzaam in de geschiedenis van een revolutie.

 

Wat betreft zijn idee van directe democratie, is het moeilijk om dit te waarderen in het licht van de geschiedenis die, na 1793, zowel het ideaal als de drager ervan verwierp. Gegeven de precaire militaire situatie, de primitieve staat van de communicatie, de lage graad van geletterdheid, de politieke onervarenheid van de sans-culottes en de vurige en intolerante atmosfeer tussen de groepen, is het moeilijk om te zien hoe directe democratie in de praktijk in revolutionair Frankrijk kon hebben gewerkt. De politieke tendens was in de richting van centralisatie, geen fragmentatie. Los van het feit dat de Jacobijnen de klassenbelangen van de opkomende bourgeoisie vertegenwoordigden (op een algemene historische wijze), stonden ze pal als krachtige verdedigers van heel revolutionair Frankrijk, vechtend tegen reactionair Europa. Varlet en ander verdedigers van volksdemocratie weerspiegelden een divers programma, of ze het nu wilden of niet.

 

Theoretisch is het denkbaar, dat Varlets “dictatuur van de Rechten van de Mens” uitgevoerd had kunnen worden als de actieve militanten van de sans-culotterie een snelle politieke vorming hadden gekregen. Dit veronderstelt natuurlijk een steeds groeiende beweging die zich van de hoofdstad naar de 44.000 communes van Frankrijk had moeten uitbreiden. Het had een fanatieke controle van de afgevaardigden in de Conventie moeten inhouden (of enig ander parlementair lichaam), voortdurende referenda over wettelijke maatregelen, het terugroepen van recalcitrante vertegenwoordigers, het initiatief van wetgeving door middel van petitie of gezamenlijke resolutie en de vorming van een systeem van politieke partijen om het programma van groepen te verdedigen als zij zichzelf uitsplitsen in het politieke lichaam.

 

Als zo’n programma echter had willen slagen, zou revolutionair Frankrijk geweest moeten zijn wat het niet was. Of het had het Geneve uit de dagen van Rousseau’s moeten worden of het had een staat van de toekomst, waar moderne technologie de directe politieke participatie van iedere individuele burger mogelijk maakt (maar slechts mogelijk), moeten worden. Misschien kan directe democratie gerealiseerd worden in de toekomst. De mens heeft diverse politieke vormen om zijn collectieve wil tot uitdrukking te brengen ontwikkeld. Als deze methode de manier zou zijn waarop de samenleving zichzelf morgen bestuurt, zal Jean Varlet een bescheiden aandeel hebben gehad aan deze toekomst.

 


Noten


[1]    La Chronique du mois ou les cahiers patriotiques, Parijs, 1792, 4, een artikel geschreven door Nicolas Bonville, uitgever van La Chronique en samen met  Claude Fauchet van de Cercle Social, waarvan de betekenis verderop besproken zal worden. (Bibliothèque Nationale, Lc2 649) De cursivering is van Bonneville.

[2]    De term dwingend mandaat slaat op de opdracht van de kiezers aan hun afgevaardigden om in van tevoren besproken kwesties te stemmen volgens vastgestelde richtlijnen.

[3]    Camille Koch, Les Origines françaises de la prohibition du mandat impératif, Nancy, 1905, 12. In 1321 moesten afgevaardigden in de Staten Generaal hun mandaten afgeven, voordat ze antwoord gaven op vragen van de koning. In 1468 kregen de afgevaardigden in de Staten Generaal alleen de macht om hun klachten (cahiers)in te dienen. Vanaf de middeleeuwen tot aan onze tijd eisten de stedelijke kiezers dat zij werden geraadpleegd door hun afgevaardigden, voordat deze hun stem uitbrachten.

[4]    Het besluit van 24 januari 1789 luidde: “Zijne Majesteit is ervan overtuigd dat het vertrouwen dat de gehele natie een vertegenwoordigende vergadering verschuldigd is, wordt belemmerd als afgevaardigden persoonlijke instructies geven die de beraadslagingen kunnen vertragen of bemoeilijken.” (Koch, Les Origines)

[5]    Réimpression de l’ancien Moniteur depuis la réunion des Etats-Généraux jusqu’au consulat, mai 1789-novembre 1790, 32 vols., Parijs, 1840-45, 1, nr. 10, 20-24 juni. In artkel 6 staat: “Zijne Majesteit verklaart dat hij niet zal toestaan dat tijdens de volgende zittingen van de Staten Generaal de cahiers of de mandaten beschouwd zullen worden als imperatifs (dwingend); zij moeten slechts worden beschouwd als eenvoudige instructies, begrensd door het geweten en de vrije mening van de gekozen afgevaardigden.”

