ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > BOEKBESPREKINGEN
  oktober 2002 [2]

 

 


H
OE SOEVEREIN IS DE CIVIELE RUIMTE?

Boekbespreking van Benjamin R. Barber: Jihad vs. McWorld Terrorisme en globalisering als bedreiging voor de democratie
(vert. d. Marjolein Stoltenkamp, oorspr.: 1995) Lemniscaat, Rotterdam, 2002 [427 p.€ 29,95]  


door Ronald de Vries


Dit jaar verscheen de Nederlandse vertaling van Barbers, door sommigen profetisch genoemde, boek uit 1995, waarin op de mogelijkheid van grote terrorrische aanslagen door militante fundamentalistische groepen gezinspeeld wordt. Benjamin Barber had ruim 10 jaar daarvoor al het belangrijke boek Strong Democracy: Participation Politics for a New Age (1984) geschreven, waarin hij een degelijke kritiek op de liberale (lees parlementaire) democratie levert en pleit voor “aanvullende” vormen van directe democratie, zoals volksvergaderingen en referenda. Barber is hoogleraar politicologie, was adviseur van Bill Clinton en werkt bij het Democracy Collaborative dat streeft naar een mondiale democratie en dat gefinancierd wordt door de speculant en miljonair George Soros
.

 

Samenvatting in citaten

 
“De botsing tussen de krachten van een veelvormige stammencultuur en een reactionair fundamentalisme, die ik Jihad heb genoemd, en de krachten van de uniforme modernisering en agressieve economische en culturele globalisering (waarvoor niet alleen Amerika verantwoordelijk is), die ik McWorld heb genoemd, wordt meedogenloos aangescherpt door de dialectische onderlinge afhankelijkheid van deze twee schijnbaar aan elkaar tegengestelde stromingen. Daarom waarschuw ik er in Jihad vs. McWorld voor dat de democratie, gevangen tussen een botsing van krachten die beide op grond van eigen motieven onverschillig lijken te staan tegenover het lot van de vrijheid, daardoor ernstig gevaar zou kunnen lopen. Nu we bezig zijn met een nieuw militair offensief tegen Jihad (niet opgevat als de islam, maar als militant fundamentalisme) blijkt dat de democratie, en niet het terrorisme, wel eens het grootste slachtoffer van de huidige strijd zou kunnen worden.” [p. 12]
 
“Alleen de globalisering van publieke en democratische instellingen kan waarschijnlijk een uitweg bieden uit de mondiale oorlog tussen de moderne beschaving en de gekrenkte opponenten ervan. Want democratie biedt een uitweg aan Jihad én aan McWorld. Democratie is een rechtstreeks antwoord op de wrok en de spirituele afkeer van de mensen voor wie de banalisering en de homogenisering van waarden een aanval betekent op culturele diversiteit en oprechte spirituele en morele overtuigingen. Maar ze biedt ook een antwoord op de klachten van de mensen die in armoede en wanhoop zijn gedompeld ten gevolge van ongereguleerde mondiale markten en een kapitalisme dat teugelloos is geworden, omdat het zich heeft ontworsteld aan de humaniserende beperkingen die de democratische nationale staten het hadden opgelegd. Door de reikwijdte van de democratische krachten zozeer uit te breiden dat ze ook de mondiale markt overkoepelen, worden wegen geopend voor degenen die zich bij de moderne wereld willen aansluiten en willen profiteren van haar economische zegeningen en mogelijkheden tot eigen inzet, participatie en bestuursverantwoordelijkheid. Door culturele diversiteit en de beoefening van religie te beschermen tegen de oppervlakkige orthodoxie van de culturele uniformiteit van McWorld, kan democratie de angst en ongerustheid helpen verminderen van de mensen die bang zijn voor wereldlijk materialisme en die zich met overtuiging inzetten voor hun eigen religie en cultuur. De uitkomst van de meedogenloze strijd tussen Jihad en McWorld hangt af van het vermogen van moderne mensen om van de wereld een plaats te maken die veilig is voor vrouwen en mannen die op zoek zijn naar zowel rechtvaardigheid als geloof; en die strijd kan alleen goed aflopen als de democratie de overhand krijgt.” [p. 12]
 
