ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > De Wijken van Parijs
  februari 2003 [3]



JOHN OSWALD: DE EERSTE THEORETICUS VAN DE DIRECTE DEMOCRATIE?

door Roger Jacobs



De (her)ontdekking van John Oswald

Korte tijd geleden, tijdens de voorbereiding van dit themanum­mer van Athene, vond ik op internet een essay van de Franse politieke filosoof Jean-Pierre Garnier Emanciper l'émancipa­tion? gewijd aan het oeuvre van de in 1991 overleden liber­taire marxist Henri Lefèbvre. De tekst werd voorafgegaan door een citaat van Lefèbvre: "Het probleem? Het gaat er niet om  te weten welke staat en welke politiek men wil, maar de staat en de politiek moeten zelf ter discussie gesteld wor­den". Het traditionele rechtse én linkse denken over staat en politiek moet vervangen worden door een nieuw perspectief dat Garnier, bij gebrek aan een geschiktere term, 'zelfemancipa­tie' noemt. 'Zelfemancipatie' op politiek vlak veronderstelt een kritiek op de parlementaire democratie. Garnier gaat op zoek naar de historische wortels van die kritiek en vindt die terug in enerzijds de geschriften van Jean-François Varlet (die uitge­breid aan bod komt in dit nummer van Athene) en anderzijds in die, van de mij tot nog toe, onbekende John Oswald (1755/60-1793). Oswald blijkt een Schotse revolutionair ge­weest te zijn met een sterke sympathie voor de Franse revolu­tie waarvoor hij uiteindelijk zelfs zijn leven liet. Als politiek publicist benadrukte Oswald voortdurend opnieuw dat de volkssoevereini­teit slechts de vorm kan aannemen van een directe democratie die hij contrasteert met  de parle­mentai­re democratie die het volk 'afleert' om politiek te denken en te handelen.

Na zijn dood zou Oswald bijna - en ik benadruk dit 'bijna' - volledig in de vergetelheid terecht komen. Zijn betekenis op politiek vlak komt slechts tot zijn recht in twee histori­sche studies: A. Lichtenberger, Le socialisme utopique au XVIII siècle (Parijs, 1898) en A. Ioannissian, Les idées commu­nistes pendant la Révolution française (Moskou, 1984). Noch in werk van links-libertaire auteurs als Daniel Guérin of - recen­ter - Murray Bookchin (waarvan de titel The third revolu­tion verwijst naar praktijken van directe democratie), noch in de mooie verzamelbundel van Patrick Kessel (Les gau­chistes de 89, Paris, 1969) wordt over Oswald gesproken. Pas in 1996 publi­ceerde een Parijs uitgeverijtje een verzameling  korte teksten van hem onder de titel Le gouvernement du peuple. Plan de constitution pour la république universelle (Les Editions de la Passion, 18 Rue Claude-Tillier, 75012 Parijs). We baseren ons op de uitgebreide inleiding van Yves Blavier om een schets te geven van het leven en werk van John Oswald.


Een avontuurlijke non-conformist

Over de vroegste levensjaren van John Oswald is weinig bekend. Hij zou tussen 1755 en 1760 geboren zijn in het Schotse Edin­burg in het milieu van de lage middenklasse. Zijn sociale afkomst in aanmerking genomen, volgde hij een redelijk goede oplei­ding die de jonge John aanvulde met zelfstudie. Aanvankelijk leek hij voorbestemd voor het rustige leven van een geschoolde am­bachtsman: hij werd leerling-goudsmid. Deze voorspelbare lotsbestemming viel echter niet te rijmen met zijn onrustige geest. Zucht naar avontuur en verre hori­zonten deden hem kiezen voor een militaire loopbaan. Hij nam gedurende een korte periode deel aan de Amerikaanse Onafhanke­lijkheidsoorlog en werd enige tijd later, als luitenant in een Highlander-regi­ment, naar Indië gestuurd op strafexpeditie tegen een rebelle­rende inlandse vorst.