[6]    M. J. Mavidal/ M. E. Laurent (red.), Serie 1, 90 vols., Librairie Administrative de Paul Dupont, Parijs, vanaf 1879.  (Archives Parlementaires, 8:207)

[7]    Zie voor de argumenten van Talleyrand en Barère Le Moniteur jg. 1, nr. 15, 6-8 juli 1789. (Archives Parlementaires, 8:200-203, 205)

[8]    Le Moniteur jg. 1, nr. 54, 8 september 1789: “Ik concludeer dat elke afgevaardigde de directe afgevaardigde is van zijn graafschap (bailliage) en bemiddelaar van natie, waaruit de titel vertegenwoordiger van de natie [volgt]” verklaarde hij. (Archives Parlementaires, 8:592-97)

[9]       Zelfs Talleyrand gaf toe dat afgevaardigden moreel verplicht waren aan hun kiezers en suggereerde dat zij een beroep op deze kiezers moesten doen om hen van deze plicht te ontheffen. Jérôme Pétion ging akkoord met de noodzaak van een vertegenwoordigende regering, alleen omdat het volk niet direct kon handelen. Als ze dat wel konden, gaf hij toe, waren vertegenwoordigers of afgevaardigden, die gevaarlijk konden worden, niet nodig. (“Je dirai plus, ils seraient dangereux”, Archives Parlementaires, 8:581)

[10]   Archives Parlementaires, 11:200

[11]   Het dwingend mandaat heeft een geschiedenis van Rousseau tot De Gaulle, zoals het volgende korte uittreksel toont: “de soevereiniteit kan niet worden vertegenwoordigd om dezelfde reden waarom zij niet kan worden vervreemd. Zij bestaat in wezen uit de algemene wil en deze laat zich niet vertegenwoordigen ……. De Afgevaardigden van het volk zijn dus niet haar vertegenwoordigers en kunnen dat ook niet zijn; zij zijn slechts haar commissarissen; zij kunnen niets definitief besluiten. Iedere wet die het volk niet persoonlijk heeft bekrachtigd is niets; dat is geen wet.” (Jean-Jacques Rousseau, Du Contrat Social).

“De natie, waarvan alleen alle bevoegdheden uitgaan, kan deze niet uitoefenen door afvaardiging. De Franse grondwet is vertegenwoordigend …..” (Artikel II, Titel III)

“De vertegenwoordigers die benoemd zijn  door de departementen zullen niet de vertegenwoordigers van een bepaald departement zijn, maar de gehele natie en hun zal geen enkel mandaat gegeven kunnen worden.” (Artikel VII, Sectie III, hoofdstuk i, Titel II; de Constitutie van 3 september, 1791)

“Iedere burger heeft het zelfde recht om bij te dragen aan de vervaardiging van de wet en zijn gemandateerden of zijn zaakwaarnemers te benoemen.” (Artikel XXIX; Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen, 24 juni1793)

“De leden van het wetgevend lichaam zijn niet de vertegenwoordigers van het departement dat hen heeft benoemd, maar de gehele Natie en hen kan geen enkel mandaat gegeven worden.” (Artikel LII, Titel V, de Constitutie van  22 augustus 1795)

“Elk dwingend mandaat is niets.” (Artikel XXVII, de Constitutie van 4 oktober 1958)

[12]     Alfred Cobban weerspreekt deze traditionele opvatting en beweert dat het vooral een revolutie tegen een “embryonaal kapitalisme” was die een overwinning op de landbezittende klassen betekende. (The Social Interpretation of the French Revolution, Cambridge Un. Pr., Cambridge, 1964). Zie als reactie op deze visie de besprekingen van: Jeffrey Kaplow in: American Historical Review, 70, nr. 4, juli 1965 pp 1094-96; Leo Gershoy in: Journal of Modern History 37, nr 2, juni 1965 pp 242-43 en Crane Brinton in: History and Theory 5, nr. 3, 1966 pp 315-20.

[13]   Eric Thompson, Popular Sovereignty and the French Constituent Assembly 1780-91, Manchester Un. Pr., Manchester, 1952 vii. In aanvulling op Thompson en Koch Les (Origines françaises de la prohibition du mandat impératif, Nancy, 1905) vinden we opmerkingen over de relatie tussen de algemene wil en directe democratie bij Léon Ameline, L’idée de la souveraineté d’après les écrivains français du XVIIIe siècle, Imprimerie Henri Joude, Parijs, 1904 ; Jean Jacques Chevalier, Cours d’histoire des idées politiques, Parijs, 1957 (een ongepubliceerde dissertatie) ; Ernst Cassirer, The Question of Jean-Jacques Rousseau (uit het Duits vert. d. Peter Gay), Colombia Un. Pr., New York, 1954 ; Bertram de Jouvenel, Sovereignty: An Inquiry into the Political Good (uit het Frans vert. d. J. F. Huntington), Un. Of Chicago Pr., Chicago, 1957; A. D. Lindsey, The Modern Democratic State, Oxford Un. Pr. Londen, 1947; John McDonald, Rousseau and the French Revolution 1762-1791, Un. of London and Athlone Pr., Londen, 1965.