“De strijd van Jihad tegen McWorld is geen botsing tussen beschavingen, maar een dialectische expressie van de spanningen die gepaard gaan met het ontstaan van één mondiale beschaving die oprijst tegen de achtergrond van traditionele etnische en religieuze scheidslijnen; een groot deel van die spanningen is in feite opgeroepen door McWorld en zijn infotainment-industrieën en technologische vernieuwingen zelf. Stel je Bin Laden voor zonder de moderne media: dan zou hij niet meer zijn dan een onbekende woestijnrat. Stel je een terrorisme voor zonder creditkaarten, mondiale financiële systemen, moderne technologie en het internet: het zou niet meer voorstellen dan wat stenen gooien naar plaatselijke sjeiks. In dit boek poneren we dus de stelling dat we niet geconfronteerd worden met een oorlog tussen beschavingen, maar met een oorlog binnen de beschaving, een strijd die de ambivalentie tot uitdrukking brengt van elke cultuur die geconfronteerd wordt met een mondiale, uit netwerken bestaande, materialistische toekomst en die zich afvraagt of ze haar culturele en nationale autonomie wel kan handhaven; een ambivalentie die eveneens wordt gevoeld door elk individu dat de manifeste voordelen van de moderniteit probeert te verzoenen met haar even manifeste nadelen.” [p. 16]
 
“In Jihad vs. McWorld uit ik de vrees dat een allesdoordringende cultuur van hamburgers, snelle computers en snelle muziek, bevorderd door de infotainment-industrie en geworteld in de verspreiding van de grote merken, de mondiale markten zou kunnen homogeniseren en de smaak niet alleen oppervlakkig, maar ook uniform zou kunnen maken. De cultuur van McWorld vertegenwoordigt een soort 'soft' imperialisme waarin van de mensen die worden gekoloniseerd, wordt gezegd dat ze hun commerciële contracten kunnen 'kiezen'. Maar voor echte keuzevrijheid zijn echte diversiteit en echte burgerlijke vrijheden nodig (publieke keuzemogelijkheden - een punt dat verderop wordt behandeld). Bovendien moeten de Verenigde Staten dan bereid zijn om - naast McWorld - op multilaterale en internationale basis te werken aan de opbouw van mondiale democratische infrastructuren die tegenwicht bieden aan de triviale, maar allesdoordringende hegemonie ervan.” [p. 22]
 
“Tegenwoordig lijkt de mondiale sector te worden aangedreven door dezelfde anarchie waarin de ontluikende krachten van wat onze eigen bankiers 'wild kapitalisme' hebben genoemd niet alleen hun productiviteit vergroten, hetgeen ons welkom is, maar ook de onrechtvaardigheid doen toenemen, waarvoor we onze ogen proberen te sluiten. Wild kapitalisme staat niet alleen: aan de zijde ervan woeden de reactionaire krachten van het wilde terrorisme. Tegenover de moderne boodschap van het kapitalisme verspreidt het fundamentalisme van Jihad zijn boodschap van haat tegen het moderne leven, en zaait het vrees en kweekt chaos in de hoop niet alleen het kapitalisme, maar ook de democratie op de knieën te dwingen. In de oorlog tussen Jihad en McWorld worden geen krijgsgevangenen gemaakt. Hoe deze oorlog ook verloopt, de democratie zal er niet mee gediend zijn.” [p. 24]
 
“Wanneer Amerika zijn mythe van onafhankelijkheid eindelijk van zich afschudt en de werkelijk bestaande, mondiale wederzijdse afhankelijkheid erkent, zal het land worden geconfronteerd met een ironie die het zelf heeft helpen creëren: er zijn nauwelijks internationale instellingen waarover de mensen die wederzijdse afhankelijkheid willen maken tot een instrument voor democratie en wederzijds respect, zouden moeten beschikken. McWorld is overal, maar een internationaal publiek domein is nergens te bekennen. Nike, McDonald's, Coke en MTV kunnen geen enkele bijdrage leveren aan de zoektocht naar democratische alternatieven voor crimineel terrorisme. Ze dragen ongewild bij tot de oorzaken ervan: dat is de droevige dialectiek van Jihad vs. McWorld die de kern vormt van dit boek. [Nieuwe inleiding, p. 28]”
 
“McWorld gaat hand in hand met die ideologie van de privatisering - Europeanen spreken vaak van neoliberalisme en George Soros heeft haar 'het marktfundamentalisme' genoemd (een terechte, impliciete vergelijking met het fundamentalisme van Jihad) - en die ideologie put de democratie uit door een aanval op regeringen en hun cultuur van openbare macht. Op basis van het uitgangspunt dat markten alles kunnen doen wat regeringen vroeger deden, maar dan beter - en zo dat de burgers meer vrijheid genieten -, maakt de ideologie van de privatisering binnen nationale staten de weg vrij voor een deregulering van de markten, die op haar beurt de globalisering van de economie bevordert. Ze brengt mensen in de juiste stemming om de afbraak van politieke instellingen te aanvaarden en probeert hen ervan te overtuigen dat ze beter af - 'vrijer' - zullen zijn wanneer hun collectieve democratische stem het zwijgen wordt opgelegd en wanneer ze zichzelf niet langer beschouwen als publieke staatsburgers, maar als particuliere consumenten. Consumenten kunnen staatsburgers echter niet vervangen, evenmin als president-directeuren van bedrijven de plaats kunnen innemen van staatslieden.” [p. 31]
 