Tijdens de lange veldtocht - die trouwens uitliep op een neder­laag voor de Britten - begon Oswald te twijfelen aan de zin van zijn militaire functie. Voor deze twijfel zijn twee redenen aan te geven. Enerzijds werd hij door zijn lage sociale positie en geringe financiële mogelijkheden niet voor 'vol' aanzien door zijn collega-offi­cieren. Dit gaf aanleiding tot conflicten (onder meer een duel) waardoor hij nog meer geïso­leerd raakte. Anderzijds (en waar­schijnlijk samenhangend met zijn sociale uitsluiting) begon hij een grote waardering te koesteren voor de plaatselijke culturen waarmee hij in contact komt. Dit bracht hem tot een kritische bezinning op de koloniale onderneming. Binnen de context van die tijd was dat een opmerkelijke politieke stellingname. Sommige libe­rale afge­vaardigden in het Engelse moederland lanceerden wel wets­voor­stellen voor een meer humaan beleid in de gekoloni­seerde gebieden, maar niemand stelde de vraag naar de legitimiteit van de koloniale expansie als zodanig. In het oog springend was ook, dat hij gebruiken uit de plaatselijke Indi­sche cul­tuur ging overnemen: zo werd hij een overtuigd vegetariër en tot op de dag van vandaag stond hij bekend als één van de grond­leg­gers van het vegetarisme[1]. Dit alles maakte zijn positie van officier in het Britse koloniale leger onhoudbaar. In 1783 nam hij dan ook ontslag.

Bij zijn terugkeer naar Engeland maakte hij een tussenstop in Parijs waar hij kennismaakte met Jacques-Pierre Brissot de Warville, een politiek denker die als Girondijn nog van zich zou laten horen tijdens de Franse revolutie. Brissot was auteur van het boek Recherches philosophiques sur le droit de pro­priété (1780) waarin een gematigde kritiek werd uitgeoefend op de ongelijkheid. Brissot trad op als Oswalds politieke mentor en leerde hem onder meer de geschriften van Rousseau en Mably kennen. Aan dit leerrijke contact werd bruusk een einde gemaakt toen Brissot op 12 juli 1784 gearresteerd werd en opgeslo­ten in de Bastille vanwege zijn opruiende geschriften. Oswald bleef verweesd achter en reisde door naar Londen op zoek naar een baan. Aangekomen in de Engelse hoofdstad besloot hij van zijn pen te gaan leven. Hij beschikte over goede troe­ven: hij had een vlotte pen en bovendien was hij polyglot (hij sprak of begreep 9 vreemde talen waaronder het Arabisch en het Turks). Hij lanceerde het éénmans­krantje The British Mercury, schreef pamfletten en maakte plannen voor een monu­mentale geschiedenis van Indië. Maar hij maakte vooral naam als ... modieuze charmedichter die in klassieke verzen de liefde bezong. Sentimenteel, lichtvoe­tig en een beetje flauw kende Oswalds poëzie (die hij publi­ceerde onder het pseudoniem van Sylvester Otway) veel succes bij het gegoede publiek, waardoor de deuren van de Londense salons voor hem opengingen.

Zijn onrustige geest, de onuitwisbare ervaringen die hij opdeed in het Verre Oosten en de maatschappijkritische ideeën uit Parijs voorkwamen echter dat hij zich vestigde in het gezapige bestaan van een succes-auteur. Zijn non-conformistisch gedrag baarde opzien in de Londense salons: hij liet zich niets gelegen liggen aan de formele kledingsvoorschriften en maakte geen geheim van zijn vegetarische opvattingen. Tegelij­kertijd ontpopte hij zich meer en meer als een politieke radicaal. Bij zijn terugkeer naar Engeland zocht hij toenade­ring tot kringen van regeringscritici. Hij was zeer onder de indruk van de heftige en charismatische toespraken van John Horne-Tooke, een leerling en latere rivaal van de bekende pamflettist John Wilkes. Hij las ook met veel belangstelling de pamfletten van voorstanders van electorale hervormingen: On civil liberty (1776) van dominee Richard Price en Let­ters on political liberty(1782) van de deïsti­sche predikant David Williams. Vooral dit laatste geschrift deed Oswald nadenken over de problemen van het politieke systeem. Hij trok er de conclusie uit dat "het voornaamste doel, het eerste en grote doel van het leven erin bestaat om de zwakke tegen de sterke en de arme tegen de rijke te beschermen". Uit dit citaat bleek tevens dat hij een verband begon te zien tussen de poli­tieke en de economische problematiek. En dat was niet verwon­derlijk, als men weet dat Engeland in de jaren '80 van de 18de eeuw een diepgaande crisis doormaakte. De herstruc­turering van de landbouw ging ten koste van de uitstoot van duizenden kleine boeren, en de industriële activiteiten stagne­erden. Diegenen die nog werkten, deden dat onder erbarmelijke omstandigheden en het parlemen­taire systeem kraakte onder de corruptieschandalen. Reeds in 1784, vlak na zijn terugkeer uit het Verre Oosten, publiceerde Oswald The Review of the Consti­tution of Great Britain, dat echter slechts in een besloten kring van vertrou­welingen voorgelezen werd. Oswald nam dan ook geen blad voor de mond. Hij ontmaskerde het parlement als een "bende struikro­vers" die het land op de rand van het verval, de tirannie en de anarchie gebracht hadden ... Een paar jaar later, in 1786, schreef hij een anti-religieus pamflet met de titel Ranae melanco­lizantes, or the comic frogs turned methodist, waarin hij zich uitsprak voor het atheïsme.