[14]   Bouche de fer, Cercle Social, 2 vols, Parijs, 1792 (Bibliothèque Nationale, Lc2 319); Programme du Cercle Social pour la confédération universelle des amis de la verité, Parijs, 1971 (Britisch Museum R. 155 [5])

[15]   Bouche de fer, Cercle Social, Parijs, oktober 1792 (Bibliothèque Nationale, Lc2 317). Weldra gaven de vijanden van de Cercle Social zijn krant de bijnaam: “la bouche d’enfer” (“de hellemond”)

[16]   Toen op 13 maart 1793 een burger van de sectie Panthéon Français zijn sectievergadering vertelde: “’wij worden bedreigd met een dictator’, stond de vergadering op en zwoer alle dictators, regenten, volksmenners, driemanschappen, regelneven of hoe ze ook mochten heten die neigden de soevereiniteit van het volk te vernietigen, neer te steken (poignarder)”. (Archives Nationales, A. D. XVI, 70, p. 37, gecit. d. Albert Soboul, Les Sansculottes parisiens en l’An II: Mouvement populaire et gouvernement révolutionaire 2 juin 1793-9 thermidor An II, Librairie Clavreuil, Parijs, 1958 [ingekorte. vert.: The Sans-Culottes, the popular movement and revolutionary government 1793-1795, Princeton Un. Pr., 1980, zonder noten; Franzözische Revolution und Volksbewegung: die Sansculotten, Die Sektionen von Paris im Jahre II, Suhrkamp, 1978, met noten] Tenzij anders vermeld, zijn de citaten verderop ontleend aan de oorspronkelijke Franse uitgave van genoemd werk.

            Op 15 juni 1793 verklaarde de radicale Jacobijn François Chabot: “Één belangrijk principe mag nooit veronachtzaamd worden in een democratische Staat [Constitution]: Het volk moet alles wat ze kan doen ook zelf doen.” (Moniteur, 16, nr. 168, 17 juni 1793)

[17]   Een gemandateerde van de sectie Contrat Social stelde: “De Conventie is slechts samengesteld uit mensen die ervoor betaald worden om wetten waarom gevraagd wordt, aan te nemen. En als besluiten [ons] niet bevallen, moeten zij [de gemandateerden] overgaan naar een volgende kwestie.” (Bibliothèque Nationale, Lb40 1781, p. 509, n. 20) De Conventie heeft zelf een resolutie aangenomen, dat er geen grondwet kon bestaan zonder dat die eerst door het volk was goedgekeurd. (Moniteur 14, nr. 266, 22 september 1792)

[18]   Archives Nationales, B I, 15 / F7 4718 p. 510 nn 25/26. Op 2 november 1792 besloot de algemene vergadering van de sectie Piques: “wij en niemand anders moeten onze wetten uitvaardigen; het is de specifieke taak van de gemandateerden om wetsvoorstellen bij ons in te dienen”. (Bibliothèque Nationale, Lb40 487 p. 511, n. 30)

[19]   Op 25 augustus 1792 stelde de sectie Marché des Innocents dat “gemandateerden teruggeroepen zullen worden als hun secties dat willen” en dat “ambtsdragers teruggeroepen zullen worden door hun kiezers als zij hun besluiten niet zullen uitvoeren.” (Bibliothèque Nationale, Lb40 3166, p. 521, n. 83) Sectie Bonne Nouvelle vond, dat het recht “om hun gemandateerden terug te roepen onvervreemdbaar was”. (Archives de Département de la Seine, 4 AZ 698, p. 522, n. 84) Op 8 september 1792 verklaarde de sectie Droits de l’Homme dat het zich het recht voorbehield om gemandateerden terug te roepen: “als zij tijdens hun zitting de verdenking van onburgerlijk gedrag op zich laden”. (Bibliothèque Victor Cousin, MS 120) Op dezelfde dag eiste de sectie Poissonnière, dat de grondwet een bepaling over het terugroepen van gekozen ambtenaren zou opnemen “wanneer de basisvergaderingen dat wilden”. (Bibliothèque Nationale, Lb40 2068, p. 522, n. 87) Sectie Réunion verklaarde “dat zij zich uitdrukkelijk het recht voorbehield om gekozen gemandateerden terug te roepen, als zij tijdens hun activiteiten de verdenking van onburgerlijk gedrag op zich laadden of als ze in Frankrijk een regering in het zadel trachtten te helpen die het vrijheids- en gelijkheidsprincipe vijandig gezind was”. (Bibliothèque Nationale, Lb40 2098, p. 522, n. 88)

[20]   Op 29 augustus 1793 bevestigde de sectie Halle au Blé, dat “het alleen aan het soevereine volk is om de leden van de door haar gekozen machten te controleren”. (Bibliothèque Nationale, Lb40 1873, p. 525, n. 103) Bij het begin van het jaar II (september 1793) herhaalde sectie Observatoire “dat de soevereiniteit van het volk onvermijdelijk het recht om afgevaardigden en ambtenaren die het vertrouwen verspeeld hebben, terug te roepen”. (Archives de Département de la Seine, D 933, p. 526, n. 104)