“Kapitalisme is een buitengewoon productief systeem. Er bestaat geen betere weg om de menselijke arbeidskracht voor productiviteit in te zetten dan het mobiliseren van het eigenbelang van miljarden mensen. Het kapitalisme faalt echter jammerlijk als het gaat om een rechtvaardige verdeling; die is noodzakelijkerwijs de doelstelling van onze publieke instellingen, die gemotiveerd zijn door de zoektocht naar het gemeenschappelijke en die een middel zijn om de particuliere conflicten en de particuliere ongelijkheid die uit particuliere productie voortkomen te overwinnen. In eigen land hebben de meeste nationale staten een evenwicht bereikt: dat is de betekenis van democratisch kapitalisme. Internationaal gezien woedt er slechts een enorme ongelijkheid die de alfa en de omega is van het anarchisme waarin terreur kan opbloeien en waarin terroristen jonge mannen en vrouwen die alle hoop hebben verloren, blootstellen aan perverse denkbeelden over de dood.” [p. 33]
 
“In dit boek wordt dus een oorlog tussen Jihad en McWorld beschreven die niet kan worden gewonnen. Alleen een strijd van de democratie, niet alleen tegen Jihad, maar ook tegen McWorld, kan leiden tot een rechtvaardige overwinning op de hele planeet. Een rechtvaardige en democratische wereld die recht doet aan diversiteit, zal handel en consumptie weer hun eigen plaats wijzen en ruimte maken voor religie; ze zal de terreur van Jihad bestrijden, niet door er oorlog tegen te voeren, maar door een wereld te creëren waarin het even veilig is een religie te beoefenen als te consumeren en waarin de verdediging van culturele waarden niet op gespannen voet staat met de vrijheid, maar deel uitmaakt van de wijze waarop vrijheid wordt gedefinieerd. Terreur voedt zich met de parasitaire dialectiek tussen Jihad en McWorld. In een democratische wereldorde zal geen behoefte bestaan aan een militante Jihad, omdat het geloof een plaats van betekenis zal innemen; en McWorld zal geen voorsprong meer hebben, omdat McWorld op elk televisiestation en in elk winkelcentrum overal ter wereld zal worden geconfronteerd met culturele diversiteit. Als Jihad en McWorld niet langer bestaan als primaire categorieën, dan verdwijnt terreur misschien niet volledig (die is gehuisvest in een kleine, maar onneembare grot in de duistere gebieden van de menselijke ziel), maar terreur zal irrelevant zijn vergeleken met de hoop en de aspiraties van vrouwen en mannen die hebben geleerd het leven te veel lief te hebben om religie nog te kunnen verwarren met hofmakerij aan de dood.” [p. 34]  
 
 
Civiele ruimte
 
Barber pleit voor een versterking van civiele ruimte, het gebied dat tussen de regering en particuliere sector ligt, waar we “bijvoorbeeld met onze buren hulp bij het oversteken voor onze kinderen regelen.” [p. 326] Maar deze publieke ruimte krijgt van Barber geen politieke status toegewezen. Het is een domein waar vrijwillig wordt samengewerkt en waar besloten wordt op basis van consensus en niet via wettelijke dwang. Het staat gelijk aan de maatschappelijke ruimte die door sociologen wel het maatschappelijk middenveld (waarop scholen en welzijnsinstellingen opereren) wordt genoemd. Het lijkt me nu juist van groot belang dat deze ruimte niet naast of in dienst van de staat blijft functioneren, maar van onderop gepolitiseerd wordt. Jos Verhulst merkt in zijn boekbespreking (van Jihad vs McWorld, 1996) dan ook terecht op: “De regering kan in een democratische samenleving geen autonome macht zijn tegenover de burgers: ze kan niet anders zijn dan de uitvoerder van de democratisch uitgesproken volkswil.” ['Het democratische middengebied' in: Klaas, het tijdschrift voor politieke en sociale kunst september 1997]
 
