ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > Libertair Municipalisme
  oktober 2002 [2]

MUNICIPALE[1] DROMEN

door John Clark

John Clark is professor filosofie en medevoorzitter van de afdeling Milieustudies aan de Loyola Universiteit te New Orleans. Hij heeft talrijke boeken over sociale en milieufilosofie geschreven, waaronder: The Philosophical Anarchism of William Godwin (1977);The Anarchist Movement: Reflectionson Culture, Nature and Power (1984); Environmental Phylosophy: From Animal Rights to Radical Ecology en Liberty, Equality, Geography:The Social Thought of Elisée Reclus. Hij is vele jaren actief geweest in de Amerikaanse milieubeweging en werkt in de ecologische bosbouw.

Dit is een vertaling van een viertal paragrafen uit John Clarks Municipal Dreams: A social Ecological Critique of Bookchin’s Politics in: Andrew Light (red.), Social Ecology after Bookchin, The Guilford Press, New York/Londen, 1998 pp 137-191 door Ronald de Vries. De hierin verwoorde kritiek is volgens de auteur deels een antwoord op de kritiek die Bookchin eerder op Clarks ideeën heeft verwoord [zie: Murray Bookchin, Comments on the International Social Ecology Network Gathering and the “Deep Social Ecology" of John Clark in: Democracy and Nature, Vol. 3, nr. 3, 1997, pp 154-197.] John Clark, die jarenlang sterk onder de invloed van Bookchins denken stond, zoals hij zelf bekent, levert in dit gedeelte van zijn artikel met name kritiek op de praktische uitvoerbaarheid van Bookchins politieke programma, het libertair municipalisme.

 
Het municipalistisch programma

Libertair municipalisme is steeds meer als een beweging die verandering nastreeft en niet alleen als theoretische analyse van de aard van radicale democratie, gepresenteerd. Bookchin heeft dit programma inderdaad gepresenteerd als een basis voor de organisatie van een groene beweging in Noord-Amerika. Een serieus probleem bij Bookchins politieke analyse is echter dat hij afglijdt van de theorie naar te weinig doordachte praktische programma’s. Zijn ideeën over een anarchistische maatschappij voorbij de schaarste lijken te verwijzen naar een ultiem ideaal in een kwalitatief andere toekomst. Terwijl de geconfedereerde vrije gemeenten van het libertair municipalisme soms ook een utopisch ideaal lijken te zijn, heeft hij dit perspectief in toenemende mate gepresenteerd als een strategie die daadkrachtige bewegingen in steden en dorpen kan scheppen en mobiliseren. Toch moeten we ons afvragen welke mogelijkheden er zijn om groepen en bewegingen onder die vlag te organiseren, gegeven de huidige politieke cultuur, het publiek dat men aanspreekt en met name het communicatie- en informatie systeem dat men het hoofd moet bieden bij iedere poging om te overreden[2].

De relatie tussen korte termijn voorstellen en lange termijn doelen is bij het libertair municipalisme niet altijd duidelijk. Hoewel Bookchin veranderingen, zoals planningsvergaderingen voor de buurt in Burlington, als een belangrijke vooruitgang ziet Vermont - ook al bezitten deze vergaderingen geen wetgevende macht -, beschouwt hij bepaalde, nogal vergaande eisen van de groene beweging als niet legitiem. Hij erkent structurele veranderingen (planningsvergaderingen of gemeentelijke diensten) tot op zekere hoogte als belangrijke politieke vooruitgang in de richting van gemeentelijke democratie of economisch beheer. Ook verkiezingsstrategieën om invloed op de gemeentelijke politieke agenda uit te oefenen en staatsonafhankelijke projecten liggen in die lijn. Anderzijds schijnt hij ieder politiek voorstel tot hervorming van de natiestaat (of soms de staat) die verder gaat dan het lokale niveau als onbelangrijk te verwerpen.

Bookchin doet alle benaderingen die niet leiden tot gemeentelijke directe democratie en gemeentelijk zelfbeheer af als capitulatie voor het dominante systeem. Hij betwijfelt het nut van acties door municipalisten, sociale ecologisten, linkse groenen en andere progressieven, als de strijddoelen niet in het kader staan van een alomvattende (enig juiste) libertaire visie op sociale, economische en politieke verandering. Hij spoort hen aan om uitsluitend te werken vanuit het libertair municipalistisch programma.

Hij en Janet Biehl kritiseren bijvoorbeeld de eisen van de groen linksen om ondermeer het “Pentagonbudget met 95%” te verlagen en om een “minimumloon van $ 10,- per uur’ in te voeren.”[3]. Het ‘foute’ aan deze voorstellen is dat zij niet de laatste 5% van het budget voor de zogenoemde verdediging van de natiestaat elimineren en dat zij economische controle op nationaal niveau in stand houden. Bookchin doet de groen linkse voorstellen later af als banale economische eisen[4]. Bovendien maakt hij onderscheidt tussen zijn eigen pogingen om “de mogelijkheden voor directe democratie die binnen het republikeinse systeem bestaan” te vergroten én de “typische vakbonds- en sociaal-democratische eisen”[5] van links groen “die zijn bedoeld om het kapitalisme en de staat aanvaardbaar te maken”. Het blijkt echter onmogelijk, om a-priori te concluderen dat invoering van directe democratie altijd een historische vooruitgang is, terwijl alle pogingen om de nationale economische politiek te beïnvloeden en natiestaten te demilitariseren achteruitgang betekent. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat verbetering van de levensvoorwaarden van de minst bevoorrechten er toe kan leiden dat zij meer bij de politiek betrokken raken en hen misschien zelfs meer uitnodigt tot participatie in een basisdemocratie.

Er bestaat een inspirerende geschiedenis van gevechten voor beperkte doelen die sporen met de verder reikende visies en de revolutionaire aanzetten van de deelnemers. Er is geen reden waarom links groenen vandaag de dag niet zouden kunnen vechten voor een 30-urige werkweek zonder hun visie op de democratisering van de economie op te geven. Het schijnt inderdaad belangrijk dat utopisten ook zij aan zij strijden met het gewone volk voor rechtvaardigheid en democratie, zelfs wanneer vele van hen nog niet zulke ideeën ontwikkeld hebben en geleerd hebben hun hoop theoretisch te verwoorden. Als dit niet gebeurt, zal de heersende scheiding tussen reflectie en actie steeds weer herhaald worden en zal het soort “Volk” waar libertair municipalisme zich op richt, nooit ontstaan. Het bij voorbaat verwerpen van alle hervormingsvoorstellen op het niveau van de natiestaat weerspiegelt een gebrek aan gevoeligheid voor thema’s die op dit moment leven. Bookchin waarschuwt ons terecht voor een overgave louter aan een “politiek van het mogelijke”. Een politiek purisme, dat hervormingen leidend tot verbetering van levensvoorwaarden, echter dogmatisch afwijst, gaat boven de werkelijke mensen staan in naam van “het Volk”. (dat ondanks de hoofdletter V louter theoretisch blijft).[6]

Bookchin heeft er ongetwijfeld gelijk in, dat groeperingen, zoals de links groenen makkelijk de utopische en hervormende dimensie van hun visie verliezen als ze gericht blijven op de hervormingsvoorstellen die direct appèlleren aan een breed publiek. Het is waar dat een voorstel van de linkse groenen om de “Verenigde Naties te democratiseren” vanuit een dencentralistisch perspectief van de groene beweging (op z'n zachtst gezegd) als tamelijk bizar overkomt. Toch is het niet logisch als Bookchin alle voorstellen tot hervorming terzijde schuift, alleen omdat zij niet direct de onmiddellijke opheffing van de natie-staat “voorstellen”. Libertair municipalisme pleit voor het nu meteen, voor het werken aan verandering binnen sectoren van de natie-staat, zoals gemeenten (en staten inclusief kleine staten zoals Vermont). Bookchin heeft zelf municipalisten aangemoedigd om in een campagne actief te ijveren tegen de uitbreiding van de regeringstermijn in Vermont van twee tot vier jaar. Hoewel dit een belangrijk thema is op het gebied van democratische controle, zijn de gevolgen ervan voor de macht van de natiestaat zeker niet te vergelijken met een reductie van de nationale militaire uitgaven met 95%.

Sociaal-ecologische politiek vereist een zorgvuldige analyse van de politieke cultuur (m.b.t. tot haar natuurlijke en sociale context) en onderzoek naar de daarin gewortelde mogelijkheden. Het gevaar van programmatische tendensen, die eigen zijn aan traditioneel links en aan alle door haar voortgebrachte ketterse sekteleden, is verstarring van onze visie op de samenleving; zij beperken onze maatschappelijke verbeeldingskracht en zij ontmoedigen de open, experimentele geest die nodig is voor creatieve maatschappelijke verandering.