[21]    Op 14 december 1792 besloot sectie Bon Conseil, “om de uitvoerende macht bij al haar administratieve taken nauwlettend in de gaten te houden”. (Archives de Département de la Seine, D 916, p. 526, n. 106) Het besluit werd ondersteund door sectie Quatre Nations, maar de meer gematigde sectie Gardes Françaises was ertegen, daar dat zou leiden “tot verzwakking van de individuele verantwoordelijkheid van de ministers”. (Bibliothèque Nationale, Lb40 1844, p. 527, n. 107) Op 15 april 1793 herinnerde (sectie) Bon Conseuil Antoine Santerre, commandant van de Parijse Nationale Garde, eraan dat hij z’n macht ontleende aan vrije mensen die zich nooit als slaven zouden laten commanderen”. (Bibliothèque Nationale, Lb40 1964 [2], p. 527, n. 108)

[22]   De secties Fraternité, Molière en La Fontaine stuurden gezanten naar Normandië en werden voor deze actie veroordeeld door de Commune op 12 juli 1793. Sectie Quatre Vingt Douze had gevolmachtigden naar de departementen l’Eure en Calvados gezonden, zoals op diezelfde dag was gerapporteerd in de Club der Jacobijnen. (P. J. B. Buchez en P. C. Roux (red.), Histoire parlementaire de la Révolution française, 40 vols., Paulin/Libraire, Parijs, 1834-1838, 28:306-7) Aan de andere kant zond sectie Gardes Françaises op 17 juni 1793 zijn gevolmachtigden naar Tours om de opkomende contrarevolutie te bestrijden. (Archives Nationales, F7 474716 p. 527, n. 110)

[23]   “Het behoort slechts aan de soevereine macht toe om de officiële autoriteiten die alleen zij heeft gekozen te verwijderen.”, schreef sectie Halle au Blé  op 29 september 1793 (Bibliothèque Nationale, Lb40 1875, p. 9 n. 120) Sectie Observatoire vond dat soevereiniteit het recht om niet alleen ontrouwe afgevaardigden, maar ook “alle ambtenaren haar vertrouwen onwaardig” terug te roepen behelsde en eiste van de Conventie dat hij “een middel vond om alle ambtenaren die hun ambt onwaardig waren terug te roepen”. (Archives de Département de la Seine, D 933, p. 530, n. 121)

            Andere aspecten van volkssoevereiniteit, zoals de permanentie van de sectievergaderingen, de mate van autonomie die iedere sectie geniet, het recht op opstand, open discussies en open stemmingen, het gebruik van collectieve petities en de functie van volksgenootschappen worden besproken door Soboul, Les Sansculottes parisiens, pp 531-58, 567-70, 619-21, 637-39 en 647-48

            Zie ook Richard Cobbs bespreking in zijn gezaghebbende Les Armées Revolutionaires: Instrument de la Terreur dans les départements, avril 1793-Floreal an II, 2 vols., Mouton & Co, Parijs, 1961, 2:613-18 [vert. : The Peoples Armies, Yale Un. Pr., New Haven/Londen, 1987]

[24]   De dollemannen worden meestal besproken in het bredere kader van de sansculotten-beweging. Zie bijvoorbeeld Albert Mathiez, La vie chère et le mouvement social sous la Terreur, Payuot, Parijs, 1927 op meerdere plaatsen; Daniel Guérin, La Lutte de classes sous la Prémiere Republique, 2 vols., Gallimard, Parijs, 1946 op meerdere plaatsen [ingekorte vert.: De klassenstrijd in de Franse Revolutie, Bourgeois en bras nus 1793-1795, Wereldvenster, Weesp, 1984 p. 155 e.v.] Walter Markov, Robespierristen und Jacquesroutins in: Maximilien Robespierre 1758-1794, Rütten & Loening, Berlijn, 1958 pp 159-217; idem, Jacques Roux oder der Elend der Biographie,  Rütten & Loening, Berlijn, 1966; Albert Soboul, Les Sansculottes parisienes, op meerdere plaatsen; J. M. Zacher, Dvezheneye “Beshenich”(The revolutionairy movement of the Enragés), Moskou, 1961; Morris Slavin, Left of the Mountain: The Enragés and the French Revolution, niet gepubl. these gedep. in de bibl. v. d. Western Reserve University, 1961; R. B. Rose, The Enragés: Socialists of the French Revolution?, Melbourne Un. Pr., Londen, 1965.

[25]   Archives Nationales, F7 47753. Hij werd gearresteerd door de Commissie van Algemene Veiligheid vanwege het “schaamteloos tonen van z’n weerstand tegen de revolutionaire regering.”

[26]   Archives Nationales, F7 47753.

