ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > De Wijken van Parijs

februari 2003 [3]



REDACTIONEEL

In deze aflevering staan we stil bij een uniek historisch experiment met directe democratie in het Parijs tijdens de Franse Revolutie. Albert Soboul die als geen ander deze gebeurtenissen in kaart heeft gebracht zegt daar treffend over:

"Door het hele proces van de burgerlijke revolutie speelt een sansculotten-revolutie heen die zich al spoedig vijandig tegenover de eerste opstelt, haar vaak openlijk uitdaagt, maar zich steeds volgens een eigen ritme beweegt en daarom niet met haar verwisseld mag worden." [Soboul, Die Dokumente der Pariser Sektionen von 1790 bis zum Jahre IV in: Walter Markov(ed.) Jakobiner und Sansculotten, Beiträge zur Geschichte der französischen Revolutionsregierung 1793-1794, Rütten & Loening, Berlijn, 1956, p. 136/137]

In het openingsartikel, DE SANS-CULOTTEN EN HUN WIJKORGANEN IN REVOLUTIONAIR PARIJS probeert Ronald de Vries een schets te geven van de ontwikkelingen van het voorjaar 1789 tot het voorjaar 1795. Hoe de radicale bourgeoisie de wettelijke verkiezingsvergaderingen omvormt tot discussievergaderingen om petities op te stellen voor het nieuwgevormde parlement; hoe ze na een wettelijk verbod op creatieve wijze weer opduiken in de gedaante van volksgenootschappen en hoe de sans-culotten de 48 sections na een nieuwe wijkindeling maken tot autonome politieke organen van het volk.

De wijken bereiken vanaf de zomer van 1792 als het censuskierecht wordt afgeschaft een zeer grote mate van soevereiniteit. Dit komt vooral tot uitdrukking in het recht om permanent zittingen van hun wijkvergaderingen te houden, om zich te bewapen en dienst te nemen in de wijkmilities, om allerlei uitvoerende commissies te benoemen, te bemannen en te controleren. De sans-culotten gaan met wisselend succes ook de strijd aan voor het bindend mandaat en het terugroeprecht van afgevaardigden in vertegenwoordigende organen. Niet minder volhardend is het gevecht voor een referendum over alle door het parlement opgestelde wetsvoorstellen.

Vanaf de herfst van 1793 gaat het bergafwaarts: de
grondwet die het referendum waarborgde, wordt uitgesteld; de Commune wordt ondergeschikt gemaakt aan de door de Jacobijnen beheerste landelijke regering en in het voorjaar van 1794 worden de wijkgenootschappen die de sans-culotten hadden opgericht, omdat men de wijkvergaderingen had verboden om "permanent" bijeen te komen, ontbonden. De zogenaamde opstanden van germinal en prairial (1 april en 20 mei 1795) zijn te weinig doortastend om het tij te keren en de volksrevolutie verloopt. Het zal tot 1871 duren voordat het Parijse volk weer een Commune van de wijken in het leven roept.


In het tweede artikel van Morris Slavin
JEAN VARLET ALS VERDEDIGER VAN DIRECTE DEMOCRATIE wordt een politieke levenschets gegeven van de militante sans-culottenleider die een hartstochtelijke voorvechter van directe democratie was. Slavin vertelt ons hoe hij hoe hij alom bekend raakt als volksredenaar in de tuin van het koninklijk paleis, steeds aan wezig was bij de historische gebeurtenissen van de revolutie en soms aan het hoofd stond van de opstanden van het gewone volk.

We lezen zich liet leiden door een grootse visie op nieuwe democratische instellingen en praktijken; hoe hij als konsekwente Rouseauaan
fel strijdt voor het bindend mandaat en het terugroeprechtvan afgevaardigden en beambten; hoe hij erop hamert dat de soevereiniteit van het volk alleen in wijkvergaderingen en niet in het parlement kan liggen.

We vernemen hoe hij en zijn beweging vleugellam gemaakt worden en hij voor de tweede maal in de gevangenis tercht komt en uiteindelijk gedesillusioneerd van revolutionair tot aanhanger van Bonaparte wordt. Slavin concludeert, dat Varlet zijn tijd niet mee had, maar dat zijn idealen in de moderne tijd een grotere kans van realisatie hebben.

In het derde artikel komt Jean Varlet zelf aan het woord middels zijn SCHETS VOOR EEN BIJZONDER EN BINDEND MANDAAT dat hij in de herfst van 1792 schrijft aan de afgevaardigden in de Conventie en waarin hij op indringende wijze de principes van de directe democratie verwoordt.

Hij pleit daarin voor directe verkiezing van afgevaardigden in wetgevende organen met een bindend mandaat, die ten allen tijden afzetbaar en vervangbaar zijn. Ook de belangrijkste uitvoerende ambtenaren moeten direct gekozen worden en afzetbaar zijn als het volk dat wil. Wetsvoorstellen (behalve die uitzonderlijke omstandigheden regelen) kunnen pas tot wet verheven worden als ze door een meerderheid in de wijkvergaderingen, na een debat, goedgekeurd zijn, zo meent hij.


In de bijdrage,
JOHN OSWALD: DE EERSTE THEORETICUS VAN DE DIRECTE DEMOCRATIE? doet Roger Jacobs verslag van zijn 'ontdekking' van de Schotse theoreticus van de directe democratie John Oswald.

Deze avontuurlijke en gedreven revolutionair die een actieve rol in de Franse Revolutie speelde, schreef een opmerkelijk opstel, dat niet alleen een scherpe kritiek op het parlementarisme - evenals Varlet in de lijn van Rousseau - , maar ook een schets van een direct democratisch stelsel bevat.

In dit (ook door Roger vertaalde) geschrift, DE VOLKSREGERING OF OPRICHTINGSPLAN VOOR DE UNIVERSELE REPUBLIEK ontwerpt Oswald, na eerst fel uitgehaald te hebben naar het vertegenwoordigend stelsel, een landelijke federale structuur.

Deze is gebaseerd op districtsvergaderingen, een permanent referendum en een gekozen parlement dat als een wetvoorbereidende Raad (zoals de Boulè in klassiek Athene) moet functioneren. Ook besteedt hij aandacht aan het bestuurlijk (uitvoerend) systeem op het niveau van wijken, districten en de natie met gekozen ambtenaren en tenslotte verdedigt hij zijn opzet tegen mogelijke kritieken.


Tenslotte hebben we
Morris Slavins kritische boekbespreking, SIMON SCHAMA'S KRONIEK VAN DE FRANSE REVOLUTIE uit 1989 vertaald. Het boek werd in 2000 in het Nederlands herdrukt als Kroniek van de Franse Revolutie en is de enige titel over de Franse Revolutie die in onze taal nieuw op dit moment leverbaar is.

Slavin bestrijdt Schama's these dat het ancien regime niet feodaal, maar reeds burgerlijk was en dat de sociale problemen en niet de sociale structuur aan de basis van de Revolutie stonden. Hij wijst hierbij op de talrijke tegenspraken waartoe Schama gedwongen wordt bij zijn onderbouwing. Verder
verwijt Slavin Schama dat hij de gebeurtenissen zelden vanuit het standpunt van de revolutionaren beschouwt en dat hij de rol van geweld sterk overschat. Ook is hij er verbaasd over, dat Schama zoveel begrip kan opbrengen voor de slachtoffers van de revolutie onder de gematigden en zo weinig voor de woordvoerders van de sans-culottes. Slavin haalt in dit verband onder meer Schama's bewondering voor de moordenares van Marat aan.