Hoewel libertaire municipalisme soms sektarisch wordt geïnterpreteerd, kan het ook worden opgevat als een algemenere oriëntatie op een radicale basisdemocratie. In deze ruimere zin opgevat, kan Bookchins libertair een belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van ons beeld van een vrije coöperatieve gemeenschap. Bookchin heeft soms een verreikende lijst van voorstellen tot ontwikkeling van ecologisch verantwoorde en democratische gemeenschappen gepresenteerd, zoals het invoeren van een lokaal ruilwaardesysteem, door de gemeenschap ondersteunde zelfvoorzienende landbouw-associaties en volkstuinen.[7] Elders noemt hij het kiezen van raadsleden die volksvergaderingen een andere volksinstellingen steunen als “minimale stappen” voor het creëren van “Links Groene gemeentelijke bewegingen”. Hij voegt daar aan toe: het instellen van “volksbanken die gemeentelijke ondernemingen financieren en land aankopen”, het creëren van ondernemingen in eigendom van de gemeenschap en het vormen van “basisdemocratische netwerken” voor verschillende doelen.[8] Voor de staat Vermont, benadrukt hij het belang van coöperatieven en zelfs kleine eenmanszaken.[9] Hij suggereert dat het proces zou kunnen beginnen met het publiek aankopen van niet winstgevende ondernemingen (die dan geleid worden door de arbeiders), het instellen van landbeheer en steun voor kleinschalige productieve ondernemingen. Dit zou tot stand kunnen komen zonder inbreuk te maken “op de eigendomsrechten van kleine ondernemers, dienstverleners, ambachtelijke winkels, kleine boerderijen, plaatselijke ambachtelijke ondernemingen en dergelijke”.[10] Hij komt tot de slotsom, dat in zo'n systeem “coöperatieven, boerderijen en kleine winkels zouden kunnen worden gesteund met gemeentelijke gelden en geplaatst onder toenemende openbare controle”.[11] Hij voegt eraan toe dat een “Volksbank” om de economische projecten te financieren kan worden opgericht evenals inkoopcollectieven om plaatselijke boerderijen te ondersteunen en dat openbaar land kan worden gebruikt voor “kleinschalige veeteelt”.[12]

Deze voorstellen tonen de contouren van een bewonderenswaardig programma ter bevordering van een krachtige lokale economie, gebaseerd op coöperatieven en kleine ondernemingen. Toch is het precies het “municipalistisch” element van dit programma dat het voorlopig onpraktisch maakt. Het lijkt aannemelijk dat de leden van coöperatieven en de eigenaren van kleine ondernemingen er vooralsnog weinig voor voelen om onder toenemende openbare controle te komen, als dat betekent dat de gemeente (of via een volksvergadering of plaatselijke ambtenaren) in toenemende mate het beheer en de beslissingen overnemen. Wat uiteindelijk ook uit zo'n coöperatieve economie voort mag komen, een programma dat de werkelijke wereld kan veranderen, moet of een beroep doen op een bestaand publiek of moet een werkzame strategie hebben om zo'n publiek te creëren. Er is zeker een behoorlijk draagvlak voor “publieke controle” op terreinen als milieubescherming, gezondheids- en veiligheidsbeleid en meer economische rechtvaardigheid voor arbeiders. Het idee van “openbare controle” van economische ondernemingen via wijk- of gemeentelijke volksvergaderingen is echter, om Bookchins terminologie te gebruiken, een “onzinnige eis”, omdat de voorwaarden om dat zinvol te maken ontbreken en zelfs niet aan de orde komen in Bookchins politiek.[13]


Het fetisjisme van de Volksvergaderingen

Terwijl Bookchin de gemeente als het belangrijkste politieke domein ziet, beschouwt hij de gemeentelijke volksvergadering als hèt orgaan van de democratische politiek en benadrukt zijn centrale plaats, zowel voor de vorming als voor het functioneren van vrije gemeenten. “Volksvergaderingen”, zegt hij, “zijn de zielen van een vrije samenleving; de uitvoerders van haar politiek zijn haar handen”.[14] Maar als dit geen poging tot poëzie is, is het een bepaald naïef en ondialectisch gezichtspunt. De geest van de samenleving - haar rede, gevoel en verbeeldingskracht - is altijd wijd verspreid tot in alle sociale domeinen. En des te meer dat dit het geval is, des te beter is het voor de gemeenschap. Behalve dat het niet noodzakelijk is dat de meeste creatieve denkprocessen in volksvergaderingen plaats vinden, is het onbegrijpelijk dat de meeste daar zouden moeten plaatsvinden. In een gemeenschap die het creatieve denken en de verbeeldingskracht aanmoedigt, zou de “geest” van de samenleving moeten werken via het intelligente, geëngageerde nadenken van individuen via een veelzijdig, bloeiend netwerk van kleine groepen en lokale instellingen waarin deze individuen al hun verwachtingen en idealen voor de gemeenschap kunnen uitdrukken en belichamen. Via levendige democratische communicatie-media zouden burgers dan ideeën kunnen uitwisselen en de waarden van hun gemeenschap vorm kunnen geven. En hoewel de anarchistische kritiek van de bestaande bureaucratie ambtenaren op retorische wijze als dom zou afschilderen, lijkt het niet wenselijk dat zij daarom in een vrije samenleving zouden worden uitgerangeerd. Alle ingewikkelde sociale systemen zullen enige vorm van bestuur vereisen en niet alleen aangewezen zijn op de goede wil, maar ook van de intelligentie van de uitvoerders. Men kan zich bijna geen volksvergadering voor stellen, die complexe zaken zo verfijnd kan regelen dat ambtenaren er nauwelijks meer aan te pas komen. 

De feitelijke beleidsvormende macht van ambtenaren is wellicht zelfs groter in Bookchins systeem, gezien het feit dat hij geen belangrijk domein inruimt voor juridische instellingen die de ambtelijke macht controleren. Aangezien de maatschappij niet eenvoudiger wordt - een aanname die logisch volgt uit Bookchins opvattingen over de technologische ontwikkeling, bijvoorbeeld - zou het onrealistisch zijn om aan te nemen dat alle belangrijke politieke beslissingen genomen of zelfs direct gecontroleerd kunnen worden door een volksvergadering. Een volksrechtbank zou een mogelijk alternatief kunnen zijn; het juridische domein blijft echter bijna volledig afwezig in Bookchins politieke theorie, ondanks verwijzingen naar volksrechtbanken in klassiek Athene en andere historische situaties. Volksjury's zouden ambtelijke besluitvorming kunnen controleren, (zoals twee eeuwen geleden voorgesteld werd door Godwin) of burgercommissies (zoals recentelijk gesuggereerd door Burnheim)[15]. Bookchins bijna exclusieve nadruk op de volksvergadering (zijn ekklesia-centrisme) sluit zulke mogelijkheden echter uit.

Bookchin geeft een “vernietigend” antwoord op deze suggesties betreffende volksjury's en burgercommissies, ik zou het  hier “in feite over de rechtbanken en raden of grofweg systemen van vertegenwoordiging[16] hebben. Terwijl het allerminst duidelijk is, dat een “raad” op zichzelf onder alle historische omstandigheden onwenselijk is, heb ik het in de passage die hij aanvalt over burgercommissies en niet over raden.[17] Wat ik “eis” is geen specifieke politieke vorm, maar eerder een afweging van verschillende hoopvolle politieke vormen waarvan de kracht slechts kan worden bepaald door praktische experimenten. Een van de aantrekkelijke aspecten van de jury- of commissievoorstellen is, dat alle burgers een gelijke kans hebben om besluitvormende macht uit te oefenen, omdat lidmaatschap van de jury's of commissies (niet van “vertegenwoordigers”) via loting bepaald wordt. Corrumperende invloeden van grote volksvergaderingen (aanmoediging van egoïstische competitie, buitensporige invloed van op macht beluste persoonlijkheden, enz.) ontstaan minder snel in deze context. Bovendien kan men via zulke commissies en jury's de behoefte aan vertegenwoordiging vermijden, omdat zij een democratisch middel vormen tot het vervullen van noodzakelijke functies die niet kunnen worden vervuld op het niveau van de volksvergadering.