[27]   Archives Nationales, F7 47749. Leclerc en zijn vrouw Pauline Léon werden gearresteerd op bevel van de Commissie van Algemene Veiligheid van 2 april 1794 (13 Germinal v. h. jaar II)

[28]   Zowel Roux als Leclerc probeerden te profiteren van de populariteit van Marat na zijn dood. Roux begon in de zomer van 1793 de krant, Le Publiciste de la République française par l’ombre de Marat, l’Ami du peuple te publiceren (Het eerste nummer verscheen  op 16 juli 1793). Leclerc begon het blad, L’Ami du peuple uit te geven (het eerste nummer verscheen op 20 juli 1793)

[29]   Volgens eigen zeggen was hij geboren op 14 juli 1764 in Parijs. Deze verwijzing verschijnt in een aantekening bij een brochure die door hem enige tijd na juli 1830 was geschreven. (Déclaration des Droits de l’Homme maritime et du citoyen nautique, Nantes, z. j., Bibliothèque Nationale, *E 1226) Er is geen duidelijk bewijs dat deze bewering dat hij de 14e juli was geboren, bevestigt of tegenspreekt, een zeer tot de verbeelding sprekende datum voor een Franse patriot. Hoewel er voortdurend naar hem verwezen wordt als een jonge man (in 1793) bevat noch zijn dossier (Archives Nationale, F7 477540) noch zijn brochures, waarvan er enkele autobiografisch zijn, enige gegevens die hierop wijzen. De enige uitzondering is de boven genoemde aantekening. J. M. Zacher, de overleden Russische onderzoeker van de beweging der dollemannen neemt als geboortejaar 1764 aan. Zie zijn: Jean Varlet at the Time of the Jacobin Dictatorship in: Journal of Modern Current History, nr. 2, 1959, p. 114. (oorspr. in het Russisch)

[30]   Enige van zijn composities in versvorm die op populaire melodieën zijn gezet; deze verschenen in Bibliothèque Nationale, Ye 53552, Pot-pourri national, Parijs [?], 1791, 2, 3, 7.:    

 

Brille par tout Liberté,
Nouveau soleil de ce monde;

Brille par tout Liberté,

Consoles l'humanité;

Vas, fais pâlir les Tyran[s];

Par ta morale profondes [sic]

Sur leur trônes chancellans,

Que leur orgueil se confonde

Brille par tout Liberté [etc.].

Rousseau, dans un écrit divin,

Fait voir le Peuple souverain;

Sou livre est celui de Destin:

Qu'on le révère

Car c'est le Père

Du genre humain.

Il faut les voir,

Péthion, Bauzot, Robespiere;

Il faut les voir,

Quand ils pulvérisent les Noirs [etc.].

Schitterend is alle vrijheid
Nieuwe zon van deze wereld;

Schitterend is alle vrijheid

Draagstenen van de menselijkheid;

Doe de tiran(en) verbleken;

Door uw diepzinnige moraal [!]

Op hun wankelende tronen,

Die samenvalt met hun hoogmoed

Schitterend is alle vrijheid[etc.].

Rousseau, in een goddelijk geschrift,

Toont het soevereine Volk;

Zijn boek gaat over haar bestemming:

Dat men haar hoogacht

Want zij is de Vader

Van een menselijke kunstvorm.

Men moet hen zien,

Péthion, Bauzot, Robespiere;

Men moet hen zien,

Wanneer zij de Nachten verpulveren [enz.].

 

     

[31]   Jean Varlet, A ses chairs concitoyens des tribunes et des Jacobins, Parijs, 1972, 1-3 (British Museum, F 353); Archives Nationales, F7 47753

[32]   Jean Varlet, L’Apôtre de la liberté prisonnier, à ses concitoyens libres, Parijs, 1793 (British Museum, F 1012-6) Bij het protest tegen zijn arrestatie door de Jacobijnen in september 1793 verwijst Varlet naar zijn activiteiten tijdens de beslissende dagen van de Revolutie met name naar 21 juni 1791: “Hij die op 21 juni 1791 …… samenzweerde met het volk tegen de koninklijke en wetgevende tirannie” (p. 2; cursivering door Valet, maar hij geeft niet aan wat hij die dag precies deed.)

[33]   Archives Nationales, F7 477540.