In het midden van de tachtiger jaren was het politieke klimaat in Engeland niet rijp voor dergelijke nietsontziende kritie­ken, maar tegen het einde van het decennium radicaliseerde de publieke opinie zich, mede onder invloed van de gebeurtenissen in Frankrijk. Dominee Richard Price juigde vanaf zijn preek­stoel de bestorming van de Bastille toe en loofde het Franse volk voor haar "geestdrift voor de vrijheid". John Oswald durfde het nu aan zijn Review of the constitution in openbare bijeenkom­sten voor te lezen. Maar dat ging hem niet ver genoeg. Tenslotte kon hij de lokroep van het revolutio­naire Parijs niet langer weerstaan en stak het kanaal over. In mei 1790 ver­scheen zijn eerste artikel in een En­gelstalig blad in de Franse hoofdstad.


Oswald en de 'Cercle social'

Oswald was gefascineerd door de Franse Revolutie. In Parijs kwam hij in contact met de meest uiteenlopende verenigingen en kranten die, in het nieuwe klimaat van vrije meningsuiting, een enorme gisting van originele ideeën mogelijk maakten. Zoals te verwachten, zocht hij er toenadering tot de stoutmoedigste denkers.

Die vond hij in een wat eigenaardige genootschap, de Cercle social, die in oktober 1790 opgericht werd door de vrijmetse­laar Nicolas Bonneville. Bonneville was schrijver, uitgever en drukker die in zijn herhaaldelijk bewerkt boek De l'Esprit des religions (1791) zijn streven naar economische gelijkheid en politieke vrijheid tot uitdrukking bracht. Zijn wat wazig, esoterisch taalgebruik verhinderde niet dat hij de heersende klassen de stuipen op het lijf joeg: "er zal een dag komen, verslinders van de goederen der armen, waarop jullie zullen merken welke mogelijkheden die dieren in zich dragen die heden ten dage nog zo stompzinnig zijn dat ze zich bij duizenden laten ketenen door de zwakste onder jullie". Maar hij liet zijn lezers wel in het ongewisse over de wijze waarop zich die revolutie van de stompzinnigen moest voltrekken. Dat liet hem toe een zeer heterogene groep van politieke activisten rondom zich te verzamelen: van gematigde bourgeois, via toekom­stige Girondijnen tot en met mensen van de uiterste linkerzij­de: Collot d'Herbois, Sylvain Maréchal en ... John Oswald. De 'Cercle' riep ook de Confédération des Amis de la Vérité in het leven die openbare lezingen organiseerde (onder meer in het circus van Palais royal waar zich soms tot 5000 toehoorders verdrongen!) en gaf het tijdschrift La Bouche de fer [De ijzeren mond] uit waarvan ook Oswald redactielid was. De Cercle social zou een uiterst actieve rol spelen in de politieke debatten van de eerste fase van de Revolutie (1790-'91).

In het februari-nummer van 1791 nam Oswald het op voor de Engelse radicaal John Horne-Tooke en maakte van de gelegenheid gebruik om zijn kritiek op het parlementaire systeem kenbaar te maken. Als uitgangspunt nam hij het pas verschenen boek van Edmund Burke, Reflections on the revolution in France, dat in het vervolg model zou staan voor alle conservatieve kritieken op de politieke filosofie van de Verlichting. Burke beweerde dat het vrijheidsidee gebaseerd op de Rede een abstractie was die haaks stond op de organisch gegroeide histo­ri­sche vrijheidstraditie van een specifieke natie. De hele Engelse linkerzijde (waaronder Thomas Paine en William Godwin) greep naar de pen om Burke te weerleggen en ook Oswalds artikel paste in deze stroming. Hij verbond zijn kritiek op Burke echter met de op dat moment aan de gang zijnde Franse campagnes om electorale hervormingen af te dwingen (in de zin van het algemeen stemrecht). Algemeen stemrecht in combinatie met het bestaande vertegenwoordigingssysteem volstonden niet, volgens Oswald, om alle burgers actief te betrekken in het politieke proces. Hij verwees daarbij naar het gecorrum­peerde parlementaire systeem in Engeland. En hij vond een theoreti­sche legitimatie voor zijn anti-parlementarisme in de Rous­seauïaanse soevereiniteitsopvatting zoals die beschreven stond in Du Contrat social (1762): "De soevereiniteit kan niet verte­genwoordigd worden om dezelfde reden dat ze niet ver­vreemd kan worden; zij bestaat wezenlijk uit de algemene wil en de wil laat zich niet vertegenwoordigen".