Bookchin vindt de wortels van het begrip “deelnemende democratie” in de politiek van Nieuw Links en de tegencultuur van de jaren 60 in de 20e eeuw. Een van de gevolgen van democratie in deze context was dat mem van “mensen verwachtte dat ze transparant zijn in al hun relaties en ideeën”.[18] Hij betreurt het, dat deze democratische aanzetten werden verraden door een beweging die tendeerde naar dogmatisme, centralisatie en institutionalisering. Toch vraagt het begrip transparantie evenals “het directe” om een kritische analyse. De naïeve hoop dat mensen “simpelweg” transparant zijn, kan helaas een surrogaat worden voor het moeilijker en tijdrovender, maar uiteindelijk lonende proces van zelfreflectie en zelfbegrip op persoonlijk en groepsniveau. Waarden als “transparantie”  en “directheid” verhinderen vaak inzicht in groepsprocessen en functioneren als een ideologie die heimelijke machtsrelaties en subtiele, vaak zeer duistere en indirecte vormen van manipulatie, die bij oppervlakkige analyse niet aan het licht komen, verhult.

Zulke verhulde machtsrelaties mogen niet door de ideologie van een egalitaire democratische volksvergadering waarin “het Volk” vanuit een “transparante” wil “direct” handelt, gerechtvaardigd worden. Het is een feit dat in volksvergaderingen van  honderden, duizenden of zelfs mogelijk tienduizenden leden (als we de Atheense polis als een model nemen)[19] zeer makkelijk leidt tot manipulatie en machtsstreven. Als het waar is dat macht corrumpeert, zoals vooral anarchisten hebben benadrukt dan zouden die zich ongerust moeten maken over de demagogie die zo’n volksvergadering beheerst. Om deze gevaren te verminderen moeten we volksvergaderingen niet idealiseren, zorgvuldig hun kracht en zwakte analyseren en experimenten opzetten om het ideaal te benaderen. Bovendien kunnen we Bookchins voorstel om alle politieke macht te concentreren in de volksvergadering, verwerpen en de macht verdelen over meerdere instituties van directe deelname.

En wat de kracht en zwakte van volksvergaderingen als organisatievorm ook moge zijn, we moeten ons ook afvragen of soevereine gemeentelijke vergaderingen wel geschikt zijn als basis voor politieke besluitvorming. Bookchin geeft toe dat plaatselijke volksvergaderingen minder draagwijdte kunnen hebben dan het gemeentelijk niveau. Hij erkent, dat er een behoefte zal bestaan aan meer gedecentraliseerde besluitvormingsorganen, afhankelijk van de omvang van bestaande gemeenten. “Of een gemeenschap bestuurd kan worden door al zijn burgers in één volksvergadering of opgedeeld moet worden in verschillende confederaal verbonden volksvergaderingen, hangt in belangrijke mate van haar grootte af”, oppert hij. En hij stelt voor dat de volksvergadering wordt ingesteld per buurt, wijk of op stadsniveau.[20] Aangezien gemeenten tegenwoordig veelal tientallen miljoenen inwoners tellen en wijken wel honderdduizenden, moet de bruikbaarheid van de term “communalisme” als een vorm van directe democratie kritisch bezien worden.[21] Het lijkt handiger om in sterk verstedelijkte conglomeraties democratische volksvergaderingen op wijk- of buurtniveau in te stellen, zoals Bookchin zelf toegeeft.

Het definiëren van buurtgemeenschappen levert vaak problemen op. Bookchin stelt bijvoorbeeld dat de stad New York bestaat uit buurten die “organische gemeenschappen” vormen.[22] Het is waar dat er een sterke identificatie is met wijken wat tot vorming van wijkdemocratie kan bijdragen. Toch is het zeer overdreven om wijken in New York of andere hedendaagse steden als “organische gemeenschappen” te beschouwen. Hedendaagse steden (inclusief New York) zijn grondig veranderd, passend bij de noden van de moderne bureaucratische, consumptie-maatschappij met z’n atomisering en privatisering. Inwoners van wereldsteden zoals Parijs klagen erover dat traditionele buurten door commercialisering, landspeculatie en migratie van de minderbedeelden naar de voorsteden volledig vernietigd zijn. In de Verenigde Staten is veel van het traditionele stedelijke buurtleven ondermijnd door de sociale atomisering, geïnstitutionaliseerd racisme en het wegtrekken van financiële en economische steunpunten uit het centrum. Bookchin noemt de wijk van New Orleans waar ik woon terecht als een voorbeeld van een stad met een lange culturele wijktraditie tot op de dag van vandaag.[23] Het is echter ook een goed voorbeeld van de cultuur-ondermijnende effecten van de hedendaagse samenleving die de vitale plaatselijke cultuur steeds meer verandert in handelswaar, grondspeculatie en toerisme. Dus de buurt als “organische gemeenschap” lijkt meer een gedachteconstructie dan een realiteit te zijn (vaak verbonden met nostalgische gevoelens en uitdrukking van klasse- en etnische tegenstellingen). Het is belangrijk om deze beperkingen van het concept onder ogen te zien en vervolgens de utopische mogelijkheden tot sociaal herstel te ontwikkelen.

De grote omvang van volksvergaderingen (zelfs op wijkniveau), die genoemd worden voor stedelijke gebieden, roept vragen op over het democratisch gehalte van deze lichamen. Barber gaat ervan uit dat zulke volksvergaderingen 5.000-25.000 leden tellen.[24] Bookchin beaamt dat en zegt dat zij één tot enkele tientallen woonblokken in een stedelijk gebied kunnen omvatten. Het is moeilijk je een hedendaagse wijk voor te stellen als een politieke basiseenheid (hoewel visionaire voorstellen de wijk radicaal willen herscheppen tot een kleine eco-gemeenschap). Libertair municipalisme werd in feite bijna altijd geformuleerd in termen van gemeentelijke en wijkvergaderingen. Daarom is deze stroming, voor de nabije toekomst, voorstander van tamelijk grote volksvergaderingen in dichtbevolkte verstedelijkte samenlevingen.

Bookchin gelooft dat alle belangrijke politieke besluiten kunnen en moeten worden genomen in de volksvergadering, zelfs noodmaatregelen. Hij verzekert ons, dat “gegeven de moderne logistieke voorwaarden volksvergaderingen en betreffende commissies – ongeacht de grootte van een gemeenschap en de complexiteit van de problemen - altijd tijdig bijeengeroepen kunnen worden om urgente politieke besluiten bij meerderheid te nemen en uit te voeren. Er zullen altijd deskundigen zijn die alternatieve oplossingen voor ingewikkelde problemen, in discussie brengen.[25] Maar deze pure geloofsverklaring is nauwelijks overtuigend. In een dichtbevolkte, communicatief complexe wereld zal elke gemeenschap problemen tegenkomen die nauwelijks zijn op te lossen via ad hoc besluiten in grote volksvergaderingen.

Het is vreemd dat Bookchin nooit aandacht heeft voor het fundamentele theoretische probleem van een formeel juridisch systeem, alsmede de interpretatie en uitvoering van besluiten van een volksvergadering in concrete situaties. Als algemene regels en politieke besluiten (wetten) worden genomen door een volksvergadering dan moeten zij worden toegepast in concrete gevallen en consequent uitgevoerd worden door juridische en administratieve organen. Het is dan onvermijdelijk dat deze organen onderdeel zijn van de politieke macht. Dit feit staat op gespannen voet met Bookchins voortdurende nadruk op de suprematie van de volksvergadering. Als er echter geen algemene wetten worden aangenomen dan zal de volksvergadering de onmogelijk ingewikkelde taak hebben om regels voor alle individuele gevallen tot in details te formuleren. We zitten opgescheept met een abstracte visie die ongelukkige burgers veroordeelt om eindeloos te luisteren naar deskundigen die op “veelbelovende wijze twisten” over alle mogelijke beheerszaken.

