ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > AGORA
  oktober 2002 [2]
 
 

DEMOCRATIE EN DE SOCIALE KWESTIE
 
door Ronald de Vries

 

Deze bijdrage is laatstelijk 07.02.2006 herzien. 


In zijn artikel 'Het probleem van de hedendaagse democratie' uit het vorige nummer van ATHENE schetst Castoriadis de dialectiek van het politieke en het economische: geen economische gelijkheid zonder politieke gelijkheid en geen politieke gelijkheid zonder economische gelijkheid. Hij legt daarbij het zwaartepunt op de economische gelijkheid: als we te grote verschillen in rijkdom kennen wordt de democratie ondermijnd. Eigenlijk toont Josiah Ober in Mass and Elite in Democratic Athens (1989) aan, dat de Atheners ervoor zorgden, dat grote verschillen in rijkdom er juist niet toe leidden dat hun democratie en het welzijn van de "gewone" burgers werden aangetast.

De mechanismen hiervan legt hij bloot in het artikel 'Openbare redevoeringen en de macht van het volk in democratiesch' Athene (ook uit het vorige nummer van ATHENE). Ook Ellen Meiksins Wood wijst er in dit verband in 'Democratie, een idee van dubbelzinnige herkomst' op dat met name kleine producenten door participatie aan de democratische organen hun economische uitbuiting beperkte.
 
Ober komt tot de conclusie dat het gewone volk in Athene door goed gebruik van isègoria te maken de politieke hegemonie bezat. Dat wil zeggen dat het Atheense volk werkelijk zijn wil kon opleggen aan de rijke elite. Athene was duidelijk een klassensamenleving met weinig sociale mobiliteit, waarin een kleine van werken vrijgestelde rijke elite (5-10% van de bevolking) bestond. Vrijwel alle sprekers in de Volksvergaderingen en de aanklagers in de Volksrechtbanken behoorden tot die elite. In de vijfde eeuw konden de Atheners dankzij hun handelskolonies en onderwerping van andere steden hun staatskas behoorlijk vullen. Dat maakte het onder meer mogelijk, dat er presentiegeld (ongeveer gelijk aan het dagloon) aan bezoekers van de Volksvergadering werd gegeven, wat de drempel voor de minder bedeelden verlaagde. Toen het Atheense volk op het einde van de Peloponnesische oorlog (403 v. Chr.) zijn imperium kwijtraakte, was het daarmee beroofd van een groot deel van haar staatsinkomsten en compenseerde dat door een deel van de welvaart van de rijken te belasten. Waren de burgers in Athene inderdaad in staat om hun politieke macht aan te wenden om een zekere mate van sociale en economische gelijkheid te bereiken?
 

De gewone Atheners slaagden er via hun stelsel van directe democratie goed in om een behoorlijk sociaal beleid te voeren, zoals we tegenwoordig zouden zeggen. Zowel door belastingwetgeving als door morele druk (voorbeelden daarvan vinden we in Openbare redevoeringen en de macht van het volk in democratisch Athene) slaagden de Atheners er namelijk in om de vermogende elite aanzienlijke financiële offers te laten brengen. Deze kwamen ten goede aan culturele activiteiten, onderhoud van de vloot en inkomens voor ambtenaren, juryleden en bezoekers van de volksvergadering. De licenties voor exploitatie van de zilvermijnen werden net als in Nederland de etherfrequenties door de "staat" geveild. Hiermee financierden zij als het ware de verzorgingsstaat en hun democratie.

Fiscale bijdragen van de rijken verkreeg men door:
1. wettelijke (en morele) verplichting voor een jaar een vloot (triarchie) uit te rusten en om culturele manifestaties (erediensten) te financieren
2. de antidosis, ruil-procedure, speelde rijken tegen elkaar uit, waarbij de jury van een volksrechtbank het laatste woord had. De procedure verhinderde klassensolidariteit tussen de rijken en gaf het volk greep op hun grote fortuinen.
3. eisphora; opleggen van een speciale en later reguliere oorlogsbelasting als percentage van het kapitaal.
4. het op leggen van boetes via de volksrechtbanken. Rijke Atheners klaagden er soms over dat zij werden veroordeeld de staatskas te vullen, zodat de armen betaald konden worden voor hun participatie aan het politieke leven. (juryleden, ambtenaren, bezoekers van de Volksvergadering en soldaten)
 
De herverdelende functie van de democratie verbeterde de noden van de burgers en deed nooit de behoefte aan drastische herverdeling (door bijvoorbeeld onteigening van bezittingen) ontstaan. De enige toespeling daarop vinden we slechts in de komedie Ekklesiasuzea van Aristophanes. Men was hierin dus zeer terughoudend, bang als men was de elites te veel van de polis te vervreemden (Ober). De twee oligarchische "coups" (411 en 404) hadden het volk kennelijk gewaarschuwd. Men opteerde, om het eigentijds uit te drukken, voor een "poldermodel" om al te grote polarisatie en instabiliteit binnen de samenleving te vermijden.
 