Na de massa-demonstratie van 17 juli 1791 en de daarop volgende repressie vond de Cercle social het raadzaam om haar openbare bijeen­komsten op te schorten, maar de uitwisseling en informele activiteiten werden voortgezet. Oswald zette zich vooral in om de positieve houding van de Engelse progressieven ten aanzien van de Revolutie in stand te houden en hij pro­beerde duurzame contacten te smeden tussen revolutionaire genootschappen uit beide landen. In de tussentijd publiceerde hij een vegetarisch pam­flet onder de titel The Cry of Nature, or an appeal to mercy and justice in behalf of the persecuted animals (1791). Opvallend is wel dat hij het verband legde tussen de hoop gewekt door de Franse Revolutie en het dierenwelzijn: "Nu de barbaar­se regeringen van Europa plaats maakten voor een beter stelsel  nadert de dag  dat het groeiende gevoel van vrede en goede wil ten aanzien van mensen ook in een wijde kring van liefdadigheid de lagere orden van het leven zal omhelzen".

In 1792 verscheen ook de derde uitgave van de Revue de la constitution de Grande-Bretagne, die verspreid werd via de boekhandel van de Cercle social. Oswald waarschuwde het Franse (en Engelse) volk ervoor het gezag van de koning niet klakke­loos te vervangen door het gezag van het parlement: "De parle­mentaire hervorming kan korte tijd soelaas brengen voor het volk, maar zij kan nooit de tekorten wegwerken of de ondeugden uitroeien die diep geworteld zitten in dit systeem". Daarom moest niet alleen de koning verjaagd worden, maar ook de afge­vaardigden. En in hun plaats moest een systeem komen, gebaseerd op directe democratie. Deze politieke revolutie moest doorge­voerd worden in combinatie met een sociale revolutie: "Onthou­den wij steeds dat geen enkele natie het verdient om vrij genoemd te worden als de omstandigheden van de mensen zeer ongelijk zijn".

Niet lang na de publicatie van de 'Revue' verscheen Varlets Projet d'un mandat spécial et impératif. Ook Varlet sprak zich uit voor de directe democratie en beroept zich daarbij eveneens op Rousseau. Maar dankzij Oswalds ervaringen met het Engelse parlementarisme waren zijn kritieken preciezer en wist hij ook een concreter alternatief te bieden (zie verderop).

Oswalds energieke activiteiten namen echter niet weg dat hij in het revolutionaire Parijs nauwelijks gekend was of gehoord werd. Zijn relatieve onbekendheid bleek uit het (voor Oswald) ontgoochelende feit, dat zijn naam niet voorkwam op de lijst van illustere buitenlanders aan wie tijdens een grootse cere­monie in augustus 1792 het Franse staatsburgerschap verleend werd. Het was voor hem een magere troost dat een maand later, in alle stilte, een complementaire lijst gepubliceerd werd met namen (waaronder de zijne) die men in de eerste ronde 'verge­ten' was.


Het democratische alternatief

In januari 1793 hielp Oswald de Britse Club oprichten in Parijs. De club bracht echter vooral gematigde republikeinen samen, mensen als Thomas Paine die als nationale afgevaardigde de fractie der Girondijnen vertegenwoordigde in de Nationale Conventie. Oswald kon niet op veel sympathie rekenen in deze kringen. Toen hij eens een pleidooi hield voor preventieve maatregelen tegen mogelij­ke contra-revolutionairen, antwoordde Paine hem (daarbij zinspelend op zijn vegetarische overtuiging): "Je hebt zo lang de smaak van bloed gemist, dat je nu dorst naar bloed!" Oswalds isolement was een weerspiegeling van de teruglopende revoluti­onaire stemming. In Engeland zou de burgerij, na aanvankelijk de Revolutie verwelkomd te hebben, verschrikt reageren op de executie van Lodewijk XVI en zich weer scharen rond 'king and country'. De overblijvende radicalen waren verdeeld: enerzijds gedroegen 'jacobijnen' als Horne-Tooke en John Thelwall zich opruiend en provocerend (zonder echter op cruciale momenten tot de actie over te gaan); anderzijds be­schikten libertaire radicalen als William Godwin en Thomas Holcroft niet over aanhang onder het volk en schrokken ze terug voor radicale acties. Het over en weer geruzie maakte het gemakkelijk voor de gevestigde regering om de restanten van radicaal verzet te criminaliseren en te marginaliseren.