Bovendien kleven er zeker algemeen erkende gevaren aan grote volksvergaderingen die waarschijnlijk ook de wijk- of gemeentevergaderingen kunnen bedreigen, zoals: competitie, egoïsme, theatraal optreden, demagogie, charismatisch leiderschap, fractiestrijd, agressiviteit, procedurele muggenzifterij, manipulatie van de discussie door minderheden en passiviteit van de meerderheid. Hoewel enkele ervan zouden kunnen worden verminderd door toename van de democratische gezindheid, kunnen zij ook vergroot worden door de omvang van de volksvergadering die vele malen groter zou kunnen uitvallen dan de meeste wetgevende lichamen. Bovendien zal het verschil in politieke wijsheid tussen personen in plaatselijke volksvergaderingen zonder twijfel veel groter zijn dan in de lichamen bevolkt door traditionele politieke elites. Tenslotte zou de volksvergadering één belangrijk voordeel van het representatieve stelsel verliezen: gekozen vertegenwoordigers of gedelegeerden kunnen worden gestraft voor volksverraad als zij in strijd met de wil van het volk of het belang van de gemeenschap handelen. Aan de andere kant zijn zij die optreden als leiders in een democratische volksvergadering en zij die de macht grijpen als er weinig actief wordt deelgenomen, niet aan te pakken, omdat zij als gelijke leden van een democratisch orgaan van het volk handelen.[26]

Het vraagt op z'n minst een vergaand proces van zelfopvoeding in democratisch groepsprocessen, voordat grote aantallen mensen in staat zouden zijn om met elkaar samen te werken in grote bijeenkomsten. En zelfs als een aantal van de hierboven genoemde serieuze problemen deels wordt opgelost, kun je je moeilijk voorstellen hoe zij in volksvergaderingen met duizenden deelnemers, waarover men soms spreekt, zouden kunnen worden vermeden; tenminste, totdat andere instellingen dan volksvergaderingen de persoonlijkheidsstructuren radicaal hebben veranderd. De term “face-to-face democratie” die Bookchin vaak gebruikt met betrekking tot deze volksvergaderingen lijkt inderdaad nogal bizar in relatie tot deze duizenden gezichten (aangenomen dat de meeste van hen hun burgerlijke verantwoordelijkheden nemen en aanwezig zijn).

Een waarlijk democratische beweging zal de sterke neiging tot elitevorming en machtshonger in volksvergaderingen onder ogen zien. Zij zal deze dreiging niet alleen via procedures binnen de volksvergaderingen het hoofd bieden, maar bovenal door het vormen van een communistische [communitarian], democratische cultuur die zich zal manifesteren in besluitvormende lichamen en alle andere instellingen. Als de volksvergadering en andere organen van directe democratie effectief willen bijdragen aan een ecologische gemeenschap dan moeten ze gevrijwaard worden van de concurrerende, competitieve en manlijke aspecten die haar vaak gecorrumpeerd hebben. Zij kunnen alleen hun democratische beloften waarmaken als zij een integrale uitdrukking van een samenwerkende gemeenschap zijn die in zijn instellingen de liefde voor mens en natuur belichaamt. Hier doelt Barber op als hij stelt, dat een sterke democratie “probeert strijdende politieke opvattingen in evenwicht te brengen door de kunst van het naar elkaar luisteren te koesteren.” Zij zoekt de “gemeenschappelijke retorische levensechtheid van een gemeenschappelijk democratisch debat” dat verder dan louter tolerantie gaat en zowel “het gevoel als het verstand omvat.”[27] Hierin is de echo te horen van de recente feministische ethiek die wijst op de eenzijdige nadruk die het overheersende morele en politieke vertoog heeft gelegd op ideeën en principes en die de sfeer van gevoel en gevoeligheid heeft verwaarloosd. In deze geest moeten we de overgangsfasen van formele naar inhoudelijke democratie onderzoeken. Deze hangen niet alleen af van de vestiging van meer radicale democratische vormen, maar ook van de vestiging van culturele praktijken die een democratische gevoeligheid in stand houden.


Municipale economie

Een van de meest boeiende aspecten van Bookchins politieke denken is zijn roep om een “morele economie” te scheppen als voorwaarde voor een rechtvaardige samenleving in harmonie met het milieu. Zo’n “morele economie” vraagt om de vorming van “een productieve gemeenschap”, die de amorele “pure marktplaats” die tegenwoordig de overhand heeft, moet vervangen. Verder betekent het dat producenten er “uitdrukkelijk mee instemmen hun producten en diensten niet alleen te ruilen op basis ‘gelijkheid’ en ‘eerlijkheid’, maar ook op basis van wederzijdse ondersteuning.”[28] Hij gelooft dat als het heersende economische systeem van uitbuiting en de daarop geënte dominante economische cultuur wordt opgeheven, een groeisector moet worden gecreëerd waarin nieuwe vormen van ruil ontstaan die de kapitalistische markt moeten vervangen. Bookchin ziet dit als het domein van een door de gemeenschap beheerde economie. Hij zegt dat eigendom “onder libertair municipalisme deel van een groter geheel wordt, gecontroleerd door het burgerlichaam in vergadering bijeen als burgers”.[29] Elders legt hij uit dat “land, fabrieken en werkwinkels zouden moeten worden gecontroleerd door volksvergaderingen van vrije gemeenschappen, niet door de natie-staat of producerende arbeiders die er makkelijk een eigendomsbelang in zouden kunnen zien”.[30]

Voor nu is het echter niet duidelijk waarom de onder gemeentelijk beheer gebrachte economische sector, beschouwd zou moeten worden als het primaire domein in plaats van een der domeinen waarin belangrijke economische veranderingen zouden kunnen beginnen. Het is mogelijk je een breed spectrum van ondernemingen in zelfbeheer, individuele producenten en kleine maatschappen voor te stellen die een groeiende economische sector betreden die van sociale ecologische waarden uitgaat. De mate waarin het principe van verdeling naar behoefte kan worden gerealiseerd, zal evenredig zijn met de mate waarin coöperatieve en gemeenschapswaarden zich ontwikkeld hebben. Dit hangt af van onvoorspelbare, complexe, historische factoren. Bookchin stelt terecht dat participatie in een morele economie “een voortdurend educatie in vormen van associatie, deugd en fatsoen”[31], waardoor het zichzelf ontwikkelt, vraagt. En het is idealiter mogelijk dat “prijs, hulpbronnen, persoonlijke belangen en kosten geen rol zouden spelen in een morele economie” en dat er “geen ‘verrekening’ komt van transacties”.[32] We beginnen echter altijd met een historisch bepaalde persoonlijkheid in een historisch bepaalde culturele context. Het is zeer waarschijnlijk dat gemeenschappen (en ondernemingen in zelfbeheer) zullen vinden dat bij het creëren van bevrijdende instituties binnen de grenzen van de reële geschiedenis en cultuur het algemeen belang het best gediend wordt door een of andere vorm van “verrekening” van de bijdragen van burgers en de verdeling van de goederen. In welke mate Bookchins anarcho-communistisch systeem van verdeling ook wenselijk is als een doel op de lange termijn, de poging om het op de korte termijn te realiseren, zonder daarvoor de psychologische en institutionele voorwaarden te scheppen, leidt zeker tot teleurstelling en is gedoemd tot economische mislukking.

Bookchin schrijft aan munipalisering de bijna wonderbaarlijke kracht toe om egoïstische en privé-belangen op te heffen. Hij en Biehl kritiseren voorstellen van de links groenen voor arbeiderszelfbestuur op grond van het feit dat zo’n stelsel, in tegenstelling tot munipalisering, “de mogelijkheid niet uitsluit dat privé-belangen van welke aard ook zich in het economische leven zullen ontwikkelen”.[33] Hoewel de cursieve woorden een bewonderenswaardige hoop uitstralen, is het niet duidelijk hoe municipalisme of welk politiek programma dan ook, hoe prijzenswaardig het ook mag zijn, kan verzekeren dat zulke belangen volledig worden uitgeschakeld. Bookchin en Biehl beweren dat in “een gedemocratiseerde politiek” arbeiders eerder “belangstelling voor de publieke zaak” [34] zullen ontwikkelen. Maar het heel goed mogelijk voor een gemeente om z’n eigen belangen boven die van andere gemeenten of een grotere regionale eenheid te stellen. Het begrip “burger van een gemeente” betekent op zichzelf nog geen identificatie met “een algemeen publiek belang”. In de mate waarin begrippen zo’n functie kunnen vervullen, zou “burger van de menselijke gemeenschap” dat veel meer expliciet doen en “burger van deze aarde” zou dat in milieuopzicht beter doen.