Deze tendens van Barber om de civiele samenleving versterken en tegelijkertijd de huidige staat te redden, vinden we al in zijn werken vanaf 1980. In zijn boek Strong Democratie en in een eerder artikel levert hij een zeer gedegen en felle kritiek op het parlementaire stelsel met zijn partijensysteem: “Representation is incompatible with freedom, because it delegates and thus alienates political will at the cost of genuine self-government and autonomy.” [Strong Democracy, 1991/oorspr. 1984, p. 145] Maar verderop in Strong Democracy vindt hij het opportuun om te denken dat de vertegenwoordigende democratie door instituties van directe democratie (die hij zo hartstochtelijk aanbeveelt) vervangen kan worden: “But the prudent democrat reforms by adding participatory ingredients to the constitutional formula, not by removing representative ingredients.” [Strong Democracy, 1991, p. 308] Het idee om partijen af te schaffen noemt hij al utopisch (in negatieve zin). Vanwaar toch dit krampachtig vasthouden aan de bestaande instituties?
 
In Jihad vs McWorld ziet hij een mondiale democratie als een vergelegen droombeeld. Om die utopie te realiseren moeten volkeren hun eigen verloren democratische tradities weer terug proberen te vinden. Zouden organisatievormen als de Correspondentie Comités uit de periode van de Amerikaanse Revolutie (1776) en de wijkvergaderingen van Thomas Jefferson (brief aan Thomas C. Cabell, 1816) niet als virtuele gemeenschappen op het internet een nieuw leven kunnen beginnen, zo vraagt hij zich af. Dat is een fantastische benadering en een zeer inspirerende gedachte. Maar als dergelijke experimenten inderdaad van de grond komen en aan kracht winnen, is het onvermijdelijk, zo leert de geschiedenis, dat ze de macht van bestaande instituties uitdagen en die overnemen of erdoor uitgeschakeld worden. Het is mijns inziens wel mogelijk, dat zij aangepast en ingepast worden aan en in de nieuwe orde. Zo kan ik me bijvoorbeeld voorstellen dat een parlement gaat functioneren als een beleidsvoorbereidend orgaan (zoals de Raad van 500 in de Atheense polis). Op internationaal niveau wil Barber bepaalde niet-gouvernementele organisaties beter laten samenwerken. Maar ook hier loopt hij om de hete brei van de politieke beleidsbepaling heen.
 
 
Confederalisme
 
Barber bepleit in de laatste paragraaf van het boek de vorming van confederaties, iets waar hij in Strong Democracy nauwelijks over spreekt. Confederalisme biedt een decentralistisch bestuursmodel waarin regio’s samenwerken tot op mondiaal niveau, zonder dat hun lokale autonomie wordt aangetast. Ook hier grijpt hij weer terug naar de schatten van (bijna) verloren tradities. Hij vindt in artikel III en IV van de Articles of Confederation grondslagen om provincies zo’n confederatie aan te laten gaan. Als vastgelegd wordt (zoals in artikel IV), dat vrij verkeer mogelijk is binnen de confederatie en burgers de volledige rechten van de gastprovincie genieten dan betekent dat, dat “etnische zuiveringen en gedwongen vluchtelingen zouden worden uitgebannen en gelijkwaardig burgerschap en een vrij verkeer zouden worden opgelegd.” [p. 335] Barber ziet hierin een parallel met het verbond dat de drie oorspronkelijke kantons van Zwitserland in 1291 sloten. Hij wijst er verder op hoe Duitse deelstaten en Spaanse provincies streefden naar toetreding tot een confederaal Europa.
 
(Con)federatie is ook altijd een van de hoekstenen geweest in de anarchistische traditie. Proudhon  heeft er een belangrijke plaats aan toegekend in zijn theorieën. Recent is het terug te vinden in het Libertair Municipalisme van Murray Bookchin (waarover elders in dit nummer meer). Maar het is altijd opgevat als de negatie van de gecentraliseerde natie-staat: “….. het federale systeem is totaal het tegenovergestelde van hiërarchie of centraal bestuur en regering.” [Proudhon, Du Principe fédératif, 1863] Al tijdens de Franse Revolutie streefden de Parijse Sansculotten (Jean Varlet) ernaar om vanuit hun wijkvergaderingen naar een federatief Frankrijk, een ‘Commune van communes’ tot stand te brengen. Ook hier werd een systeem van correspondentie tussen communes (gemeenteraden) in het gehele land opgezet. Maar na vijf roemruchte jaren legde dit communaal stelsel in wording het af tegen de Jacobijnse centralisten en hun natie-staat. Hier laat de geschiedenis dus inderdaad zien, dat er niet twee wetgevende machtscentra tegelijkertijd in een maatschappij kunnen functioneren en de ‘verdubbeling’ van de macht altijd een tijdelijk verschijnsel is.
 