[34]   “Soeverein volk, Lafayette is, was en zal altijd een schurk blijven, een verrader van dit land. Ik beschuldig hem nu; een burger die niet bang is”. In: Alexandre Tuetey, Répertoire général des sources manuscrites de l’histoire de Paris pendant la Révolution française, 2 vols. Nouvelle, Parijs, 1890-1914, 5, nr. 3578

[35]   Jean Varlet, Plan d’une nouvelle organisation de la societé mère des amis de la constitution suivi de la religion du philosphe dédie aux indigens, Parijs, 1793 11-15, 17-18. (British Museum, 935 G 10) Varlet bekritiseerde de Jacobijnse bijeenkomsten vanwege het feit dat ze hun leden en gasten weinig te bieden hadden, omdat ze “vervelend, oersaai en vol kwaadsprekerij” waren. Te vaak besloot de voorzitter de bijeenkomst met het cliché: “De club zal …… in overweging nemen.” (cursivering van Varlet, idem 25)

[36]   Er wordt in Moniteur (12, nr, 174, 22 juni 1792) niet met name verwezen naar Varlet als indiener van de petitie, maar inwendig bewijs en de verwijzing naar activiteit op 20 juni laat er geen twijfel over bestaan dat de woordvoerder van de delegatie Varlet was. Zie bijvoorbeeld zijn dossier en zij autobiografische beschrijving in de brochures, L’Apôtre de la liberté en Déclaration solennele des Droits de l’Homme dans l’état social, “historische aantekening”

[37]   Moniteur 13, nr, 220, 7 augustus 1792

[38]   Jean Varlet, Projet d’un mandat special et imperatif, aux mandataires du peuple à la Convention nationale, Parijs, 1792, pp 3-5 (British Museum, R 97-18). In een voetnoot zegt hij: “Zij die handelen als vertegenwoordigers beelden zich bijna altijd in dat ze dat ook werkelijk zijn; toch is het een uitgangspunt dat onze onvervreemdbare soevereiniteit noch gedelegeerd noch gerepresenteerd kan worden” (idem p. 5)

[39]   Idem, 6-7, 11, 16-17

[40]   Idem, 18

[41]   Idem, 19

[42]   Het is interessant op te merken, dat tijdens de Amerikaanse Revolutie, toen verschillende staten grondwetsontwerpen opstelden, de Grondwetgevende Vergadering van Pennsylvania, onder president Benjamin Franklin, voorstelde om een instelling die bekend stond als een Raad van Toezicht in het leven te roepen. Het was haar taak om te onderzoeken of de grondwet werd nageleefd en om wijzigingsvoorstellen te doen als zij meende dat zoiets wenselijk was. Hoewel zij nooit werd ingesteld, schijnt de staat Vermont zo’n soort instelling met enig succes te hebben gehanteerd. (Edward Channing, A History of the United States, Macmillan, New York, 1949, 3:439-40) Onderzoekers van de Russische Revolutie kunnen een vergelijkbare instelling zien in de Arbeiders en Boeren Inspectie. Deze werd op initiatief van Lenin gevormd om de groeiende macht van de staats- en partijbureaucratie te beteugelen. In korte tijd werd de Inspectie ook onderdeel van het algemene apparaat dat Stalin gebruikte in zijn strijd tegen politieke vijanden.

[43]   De toestand van de stedelijke massa’s in de winter van 1793 is een aparte kwestie en heeft zijn eigen rijke biografie. Albert Mathiez zegt in zijn klassieke studie: “Uit vrees om de bezitters van eigendom te verontrusten …… legden de vergaderingen nooit voldoende belastingen op. De Revolutie behaalde de overwinning op het assignaat, d.w.z. op het valse geld. We kunnen stellen dat de kleine luiden de kosten van de Revolutie droegen evenals de priesters en de geëmigreerden” (La vie chère, 608, 613)

[44]   Jean Jaurès, Histoire Socialiste (1789-1900), 4 vols, Jules Rouff, Parijs, 1900, p. 4: 1054 [geaut. vert. d. W. v, Ravesteijn jr.: Geschiedenis der Franse Revolutie, 4 dln., S. L. van Looy, Amsterdam, 1905-1906]

[45]   F. A. Aulard, La société des Jacobins: Recueil de documents pour l’histoire du Club des Jacobins de Paris, 6 vols., Parijs, 1889-97, 5:37-38. Augustin Robespierre wierp tegen dat zo’n discussie de republiek zou schaden, terwijl Dubois-Crancé verklaarde dat eerst de vrijheid verworven moest worden, voordat er gesproken kon worden over goedkoop brood.

[46]   Moniteur, 15, nr. 59, 28 februari 1793; Le Bulletin des amis de la vérité, Parijs 1793, nr. 1, 25 februari 1793 (Bibliothèque Nationale, Lb2 763); Tuetey, Répertoire général, 9, nr, 83.

[47]   Aulard, La société des Jacobins, p. 4: 648-49. Varlet had kou gevat toen hij de menigte toesprak. De Jacobijnen zonden een afvaardiging om  hem tijdens zijn ziekte te bezoeken.

[48]   De gefedereerden hadden zich verenigd in “La Société des défenseurs réunis de la République” en ontmoetten elkaar bij de Jacobijnen. Het comité van opstand omvatte Varlet en de toekomstige Hébertisten Charles-Philippe Ronsin en François-Nicolas Vincent. Zij hadden het tijdstip van de coup bepaald op 05.00 uur.