In Bookchins libertair municipalisme is er een mogelijk (en wellicht onvermijdelijk) conflict tussen het particularistische perspectief van de arbeider in een productieve onderneming en het particularistische perspectief van de burger in de gemeente. Bookchin en Biehl stellen voor dat “arbeiders in hun productiesector” worden geplaatst in adviesraden die “slechts instrumenten zijn zonder macht om politieke besluiten te nemen”,[35] Dit lost het belangenconflict geenszins op. Bookchin noemt de “door de gemeenschap bestuurde onderneming” ergens “een door de arbeider-burger gecontroleerde onderneming”,[36] Gezamenlijk politiek maken lijkt in het licht hiervan meer op een reële mogelijkheid, hoe complex dat ook kan blijken te zijn. In beide gevallen (zuivere gemeenschapsdemocratie of een mengvorm van gemeenschaps- en werkplaatsdemocratie) schijnt het duidelijk dat er een potentiële bron van conflict is tussen werkers die gericht zijn op hun behoeften en verantwoordelijkheden als producenten enerzijds en volksvergaderingen die in theorie gericht zijn op de behoeften en verantwoordelijkheden van de plaatselijke gemeenschap anderzijds. Dan hebben we het nog niet over de gehele wereldgemeenschap, waarvan hun eigen gemeenschap slechts een onderdeel uitmaakt.

Als we de lange termijn doelen van het libertair municipalisme buiten beschouwing laten, suggereert Bookchin, dat haar politiek in een overgangsfase “geen inbreuk zal maken op de eigendomsrechten van kleine ondernemingen, zoals winkels, kleine boerderijen, lokale werkplaatsen.”[37] De vraag rijst niettemin waarom deze sector niet op de lange duur kan blijven voortbestaan, naast meer coöperatieve vormen van productie. Het is niet aannemelijk te maken dat in zulke kleine ondernemingen per se uitbuiting plaats vindt of dat ze niet op een ecologisch verantwoorde manier kunnen werken. Als met name grotere ondernemingen in een regionale economie democratisch te werk gaan, lijkt mij het voortbestaan van zulke kleine ondernemingen goed samen te gaan met sociaal ecologische waarden. Dit is zelfs des te meer het geval naarmate de gemeenschap op democratische wijze effectieve, sociaal en ecologisch verantwoorde randvoorwaarden stelt.

Bookchin verwerpt deze optie echter dogmatisch. Hij beweert dat als er een of andere markt blijft bestaan “competitie zelfs de kleinste onderneming zal dwingen of te groeien of te sterven, kapitaal te accumuleren of te verdwijnen, concurrerende ondernemingen te verslinden of verslonden te worden.”[38] Toch heeft Bookchin ontdekt, dat het bestaan van een markt in het verleden niet altijd een door de markt gedomineerde samenleving betekende. Hij heeft nooit uitgelegd waarom een dergelijk onderscheid in de toekomst niet op zou gaan. Hij werd zelf bekritiseerd door “zuivere” anarchisten die zijn acceptatie van een regering aanvallen en als een capitulatie voor “archisme” beschouwen. Toch maakt hij terecht onderscheid tussen het louter bestaan van regeringsinstellingen en statisme, het systeem van politieke overheersing dat het gevolg is van de centralisatie van politieke macht in de staat. Op soortgelijke wijze kunnen we onderscheid maken tussen het louter bestaan van markteconomie en kapitalisme, het systeem van economische overheersing dat het gevolg is van de concentratie van economische macht in grote concerns. Bookchin beweert dat het bestaan van een marktsector als zodanig onverenigbaar is met wijdvertakte gedecentraliseerde democratische instellingen en coöperatieve vormen van productie. Omdat hij deze bewering beschouwt als een in de ervaring getoetste of theoretisch bewezen stelling, is het, zolang hij niet meer bewijsmateriaal verschaft, louter een geloofsartikel van zijn ideologie.[39]

Maar wat de toekomst op de lange termijn voor de markt ook moge zijn, het gaat in feite om de economische context waarin de huidige experimenten plats vinden. Als ondernemingen in beheer van de gemeente worden opgericht, zullen ze onvermijdelijk binnen de markt opereren, al was het alleen maar, omdat de nodige grondstoffen binnen een markteconomie geproduceerd worden. Het is ook waarschijnlijk dat zij ervoor zullen kiezen om hun producten op de markt te verkopen, omdat de overgrote meerderheid van de potentiële consumenten, inclusief diegenen die het meest sympathie hebben voor experimenten met coöperaties, nog steeds op de markt kopen. Zelfs als een groot aantal van zulke gemeentelijke ondernemingen opgericht zou worden, is het de vraag of zij hun transacties volledig zouden willen beperken tot het netwerk van gelijksoortige ondernemingen in plaats van deel te nemen aan de grotere markt, zoals ze gewend waren. Gezien de onzekerheden van de geschiedenis, zouden al dergelijke voorspellingen een soort “wetenschappelijk municipalisme” uitdrukken dat in strijd is met de dialectische principes van de sociale ecologie. Maar wat de toekomst er ook gebeurt; indien gemeentelijke ondernemingen naar voren worden geschoven als een reële praktische strategie, zullen zij onvermijdelijk (volgens Bookchins eigen criteria) een “hervorming” binnen de bestaande economie vertegenwoordigen. Dus is het niet logisch, dat verdedigers van het libertair municipalisme voorstellen tot zelfbeheer, zoals die van de left greens, als louter reformisme afwijzen. Voorstellen als die van Bookchin zijn niet bij machte om de staat en het kapitalisme bij decreet af te schaffen. Maar als ze zouden worden aangenomen, zou dat een reële toename van de coöperatieve en democratische aspecten van de productie betekenen, terwijl tevens de economische positie van de minder bevoorrechten verbeterd zou worden.

Bookchin heeft het idee dat sociale ecologie het belang van het ontwikkelen van een diverse, experimentele, voortdurend groeiende coöperatieve sector binnen de economie moet benadrukken, steeds meer afgezwakt. Hij richt zich nu bijna uitsluitend op het belang van “gemeentelijk beheer van de economie.”[40] Maar, hoewel hij tientallen jaren heeft geschreven over municipalisme, heeft hij niets meer geproduceerd dan een vage en schijnbaar tegenstrijdige veralgemeniseringen over hoe zo’n systeem zou kunnen werken. Hij geeft zelfs geen voorlopige realistische antwoorden op fundamentele vragen. Hoe zou een gemeente van ongeveer 50.000 inwoners (bijv. de hoofdstad van Vermont, Burlington), van meer dan een miljoen (bijv. New Orleans) of van meer dan 8 miljoen mensen (bijv. de Parijse conglomeratie) een samenhangend gemeentelijk economisch plan moeten ontwikkelen en dat volgens de principes van een “directe democratie”? Zou de wijk- of stadsvergadering, zelfs maar in de verste verte, in al deze situaties dezelfde betekenis hebben (om nog maar niet te spreken over wat dat zou betekenen in de supersteden in de derde wereld, zoals Mexico City, Lagos of Calcutta; in de dorpen van Azië, Afrika en Latijns Amerika of op de steppes van Mongolië)? Kunnen afgevaardigden van honderden of duizenden mensen in buurt- of wijkvergaderingen tot overeenstemming komen op basis van “gedetailleerde mandaten” van hun volksvergaderingen? Bookchins municipalisme biedt geen antwoorden op deze vragen en ook zijn confederalisme niet, zoals we nog zullen zien. Hij heeft zeker gelijk als hij zegt, dat “een van onze belangrijkste doelen de radicale decentralisatie van onze industriële stedelijke gebieden tot steden op menselijke schaal moet zijn”, ecologisch gezond.[41] Maar een sociaal ecologische politiek moet niet alleen gericht zijn op zulke verliggende visionaire doelen, maar ook effectieve politieke opties voor een toenemend aantal mensen die leven in dicht bevolkte en snel groeiende stedelijke gebieden en die geconfronteerd worden met serieuze stedelijke crisissituaties, die vragen om praktische antwoorden en wel zo snel mogelijk.

Bookchins meest fundamentele economische principe roept ook vragen die nog beantwoord moeten worden. Hij beweert dat met het onder gemeentelijk beheer brengen van de economie het principe: “van ieder naar vermogen en voor ieder naar behoefte” als onderdeel van het publieke domein geïnstitutionaliseerd wordt.[42] Hoe kunnen vermogens en behoeften worden bepaald volgens Bookchins economie, vraagt men zich af? Zou van iedere burger een bepaalde hoeveelheid arbeid gevraagd moeten worden of zou de hoeveelheid arbeid in verhouding moeten staan tot de aard van de arbeid? Zouden zij die meer vermogen hebben om bij te dragen of waarvan het werk meer behoeftes vervult meer moeten werken? Natuurlijk kunnen deze vragen alleen be antwoord worden door de specifieke gemeenschappen via actuele experimenten met democratisch besluitvorming en zelforganisatie. Het debat over deze kwesties heeft echter een lange geschiedenis binnen de ethiek en de politieke theorie; socialisten, communisten, anarchisten en utopische denkers hebben er allemaal veel aandacht aan besteed (om liberalen, zoals Rawls maar niet te noemen). Als de theorie van het libertaire municipalisme de noodzakelijke experimenten wil inspireren anarchisten moeten municipalisten ten minste mogelijke antwoorden opperen die leden van hun eigen en andere gemeenschappen ervan kunnen overtuigen, dat de theorie een werkbare toekomst biedt. Zij zouden tenminste moeten aangeven wat het zou betekenen om te trachten zulke antwoorden vragen te beantwoorden.