Aristoteles typeerde de democratie als een politiek stelsel waarin de armen regeren over de rijken. En omdat de armen in de meerderheid waren, was hij bang dat die het politieke toneel met hun "onbezonnen" besluiten zouden beheersen. Robespierrre vond dat de gewone man het te druk met werken had om zich met staatszaken in te laten en ook de meeste Founding Fathers (Madison) van de Verenigde Staten vonden dat de politiek het beste in handen gelaten kon worden van een "verlichte" elite. Politiek wordt in een parlementair stelsel overgelaten aan gekozen beroepspolitici die vooral afkomstig zijn uit de gegoede standen en als zogenaamde vertegenwoordigers van het volk in naam van het algemeen belang de tegenstrijdige belangen van groepen moeten verzoenen.
 
De politieke elites, ook zij die zeiden op te komen voor de welzijnsbelangen van brede lagen van het volk (arbeiderspartijen) waren en zijn nog steeds voornamelijk op de hand van de gegoede burgerij. In de arbeidersbeweging hoopte men, dat als hun partijen eenmaal de meerderheid in de parlementen hadden behaald, een sociaal programma kon worden uitgevoerd, dat hun lotsverbetering zou brengen. Marx geloofde zelfs dat via het parlement de productiemiddelen in handen van de staat gebracht konden worden, waardoor de balans eens en voor altijd ten gunste van de arbeiders zou doorslaan.
 
De geschiedenis laat echter zien, dat noch via de weg van de sociaal-democratie noch via de weg van het bolsjewisme, noch via het "reformisme" noch via de "dictatuur van het proletariaat" de sociale kwestie bevredigend is opgelost, terwijl de sociale rechtvaardigheid toch hun hoogste doel was. Beide systemen hebben het levenspeil van grote delen van de bevolking in niet onbelangrijke mate verbeterd; vooral in de kapitalistische landen is de welvaart flink toegenomen en redelijk verdeeld. Het is vooral door georganiseerde vakbondsstrijd, dat de moderne armen hun materiele positie hebben kunnen verbeteren en consolideren.
 
De kloof tussen rijk en arm is echter op wereldschaal nog altijd schrijnend groot. Ook in de rijke landen zijn de inkomstenverschillen onrechtvaardig groot en leven nog velen in bepaalde wijken van de grote steden in slechte omstandigheden. Denk aan de recnte opkomst van de voedselbanken in de Nederlandse steden. Zodra het economisch tij tegenzit (recessie), wordt er op welzijnsvoorzieningen van het "gewone" volk bezuinigd of worden die zelfs wegbezuinigd en dreigt er wat men noemt een nieuwe onderklasse te ontstaan.
 
Wij slagen er als samenleving gewoonweg niet in om het bedrijfsleven in voldoende mate tot sociaal ondernemerschap te bewegen. Onze wetgevers (regering en parlement) vertrouwen liever op gentelemens agreements dan op wetgeving. Daardoor verliezen burgers in het tijdperk van globalisering steeds meer greep op de maatschappelijke gevolgen van economische activiteiten. Wie het boek No Logo van Naomi Klein heeft gelezen, kan er niet meer omheen: dwingende wetten en controle-organen op wereldniveau zijn onontbeerlijk.
 
De kwestie van de verdeling van de welvaart is een publieke zaak en kan niet overgelaten worden aan marktmechanismen, marchanderende partijpolitieke kaders of vakbondsbonzen. De "zegetocht" van Berlusconi in Italië liet op pijnlijke zien hoe kwetsbaar het parlementaire stelsel nog steeds is tegenover de economische grootmachten. Wil dat zeggen dat een directe democratie ook onder de huidige maatschappelijke omstandigheden meer kans biedt om een rechtvaardig sociaal beleid "af te dwingen" dan een vertegenwoordigend stelsel?
 
Ik meen van wel. De beste garantie voor een rechtvaardig sociaal beleid is, zoals het Atheense polis lijkt te bevestigen, een directe democratie waarin iedere burger de kans krijgt om zich over alle publieke kwesties, dus ook over het sociaal en economisch beleid uit te spreken en erover te beslissen. Dat zal er niet automatisch toe leiden dat alle schadelijke vormen van marktwerking en kapitalisme worden vervangen door eerlijke ruilverhoudingen, coöperaties en productie naar behoefte. Maar het zal de bevolking in ieder geval de mogelijkheid bieden de uitwassen van het kapitalisme sterker te beteugelen dan nu via het parlementaire stelsel mogelijk is.