[49]   Aulard, La société des Jacobins, 5: 85-86; Tuetey, Répertoire général, 9, nr. 472

[50]   Jaurès, Histoire Socialiste, 4: 1264

[51]   Varlet, Déclaration solennele de Droits de l’Homme, 4-5 (cursivering van Varlet) De exacte datum van dit verzoek werd gegeven door het revolutionaire comité van de sectie Droits de l’Homme, toen zij Varlets documenten naging. (Archives Nationales, F7 477540)

[52]   Idem, 6

[53]   Idem, 13 (Artikel 8)

[54]   Idem, 15 (artikel 10; cursivering van Varlet)

[55]   Idem, 20-21

[56]   We moeten goed beseffen, dat een opstand niet letterlijk een gewapend oproer betekent. Vaak betekende het een vredige of militante demonstratie om de autoriteiten de wil van de secties te laten weten. Zie bijvoorbeeld de bespreking in Albert Soboul, Les Sansculottes parisiens, 542-46. De motieven van deelnemers in de verschillende journées worden besproken door George Rudé, The Crowd in the French Revolution, Clarendon, Oxford, 1959

[57]   Tuetey, Répertoire général, 9, nr, 603. Ongeveer terzelfder tijd werd hij lijfelijk aangevallen door een tegenstander in een café. Toen een Nationaal Gardist hem hoonde wegens lafheid, antwoordde hij: “Ik ben een goede patriot en een goede patriot weet hoe hij een verwonding moet dragen”.

[58]   Archives Nationales, F7 477540.. Bij de oproep aan de Parijzenaars om hun heldendaden van 14 juli (1789) en 10 augustus (1792) te herhalen, drong Varlet aan op de vorming van een comité van opstand, dat moest bestaan uit commissarissen van de 48 secties en de communes van het departement Parijs. Hij eiste ook de reorganisatie van alle ambtenaren die niet door het volk waren gekozen. (Mesures suprémes de salut public, proposées aux citoyens du département de Paris, Parijs, z. j., Artikelen 2 en 15 - Bibliothèque Nationale, Lb41 5339)

[59]   The John Rylands Library (Manchester), French Historical Tracts, Jean Varlet, Gare l’explosion, Parijs, 1794, pp 5-6. In hoofdstuk 8, The Insurrection of May 31-June 2, in: Left of the Mountain, bespreek ik hoe de Jacobijnen controle konden krijgen over het Centrale Revolutionaire Comité van de Dollemannen (enragés) door zo’n 15 leden van het departement van Parijs aan het oorspronkelijke Comité van 9 toe te voegen.

[60]   Moniteur, 17, nr. 262, 19 september 1793; Buchez en Roux, Histoires parlementaires, 29: p. 112.

[61]   Tuetey, Répertoire général, 9, nr, 1336. Één mogelijke rechtvaardiging voor Varlets arrestatie lag in Robespierres verwerping van Artikel 43 van de grondwet, waarin staat: “De afgevaardigden kunnen nooit worden verhoord, beschuldigd of veroordeeld voor standpunten die ze in het wetgevend lichaam hebben verwoord.“ Op 15 juni 1793 bekritiseerde Robespierre dat artikel, omdat onder de dekmantel van het vrije woord een afgevaardigde de belangen van het volk ongestraft kon verraden. Hij had gemeend dat het mogelijk was, zo bekende hij, dat aan het eind van een wetgevende zitting iedere afgevaardigde gedwongen kon worden aan z’n kiezers verantwoording af te leggen van z’n handelswijze en rol tijdens de voorafgaande zitting. “Maar ik ontdekte in deze procedure een heleboel moeilijkheden: ik zag dat als in een bepaald geval, het volksgerecht het vonnis velde in een ander geval gekonkel zou overheersen en de waarheid verminken.” (Moniteur, 16, nr. 168, 17 juni 1793) Dit betekende dat Robespierre directe democratie waarvoor Varlet nog streed, afwees. Het moet echter erkend worden, dat hij haar niet op constitutionele gronden, maar veeleer op “praktische” gronden, afwees. “Daarom scheen het bindend mandaat, zowel theoretisch als praktisch veroordeeld te zijn door de partizanen van de representatieve regering én door die van de directe regering, door de leerlingen van Rousseau en Montesquieu.” (Koch, Les Origines françaises, p. 101) Zie in dit verband ook het interessante essay van Gordon H. McNeil, Robespierre, Rousseau and Representation in: Ideas in History: Essays Presented to Louis Gottschalk by His Former Students, Richard Herr/ Harold T. Parker (red.), Duke Un. Pr., Durham, 1965 pp 135-56.

[62]   Varlet, L’Apôtre de la liberté prisonnier, 2, 6-7 (cursivering door Varlet)

[63]   Archives Nationales, F7 477540. De Conventie beloofde dat zij “hem in de gaten zou houden en zelfs zijn verbeelding zou controleren en zijn stoere patriottisme als dat de publieke zaak zou compromitteren.”

[64]   Archives Nationales, F7 477540.