Bookchin vindt het heel verwarrend dat ik zijn beroep op de beroemde slogan over vermogens en behoeften “problematisch” kon vinden. We kunnen bijna zijn ergernis horen als hij verklaart dat “de hele kwestie achter deze grote revolutionaire slogan is, dat in een communistische economie, voorbij de schaarste, vermogens en behoeften strikt gesproken niet bepaald zijn - dat wil zeggen onderworpen aan burgerlijke calculatie” die moet worden vervangen door “een minimum aan fatsoen en menselijkheid.”[43] Eens te meer wordt men uitgedaagd om zich af te vragen hoe Bookchin zichzelf kan opwerpen als een stoere tegenstander van mystiek en toch zijn denken richt op een nobel einddoel dat een onuitsprekelijk mysterie is, om niet te spreken van een logische contradictie. Het is duidelijk dat vele revolutionairen die achter Bookchins geliefde slogan stonden, feitelijk geloofden dat behoeften en vermogens al is het enigszins vaag “vastgesteld” kunnen worden. Bookchin zelf echter gelooft dat zeker handelingen kunnen worden uitgevoerd en bepaalde dingen kunnen worden verdeeld “volgens” dat wat niet kan worden “vastgesteld.” Dit zou stichtelijk geloof kunnen zijn, maar het is ook een absurditeit, puur idealisme en een ontkenning van de “rationaliteit”, die Bookchin zegt zo zeer te waarderen.

Maar zelfs als deze bijzondere vorm van mystiek het juiste standpunt zou zijn ten aanzien van een of andere uiterst utopische maatschappij, zou het ons nog niet goed de weg er naar toe wijzen. Kan iemand een “libertair municipalisme” werkelijk serieus nemen, dat gemeentelijk beheer van alle ondernemingen voorstelt, waarna werkvoorwaarden en distributie van producten vastgesteld zouden moeten worden (of misschien moeten we zeggen “niet vastgesteld”) via “minimaal fatsoen en menselijkheid”? Een probleem dat hier weer opduikt, is de gebrekkige verbinding die hij legt tussen geïdealiseerd doel en de feitelijk bestaande situatie. Dat wil niet zeggen dat zijn utopische doel op zichzelf onlogisch is. Want, ondanks de zichzelf toegedichte rol als de verdediger van de “Rede”, vermijdt hij angstvallig de rol van rationaliteit bij utopische verdeling onder ogen te zien. In plaats daarvan valt hij nu terug op louter gevoel, dualistisch gescheiden van rationaliteit zoals ideologische consistentie dat wil. Dit is natuurlijk zijn enige optie bij gebrek aan een fundamentele heroverweging van zijn positie. Want de rede drukt zich zelf, helaas voor Bookchin, uit in bepalingen, zo voorlopig en zichzelf veranderend als deze bepalingen kunnen zijn.

Bookchin geeft twee extra argumenten, die beiden vaak verschenen zijn werk, voor deze positie. Beide vallen in wezen terug op een appel op geloof. In de eerste plaats stelt hij, dat er wanneer “’oorspronkelijke’ mensen” kunnen “vertrouwen op vruchtgebruik en het principe van het onherleidbare minimum,” zijn ideale samenleving het zeker kan stellen zonder contractuele of rekenkundige beperkingen.”[44] Maar dit is louter een variant op het beroemde “Als we een man op de maan kunnen zetten dan kunnen we ook X doen” argument. Volgens deze drogredenering wordt van een bepaald voorstel - waarvan de juistheid geenszins volgt uit een maanlanding – beweerd, dat het een haalbare optie is, omdat handeling X mogelijk bleek. Het is waar dat stammensamenlevingen gewoonlijk duidelijke regels voor verdeling hanteerden en inderdaad vaak zeer strikte en complexe regels gebaseerd op verwantschap en schenkingen. Ongeacht de inhoud van deze regels (die vaak zeer humaan, ecologisch, enzovoort waren), uit het feit dat vroegere samenlevingen zich aan deze regels hielden, volgt geenszins dat een toekomstige maatschappij kan functioneren zonder distributie-regels, kwantitatief of anderszins.

In zijn tweede argument beweert Bookchin, dat nog hij nog ik beslissingen zullen nemen voor enige toekomstige “maatschappij, voorbij de schaarste, geleid door de rede”, maar slechts zij die erin leven. Deze bewering is beslist waar (aangenomen dat geen van ons er ooit in zou leven). Dit feit ondersteunt de positie van Bookchin echter absoluut niet, want het is goed mogelijk dat deze rationele utopische mensen terug zouden kunnen kijken op zijn analyse van zo'n maatschappij en hem niet overtuigend of zelfs absurd vinden. Als hij slechts zijn geloof, dat in zijn laatste rationele Utopia mensen dingen realiseren die we ons nauwelijks kunnen voorstellen in onze huidige verdorven staat, wil uitdrukken, zou het moeilijk zijn om hierover met hem in debat te gaan. Als hij echter wil zeggen, dat een specifieke organisatievorm een redelijke doel is voor een beweging die uit is op sociale verandering, dan moet hij bereid zijn om z’n visie te onderbouwen in plaats van de louter stichtelijke opvatting dat in Utopia alles mogelijk is.


Bookchins confederatie

Het anarchistische politieke denken heeft gewoonlijk voorgesteld dat sociale coöperatie die plaatselijke niveau overstijgt, plaats moest vinden middels vrijwillige federaties van betrekkelijk autonome individuen, productieve ondernemingen of gemeenschappen. Terwijl klassieke anarchistische theoretici zoals Proudhon en Bakoenin zo'n systeem “federalisme” noemden, noemt Bookchin deze variant op dit thema “confederalisme”. Hij beschrijft haar structuur als bestaande uit: “vooral een netwerk van administratieve raden waarvan de leden of gedelegeerden worden gekozen door face-to-face democratische volksvergaderingen in de verschillende dorpen, steden en zelfs wijken van grote steden”.[45] In een dergelijk stelsel blijft de macht volledig in handen van de volksvergaderingen, zo vertelt hij ons. “Beleidsbepaling is het alleenrecht van de volksvergaderingen”, terwijl administratie en coördinatie onder verantwoordelijkheid van confederale raden vallen.[46] Raden bestaan alleen om de wil van de volksvergadering uit te voeren. Hiertoe zijn “de leden van deze confederale raden beperkt gemandateerd, terugroepbaar en verantwoording verschuldigd aan de volksvergaderingen die hen gekozen hebben om het door hen geformuleerde beleid te coördineren en uit te voeren”.[47] Dus, terwijl de volksvergaderingen, als enige besluitvormende organen meerderheidsbesluiten nemen, zijn de administratieve raden gebonden aan strikte uitvoering ervan.

Het is echter niet duidelijk hoe deze absolute tweedeling tussen besluitvorming en uitvoering in de praktijk kan werken. Hoe moet bijvoorbeeld de administratie te werk gaan als er onenigheid bestaat tussen volksvergaderingen onderling? Libertair municipalisme is mordicus tegen delegatie van besluitvormende bevoegdheden, zodat alle collectieve activiteit waarschijnlijk afhankelijk is van de consensus tussen de volksvergaderingen, zoals die weerspiegeld wordt in de “administratieve raden”. Als daarin een meerderheidsbesluiten genomen worden over politieke onderwerpen, zou dat betekenen dat politiek inderdaad gemaakt wordt op confederaal niveau. Bookchin is er als de kippen bij om de aanval te openen op de “tirannie van de consensus”: een besluitvormingsprocedure in volksvergaderingen waarin ieder groepslid vrij is om compromissen te sluiten voor het algemeen belang. Ironisch genoeg, blijft hij waarschijnlijk afhankelijk van consensus in besluitvormende organen waarvan de leden strikt gebonden zijn om te stemmen volgens vooraf gegeven richtlijnen van hun volksvergaderingen.