Ondanks de oorlogsverklaring van 1 februari 1793 bleef Oswald vanuit Parijs oproepen lanceren voor revolutionaire solidari­teit. Hij bezwoer de Franse leiders niet te geloven, dat alle Engelsen verenigd achter hun koning stonden. Volgens hem moesten de republikeinse legers enkel ontschepen in Londen en de bevolking oproepen om in opstand te komen. In geen geval mochten ze zich gedragen als een bezettingsmacht. Het Engelse volk zou zelf wel afrekenen met haar heersende klasse. "Dan zullen Frankrijk en Engeland nog slechts één republiek vormen en het Anglo-Franse volk zal elke besloten groepsgeest en lokaal onderscheid achter zich laten door de verheven titel van vrij broeder-volk te dragen".

Sinds oktober 1792 was Oswald, omwille van zijn militaire ervaring, benoemd tot commandant van het eerste bataljon piekeniers. Terwijl hij zijn mannen trainde, schreef hij ook zijn laatste brochure Le gouvernement du peuple die in de lente van 1793 gelijktijdig in het Engels en het Frans ver­scheen. De ondertitel Plan de constitution pour la République universelle verwees naar zijn internationalistische droom van een Europa, en waarom niet, van een wereld bevrijd van tirannen. De ondertitel vertoonde enige gelijkenis met de titel van een boek dat de bekende Anacharsis Cloots (een Pruisisch aristocraat die de zijde van de Revolutie gekozen had) rond dezelfde periode uitgaf Bases constitutionelles de la République du genre humain. Anders dan Oswald ging Cloots niet concreet in op de politieke organisatie van die 'Mensenrepubliek' en bovendien sloot de rijke baron armen en ... zwarten uit van het burger­schap. Dat bewees nogmaals de originaliteit van John Oswald: zijn universalisme kreeg inhoud via een concreet politiek én sociaal-economisch alternatief.

In de zomer van 1793 werd de Franse Republiek van alle kanten belaagd. In het binnenland, in de Vendée, waren royalis­ten en katholieken erin geslaagd een sterk boerenleger op de been te brengen. Het Parijse bataljon van Oswald kreeg de order om zich aan te sluiten bij het krakkemikkige republikeinse leger en een tegenoffensief te ontketenen. De republikeinse rangen werden echter slecht geleid en de manschappen hadden een broertje de dood aan discipline. Oswald probeerde met een streng regime orde op zaken te stellen. Tevergeefs. Als een aanval van het bataljon onthaald werd op hevig geweervuur sloegen de eerste rijen in paniek op de vlucht. John Oswald en zijn jonge zoon (die als trommelaar meegegaan is) wilden een voorbeeld stellen en hielden stand. Beiden sneuvelden onder de kogelregen. Dat gebeurde op 14 september 1793 in het stadje Thouars (ergens tussen de steden Poitiers en Tours, in het huidige departement Deux Sèvres).

Oswalds naam geraakte onmiddellijk in de vergetelheid. De redenen laten zich niet moeilijk raden. Hij was niet geliefd in eigen land en een arme buitenlander in een toene­mend xenofoob Frank­rijk waar de contrarevolutie niet lang meer op zich zal laten wachten (Thermidor, juli 1794). Bovendien was hij een 'radicaal' die op verschillende vlakken zijn tijd verrassend ver vooruit was. En juist dat maakt hem waard tegenwoordig herontdekt te worden. De actualiteit van de zaken die hem meer dan twee eeuwen geleden ter harte gingen, is er ondertussen alleen maar groter op geworden: directe democratie (versus parlementaire democra­tie); een sociale revolutie (versus de toenemende kloof tussen arm en rijk); een wereldregering van onder op (versus de kapitalistische globa­lisering); dierenwelzijn (versus de algemene ecologisch ver­loedering)!

Noot


1 De Engelse historicus Keith Thomas schrijft dat "ongeveer vanaf 1790 zich een uiterst welsprekende vegetarische beweging ontwikkelde".   Hij noemt 5 mannen die de voortrekkers waren van de beweging: de oudheidkundige Joseph Ritson, de drukker George Nicholson, de arts   William Lambe en diens patiënt John Frank Newton. En tenslotte: "De radicale Schot John Oswald, schrijver van 'The Cry of nature' (1791),   die zijn vegetarisme van de Hindoes had geleerd toen hij dienst deed in een High­land-regiment in India". Zie: K. Thomas, Het verlangen   naar de natuur. De veranderende houding tegenover planten en dieren, 1500-1800, Agon, Amsterdam, 1990, p. 312.