Met de door Barber genoemde ontwikkelingen uit de Europese en Amerikaanse geschiedenis (en de door mij geschetste Franse) worden een aantal ‘verloren’ historische parels opgedoken die een belangrijke inspiratiebron voor de toekomst kunnen vormen. [zie ook: Hannah Arendt, On Revolution, hfdst. 6: The Revolutionary Tradition and Its Lost Treasure, par. 4, 1988/63 pp 255-281] Ze zullen op creatieve wijze in een nieuwe historische fase ontwikkeld moeten worden. De weg zal nog lang en moeizaam zijn, maar het loont de moeite om op pad te gaan, lijkt me.
 
 
‘Wild kapitalisme’
 
Het meest ambivalent vind ik Barbers houding ten aanzien van het kapitalisme. In zijn kritiek op McWorld valt hij niet het kapitalisme als zodanig aan, maar een onbeteugeld ‘wild kapitalisme’ (de term ontleent hij aan Solzjenitsyn). Het is met name de laisser faire variant van het kapitalisme waarop hij z’n giftige pijlen richt. Hij is net als Marx onder de indruk van het productiepotentieel van het kapitalistisch stelsel en de manier waarop dat gebeurt: “Kapitalisme is een buitengewoon productief systeem. Er bestaat geen betere weg om de menselijke arbeidskracht voor productiviteit in te zetten dan het mobiliseren van het eigenbelang van miljarden mensen.”[p. 33] Van het kapitalisme mag je geen ethiek of maatschappelijk verantwoord ondernemen verwachten: “We kunnen het de multinationals niet kwalijk nemen, dat ze hoge winsten willen maken ten koste van een hoge werkloosheid of de opoffering van het plaatselijke milieu aan de economische voordelen van de vrije handel.” [p. 286] Het is aan de democratie om dat kapitalisme in sociaal aanvaardbare banen te leiden. Hij maakt de relatie tussen economie en politiek aan de hand van een voorbeeld duidelijk: als consument mag iemand een auto kopen, dat is goed voor de koper en het kapitalisme, maar als staatsburger kan hij (met anderen) “de kwalijke effecten van mijn aankoop herstellen” en milieueisen aan de fabrikant stellen.
 
Als staatsburger is het Barbers goed recht om in deze kwestie een ’reformistisch’ standpunt in te nemen. Hiermee beperkt hij echter de zeggenschap van burgers op het economisch domein en lijkt te willen dicteren hoe we dat stelsel moeten inrichten. Dit is natuurlijk geheel in strijd met zijn bewering dat het politieke domein soeverein behoort te zijn. Hij lijkt het (‘gewone’) kapitalisme als onbespreekbaar politiek thema op te voeren, alsof de multinationals van het moderne kapitalisme zich in het privé-domein van de huiselijke sfeer bevinden. De democratie mag alles beslissen, maar het huidige economisch stelsel mag niet in de kern aangetast, alleen gereguleerd en aangevuld worden. Barber verklaart hiermee in feite een discussie over bijvoorbeeld coöperatieve productie en het onder lokaal beheer brengen van bedrijfstakken bij voorbaat taboe. Actieve burgers zouden in een sterke democratie toch juist een open debat moeten voeren en besluiten nemen over alle kwesties, dus ook over alle denkbare economische vraagstukken: wanneer marktwerking, hoeveel winstafdracht, wie beheert de onderneming, waarin te investeren? Enzovoort!
 
Mogelijk speelt angst voor herhaling van het mislukte Oost-Europese staatskapitalisme bij hem een rol. En ook ik hoop van harte, dat we lering uit deze ervaringen trekken, maar dat is aan de huidige en toekomstige generatie burgers.
 

Stof tot nadenken
 

Wie, zoals Eric van Duivenvoorden [Jihad in de polder in: Ravage, 20 sept. 2002, p. 26], beweert dat Barber “op geen enkele wijze aangeeft hoe er ook maar een begin gemaakt kan worden met de versterking van zo’n civiele samenleving”, doet hem onrecht aan. Ten eerste is het mede de verantwoordelijkheid van de lezer om de analyses van de schrijver te vertalen naar de praxis en ten tweede geeft Barber met het idee van het ‘confederalisme’ in dit boek en de 12 punten van “A Strong Democratic Program for the Revitalisation of Citizenship”, dat hij in Strong Democracy [1991, p. 307] presenteerde, aardig wat stof tot nadenken.