Hij schijnt tenminste tot zo'n positie veroordeeld te zijn, totdat hij ontdekt wat er zal gebeuren als sommige gemeenschappen zich niet neerleggen bij fundamentele principes of beleidslijnen die algemeen zijn aangenomen. Bookchin vindt, dat “als specifieke gemeentes of wijken - of een minderheidsgroepering daaruit - ervoor kiest om mensenrechten te schenden of ecologische kaalslag te tolereren, de meerderheid in de lokale of regionale confederatie het recht heeft om zo'n misdaad via haar confederale raad te voorkomen”.[48] Dit voorstel is echter in flagrante tegenspraak met zijn eis dat beleid gemaakt moet worden op het niveau van de volksvergadering. Als er [zoals in bovengenoemd voorbeeld – vert.] sancties opgelegd worden door middel van een meerderheidsbesluit van de raad, hebben we zonder meer te maken met een ingrijpende beleidsbeslissing, waarbij het besluit van een volksvergadering op confederaal niveau teniet wordt gedaan. Een zeer lastige vraag blijft nog onbeantwoord: met welke middelen zou de confederaal raad zulke “preventieve” bevoegdheden moeten uitoefenen (Bookchin denkt waarschijnlijk aan vormen van dwang)? Maar wat zijn antwoord ook mag zijn, zulke maatregelen zouden beleidsvorming op een belangrijk terrein introduceren. Er zijn duidelijk vele interpretaties mogelijk als het gaat om wat inbreuk maakt op mensenrechten of wat een onaanvaardbaar ecologisch gevaar vormt. Als de meerderheid van de gemeenten die confederaal via een raad handelen, met dwang optreedt in zulke fundamentele kwesties dan ontstaan er op confederaal niveau functies die in de richting gaan van Staatsbestuur.

Het lijkt erop, dit gevolg alleen vermeden kan worden middels een zuivere anarchistische benadering: er kunnen slechts maatregelen genomen worden op confederaal niveau met geheel vrijwillige instemming en volledig recht op autonomie van de volksvergadering aangaande alle kwesties (inclusief “milieukaalslag”). Bij zo'n benadering zou een gemeente het recht hebben om zich te onttrekken aan de gemeenschappelijke inspanning, zelfs bij doelen waarvan anderen vinden dat ze onrechtvaardig of milieuvernietigend zijn. De andere gemeenten zouden natuurlijk nog in staat zijn om maatregelen te nemen tegen de zogenaamd zondigende gemeente, vanwege diens veronderstelde misdaden. Zij zouden deze bevoegdheid in ieder geval hebben gehad, zelfs als de zondigende gemeente nooit had ingestemd met de “niet-beleidsvormende” confederatie. Als Bookchin zo'n positie zou willen innemen, dan zou hij het idee van handhaving door dwang op confederaal niveau hebben moeten opgeven. Hij zou dan een vorm van confederale organisatie moeten voorstellen waarbij besluiten steeds via consensus genomen moeten worden en waarbij de meerderheid van de geconfedereerde gemeenten op geen enkel terrein zijn macht aan een gemeente zou kunnen opleggen. Deze positie zou dan de verdienste van consistentie hebben, hoewel zeer weinigen dit een begaanbare weg zouden vinden om problemen in een complexe wereld op te lossen.

Er zijn andere aspecten van Bookchins confederalisme die vragen oproepen over de praktische haalbaarheid of zelfs de mogelijkheid van zo'n systeem. Hij stelt voor dat activiteiten van de volksvergaderingen worden gecoördineerd door de confederale raden waarvan de leden moeten rouleren terugloop baan zijn en boven alles strikte instructies ingeschreven voor een moeten ontvangen om. Dat op de agenda verschijnt te ondersteunen of te verwerpen.[49] Maar kan zo’n instructie een haalbaar in een moderne stedelijke samenleving (aannemende, zoals Bookchin schijnt te doen, dat de komst van municipalisme en confederalisme niet worden uitgesteld tot na de ontbinding van de stedelijke, industriële samenleving)? Misschien kan Parijs als een voorbeeld dienen, ter ere  van de Parijse “secties” uit de Franse Revolutie die Bookchin zo vaak noemt als een model voor municipale politiek. Stedelijk Parijs heeft ruwweg 8,5 miljoen inwoners. Als het bestuur zou toevallen aan volksvergaderingen, van per wijk 25.000 inwoners, zouden er 340 wijkvergaderingen ontstaan. Als de decentralisatie verder zou gaan tot buurten van enkele straten met elk 1.000 inwoners, zouden er 8.500 buurtvergaderingen ontstaan. Als al die vergaderingen (zoals Bookchin wil) dan afgevaardigden naar confederale raden zenden, die op hun beurt weer overkoepelende raden vormen voor stedelijke thema’s, kan de keten van verantwoordelijkheid dan stand houden? En zo ja, hoe?

Als hij geconfronteerd wordt met zulke vragen, geeft Bookchin ten antwoord dat hij niet gelooft in het soort gecentraliseerde, verstedelijkte samenleving waarin deze problemen ontstaan. Zijn politieke voorstellen zijn echter duidelijk gericht tot mensen die in precies zo’n wereld leven. Als municipalisme niet haalbaar is in het soort samenleving waarin werkelijke mensen zich bevinden, dan rijst de vraag welke andere politieke constellaties wel haalbaar zouden zijn en ook in de richting gaan van de doelen die Bookchin belichaamd ziet in municipalisme. Ja zijn politiek gaat hieraan voorbij. Wij blijven zitten met een abstract najagen van een ideaal en een appel op de wil om het te verwezenlijken. Vooral Bookchins late werk drukt een tartende wil uit dat de geschiedenis zal worden wat hij behoort te worden en een armzalig ingehouden woede bij de gedachte dat hij koppig weigert dat te volbrengen. Tegenwerpingen dat zij sociale analyse en politieke voorstellen een juiste relatie met de actuele geschiedenis missen stuiten doorgaans op spot en sarcasme, zelden op redelijke argumenten.


Noten


[1]      Municipality betekent gemeente, maar dit woord dekt het begrip maar gedeeltelijk en laat in het Nederlands, behalve “gemeentelijk” weinig afleidingen toe. [noot van de vertaler]

[2]      Bookchin beschouwt dit soort problemen die ik hier opwerp als doordraverij (Comments on the International Social Ecology Network Gathereing and the ‘Deep Social Ecology’ of John Clark in: Democracy and Nature, vol. 3, nr. 3, 1997 p. 188). Maar zij die goede antwoorden hebben, reageren niet zo benauwd. In dit geval herinnert de vraag hem aan het vervelende feit dat een sociale beweging niet zal slagen (of zelfs als een belangrijke maatschappelijke kracht zal optreden) louter omdat een klein aantal voorstanders een ideaal omhelzen en vurig verlangen dat het wordt gerealiseerd. De vraag wat grote aantallen mensen ertoe brengt dat ideaal te delen en naar verwezenlijking ervan te verlangen, lijkt me een goede vraag.

[3]     Murray Bookchin en Janet Biehl,  A Critique of the Draft Program of the Left Green Network in: Green Perspectives, nr. 23, 1991 p. 2. Mijn verwijzingen naar de “links groenen” hebben specifiek betrekking op het Links Groene Netwerk, een klein samenwerkingsverband van eco-anarchisten en eco-socialisten binnen de goene beweging in de VS. Bookchin raakte teleurgesteld in de links groenen toen zij nalieten om zijn libertair municipalisme over te nemen als hun officiële ideologie.

[4]       Murray Bookchin, Comments, p. 174

[5]       Idem, p. 175

[6]    Het is opmerkelijk dat bijna alle medestanders van Bookchin in de afgelopen jaren die nauw betrokken waren bij de basisdemocratische milieu-, vredes- en mensenrechten bewegingen zich hebben ontdaan de Bookchinistische politiek en deze streberige anarchistische Lenin met zijn ideologische bagage hebben laten staan op het Finse Station.

[7]     Murray Bookchin, The Rise of Urbanisation and the Decline of Citizenship, 1987 p. 276

[8]    Murray Bookchin, Libertarian Municipalism: An Overview in: Green Perspectives, nr. 24, 1991 p. 4

[9]    Het is niet altijd duidelijk waarom zijn eigen steun voor kleine bedrijven legitiem is, terwijl anderen die hen ondersteunen als onderdeel van een gedecentraliseerde, lokale en regionale economie beschuldigd worden zich te verkopen aan het kapitalisme. Het verschil zit hem er waarschijnlijk in dat ondanks zijn verklaringen ten gunste van kleine bedrijven, hij vast houd aan de leerstellige opvatting dat alle private ondernemingen en inderdaad alle aspecten van de markt moeten worden geëlimineerd, terwijl diegenen die hij aanvalt de mogelijkheid van experimenten met verschillende combinaties van gemeenschapsondernemingen, zelfbeheer en kleine private ondernemingen op de weg naar een rechtvaardige en democratische economische orde, open houden.