[65]   In deze noot bij het pamflet Déclaration des Droits de l’Homme maritime , zegt Varlet dat hij 11 maanden in 1793 in de gevangenis heeft gezeten. In werkelijkheid was dat, zoals we hebben gezien, 2 maanden. Zij veel langer durende hechtenis vond pas plaats in 1794-95.

[66]   Soboul, Les Sansculottes parisiens, p. 928,  n. 42 (Archives Nationales, C 603, pl. 1155)

[67]   Varlet, Gare l’explosion, pp 3-4. Het pamflet werd uitgegeven op 6 oktober 1794

[68]   Idem, p. 7

[69]    Idem, p. 11

[70]   Idem, p. 14

[71]   Archives Nationales, F7 477540.

[72]   Idem

[73]   Idem

[74]   Jean Varlet, Du Pléssis, Parijs 1794 (British Museum, F 460-6). “Laat de revolutionaire regering eerder ten gronde gaan dan enig principe”, schreef hij en tekende zelf met “Varlet, een vrij man (libre)”

[75]   Archives Nationales, F7 477540. Le Panthéon Français, Parijs, 1795. Dit essay is getekend “burger (citoyen) Varlet” met “Varlet” in grote en “Citoyen” in kleine letters, maar het is doorgestreept en opnieuw getekend met “Varlet” nu in kleine letters en “citoyen” in grote letters – een interessante psychologische onthulling.

[76]   Käre D. Tønneseon, La défaite des sans-culottes, Clávreuil/ Un. Pr. Oslo, Parijs/Oslo, 1959, p. 375, n. 70 (Archives Nationales, W 548). Varlet en drie andere gevangenen schreven op 12 april 1795 (23 germinal jr. IV): “Wij zweren samen! Is dit het etiket dat men op zo’n natuurlijk gevoel van iedere vrije en eerlijke man die zich tegen onderdrukking verzet, plakt?”

[77]   Moniteur, 29, nr. 318, 5 augustus, 1799 (18 thermidor, jr. VII)

[78]   Op 28 september 1813 rapporteerde de hoofdcommissaris van politie aan de minister van binnenlandse zaken: “Deze man [Varlet] is vandaag de dag geenszins gevaarlijk. Hij is zeer arm geworden en daar hij geen middelen van bestaan kan vinden, heeft hij de hoofdstad verlaten en zijn we er zeker van dat hij een teruggetrokken leven in Meaux of omgeving leidt” (Archives Nationales, F7 6586),  geciteerd door J. [M.] Zacher, Varlet pendant la réaction Thermidorienne in: Annales historique de la Révolution française, nr. 163, jan./mrt. 1961, p. 33

[79]   Jean Varlet, Magnanimité de l’empereur des Français  envers ses ennemis Chaignieau Jeune, z. j. Deze brochure van 8 pagina’s bevat noch plaats noch datum van uitgave.  Volgens de auteur verscheen de brochure voor het eerst in de Gazetta de France van 5 januari 1814. Het is een verdedigingsrede voor “le héro” Napoleons “even billijke als milde” behandeling van overwonnen vijanden, met name Oostenrijk. Varlet drong aan op verzet en eenheid van alle fransen tegen de zegevierende mogendheden. (Bibliothèque Nationale, Lb46 116)

[80]   Jean Varlet, Le Phénix, le hibou et les oiseaux de proie, Nantes, 1831. Het thema is dat een uil (Lodewijk XVI) met behulp van roofvogels (de Europese mogendheden) zichzelf meester van de vogels van het bos had gemaakt. Toen de Phoenix (Napoleon) herrees, vloog de uil echter terug naar de schaduwen waar hij vandaan was gekomen. (Bibliothèque Nationale, Ye 53554)

[81]   Archives de la Loire-Inférieure, 1-M-64-64, Kieslijst van 1831, Nantes, mei 1831. Hij werd gekozen door het tweede kiesdistrict.

[82]   Zie bijv. L’Etoile polaire de la mariene Française, Parijs juli 1830 (Bibliothèque Nationale, Lc11 720). De titelpagina draagt deze dankbetuiging aan de Revolutie: “l’An I de l’héroisme parisien”. Zie ook Déclaration des Droite de l’Homme maritime. Deze brochure werd verkocht ten behoeve van de arme mariniers. Circulaire badressée aux habitants de Nantes, Nantes, 1831, 3 pp (Bibliothèque Nationale, Lb51 952)

[83]   Jean Varlet, Le Pater Noster d’un libre penseur dédié aux Mânes de Voltaire, Parijs, 1830, 4 pp (Bibliothèque Nationale, R stuk 7654) Nadat hij in 1836 vertrokken was naar Corbeil (Departement Seine-et- Oise) verdronk Varlet op 4 oktober 1837 op 73 jarige leeftijd. Yves Blavier, Jean-François Varlet Après la Revolution in: Annales historiques, nr. 284, apr.-jun. 1991, 227-231.

[84]   Déclaration solenelle des Droits de l’Homme, “Historische noot”, p. 23