[10]   Murray Bookchin, The Rise of Urbanisation and the Decline of Citizenship, 1987 p. 275

[11]   Idem

[12]   Idem, p. 276

[13]   Sociale ecologische voorstellen voor een basisdemocratie zouden meer moeten appelleren aan potentiële activisten (met uitzondering van enkele theoretisch georiënteerde, gepolitiseerde linksen) als de retoriek van “libertair communalisme”  geheel zou worden vervangen door meer populistische opvattingen zoals “macht aan de buurt” (inclusief meer milieuaspecten die later aan de orde komen). Terwijl municipalisme [municipalism] een wanbegrip is voor de meeste Noord Amerikanen en West Europeanen, is identificatie met de buurt soms behoorlijk sterk en kan veel meer in een libertaire richting ontwikkeld worden. Soortgelijke lokale tendensen bestaan in Latijns Amerika en vele andere plaatsen waar de stedelijke wijk of het dorp sterke bronnen van identiteit vormen. In feite zou het idee van de creatie van het stedelijk dorp, als onderdeel van een grotere bio-regionale visie, een sociaal ecologische opvatting zijn die zowel radicaal als traditioneel in talrijke culturele situaties zou zijn.

[14]   Murray Bookchin, Remaking Society, 1989 p. 175

[15]   John Burnheim, Is Democracy Possible? The Alternative to Electoral Politics, 1985

[16]   Murray Bookchin, Comments, p. 183

[17]   De enige verwijzingen naar “raden” in de tekst die door Bookchin wordt aangevallen komen in citaten van hem of in verwijzingen naar citaten voor.  Ik heb nooit raden, alsof dat een ander panacee dat met Bookchins volksvergaderingen concurreert zou zijn, “geëist”,  maar de uitbreiding van de gemeenteraad in de stad waar ik woon van 7 tot tenminste 25 leden, als element in een meeromvattend proces ter uitbreiding van de lokale democratie (naast wijkvergaderingen, openbare voorzieningen en gelijksoortige ideeën). Zoals we verderop zullen zien, “eist” Bookchin zelf, ondanks zijn duidelijke afkeer van het idee, een soort raad, zij het in een schijnbaar volledig onwerkbare vorm.

[18]   Murray Bookchin, Remaking Society, 1989 p. 143

[19]   Moderne historici schatten het aantal bezoekers van de Atheense Volksvergadering op 6000-8000 man. Zie o.a.: Mogens Herman Hansen, The Athenian Democracy in the Age of Demosthenes, 1999 (noot van de vertaler)

[20]   Murray Bookchin, Remaking Society, 1989 p. 181

[21]   Het is niet alleen de omvang van een moderne stedelijke massa die Bookchins “communalisch” perspectief ter discussie stelt, maar ook de kwalitatieve veranderingen die plaats hebben gevonden. Mumford liet zien  dat hetgeen ontstond “in feite geen nieuw soort stad, maar een anti-stad is” dat “de stad vernietigt, zodra het in aanvaring met de stad komt” (Lewis Mumford, The City in History - Its Origins, Its Transformations and Its Prospects, 1961 p. 505). Bookchin erkent deze verandering als een ethisch kwaad dat moet worden veroordeeld, maar hij ziet het niet serieus als een object van zorgvuldige studie en een uitdaging voor praktische ideeën uit vroegere perioden. Luccarelli wijst erop dat Mumfords idee van de anti-stad voorloper is van een “technurbia” die ontstaan is uit de sociale verandering in een “post-Fordistisch” regime dat wordt “gestuurd door ICT-arrangementen” die krachten oproepen die naar verspreiding en decentralisatie van de productie tenderen” en die uitlopen op de “diffuse stad” (in: Luccarelli, Mumford and the Ecological Region, 1995 p. 191). Bookchins municipalisme moet zich nog uiteenzetten met deze veranderingen en hun effecten op de organisatorische mogelijkheden en de subjectiviteit.

[22]   Murray Bookchin, The Rise of Urbanisation and the Decline of Citizenship, 1987 p. 246

[23]   Idem, p. 102

[24]   Benjamin Barber, Strong Democracy, 1984 p. 246

[25]   Murray Bookchin, Remaking Society, 1989 p. 175

[26]   Je kunt je zeker voorstellen dat een volksvergadering van enige omvang democratisch kan functioneren zonder te bezwijken onder deze gevaren. Of dat gebeurt hangt in belangrijke mate af van een effectieve en open omgang ermee, maar nog meer van de aard van de gehele cultuur en de manier waarop de persoonlijkheid van de deelnemers wordt gevormd door die cultuur. Maar de volksvergadering zelf kan nauwelijks functioneren als het belangrijkste instrument van een paideia (opvoeding), die niet concurrerende, niet manipulerende volksvergaderingen mogelijk maakt.

[27]   Benjamin Barber, Strong Democracy, 1984 p.

[28]   Murray Bookchin, The Modern Crisis, 1986 p. 191

[29]   Murray Bookchin, The Rise of Urbanisation and the Decline of Citizenship, 1987 p. 263

[30]   Murray Bookchin, Remaking Society, 1989 p. 194

[31]   Murray Bookchin, The Modern Crisis, 1986 p. 93

[32]   Idem p. 92

[33]   M. Bookchin en J. Biehl, A Critique of the Draft Program of the Left Green Network in: Green Perspectives nr. 23 , 1991 p. 3

[34]   Idem, p 4

[35]   Idem

[36]   Het is niet duidelijk of arbeiders of onder het libertair municipalisme burgers kunnen werken in een nabijgelegen onderneming die buiten hun gemeentegrens ligt. Zo niet, dan zouden zij geen stem hebben in besluiten op hun werkplaats, behalve als adviseurs van de burgers.

[37]   Murray Bookchin, The Rise of Urbanisation and the Decline of Citizenship, 1987 p. 275

[38]   Murray Bookchin, Comments, p. 186. Bookchin noemt deze sombere gevolgen van de markt een “bijna zekerheid” en in de volgende paragraaf heeft hij zichzelf en mogelijk de lezer, ervan overtuigd dat zij “stellig” optreden.

[39]   Hoewel Bookchin Marx doorgaans hard aanvalt beroept hij zich in dit geval op de “briljante inzichten” van Marx die “onthullen” wat zich “uiteindelijk” zal “doorzetten” (Comments, p. 186). Ondanks Marx’ inzichten in de historische tendensen van het kapitalisme, kunnen zijn ideeën toch niet goed worden gebruikt om de rol die de markt in alle mogelijke toekomstige maatschappijformaties zou kunnen spelen, vooraf te beoordelen. Dit is niet de eerste keer dat Marx’ vlijmscherpe kritiek werd gebruikt voor bot dogmatisme.

[40]   Murray Bookchin, The Rise of Urbanisation and the Decline of Citizenship, 1987 p. 262. Hij haast zich om zijn “claims” voor diversiteit te citeren, als hij wordt aangevallen op zijn beperkte visie, maar valt vervolgens weer iedereen hard aan die vraagtekens zet bij het belang van municipalisme en de soevereine volksvergadering.

[41]   Murray Bookchin en Dave Foreman, Defending the Earth: A Dialogue between Murray Bookchin and Dave Foreman, Steve Chase (red.) South End Press, Boston, 1991 p.79. Bookchin zegt dat deze gemeenschappen “ingenieus op maat gemaakt moeten worden volgens de draagbare capaciteiten van de eco-gemeenschappen waarin zij gelegen zijn.” Helaas introduceert dit niet alleen de vervelende metafoor van “maatwerk” tot een “capaciteit”, maar gebruikt het theoretisch problematische begrip “draagbare capaciteit”, wat ernstiger is.

[42]   Murray Bookchin The Rise of Urbanisation and the Decline of Citizenship, 1987 p. 264

[43]   Murray Bookchin, Comments, p. 185; cursief in het origineel

[44]   Idem

[45]   Murray Bookchin, The Meaning of Confederalism in: Green Perspectives, nr. 20, 1990 p. 4

[46]   Idem

[47]   Idem

[48]   Murray Bookchin, Libertarian Municipalism: An Overview in: Green Perspectives, nr. 24, 1991 p. 3; cursief toegevoegd

[49]   Murray Bookchin The Rise of Urbanisation and the Decline of Citizenship, 1987 p. 246